1. Het geheimenis van Christus

<<<<<

  • ‘Alle dingen zijn door Hem (niet Jezus Christus, maar het Woord van God, Logos) geschapen’ (Col.1:16b; Joh 1:1).

Schaduw

Door de zondeval kon Gods plan niet doorgaan. God gaf echter zijn plan en ook de mens niet op. Hij zocht naar ‘vrienden’ die Hem geloofden (Jac.2:23). Aan de een (bv. Abraham, David) gaf Hij beloften; aan anderen (bv. Mozes, Nehemia) bijzondere opdrachten voor hun tijd en omstandigheden. Door de profeten bleef Hij spreken over allerlei actuele zaken, waar zij in hun situatie mee te maken hadden in hun werk voor Israël in die dagen. Veel van deze woorden en daden hadden echter als doel om meer te leren dan alleen de tijdelijke, uiterlijke en natuurlijke betekenis en invulling ervan. Bijna heel Israël bleef namelijk alleen in dit laatste steken. Zij hadden alleen oog voor de schaduwen, niet voor de werkelijkheid. Zij hadden oren die niet meer konden horen en ogen die niet meer konden zien waar het eigenlijk bij God om ging (Jes.6:9-10; Matth.13:13).

Dat eigenlijke was wél aanwezig in de Woorden van God. Zo bracht Hij door het werk van zijn knechten zijn eeuwig plan stukje bij beetje naar buiten: een mensheid, samengevat onder de Christus, waarin God alles in allen zal zijn (Ef.1:10; 1 Cor.15:28b). Wanneer Hij Zich ook maar uitte, was dát plan er altijd in Zijn gedachten. Met de uitgesproken Logos (Gods Woord), bedoelde Hij twee dingen tegelijk. Er was een ‘tweede spraak’ in verborgen. Terwijl Gods woorden hun uitwerking hadden voor de tijd en de situatie waarin ze gesproken werden (bv. uittocht Egypte, tabernakel, wet, beloofde land, enz,) lag er echter steeds de tweede, eigenlijke bedoeling in opgesloten: het geheimenis van Christus (Col.2:20). Daar doelt ook Paulus op als hij schrijft:

  • ‘Alle dingen zijn door Hem (niet alleen Jezus Christus, maar het Woord, Gods Logos) geschapen’ (Joh.1:1; Col.1:16b).

Sleutels

De Woorden van God zijn vol met die tweede betekenis. De profeten, die Gods gedachten mochten verwoorden en doorgeven, hebben daarnaar onderzoek gedaan (1 Petr.1:10-12), want daar gaat het immers om. Alleen met de sleutels van het evangelie van het Koninkrijk van hemelen – waarbij ook de doop met Gods Geest hoort – kan men met zijn verstand en door woorden zien wat die tweede betekenis inhoudt. Als er één is die deze tweede sprake begreep en in zijn schrijven deze zelf ook hanteerde, dan is dat Paulus wel. Voor zijn lezers is dit niet gemakkelijk. Zelfs Petrus weet daarvan mee te praten, zoals hij in 2 Petrus 3:15,16 aangeeft.

Paulus noemt het geheimenis van God kortweg ‘Christus’ (Col.2:2b). Daarin vat hij alles samen wat God met de mensheid wil bereiken. Met ons huidig taalgebruik zouden we kunnen stellen dat God een ‘concept’, een ontwerp heeft gemaakt waarin zijn eeuwig voornemen tot uitdrukking komt. In de eerste twee hoofdstukken van de Efezebrief schrijft Paulus daar in het kort over (Ef.3:3). Dat plan is alleen te realiseren onder leiding van de Christus. Daarom noemt hij het kortweg ‘Christus’. De apostel ziet dat concept steeds weer als die tweede betekenis opduiken in het Oude Testament. Naast 2 Corinthiërs 4:6 is ook 1 Corinthiërs 10:4b te noemen: ‘Zij dronken uit de geestelijke rots die met hen meeging en die rots was de Christus.’ De uitdrukking ‘geestelijke rots’ wijst erop dat het hier gaat over beeldspraak en niet over de aanwezigheid van de méns Jezus Christus.

Petrus schrijft dat de profeten door de Geest van Christus werden geïnspireerd. Met andere woorden: hoewel God tot hen sprak door middel van zijn Geest over allerlei zaken die in hun tijd actueel waren, doelde Hij steeds weer op ‘het grote concept’, zijn plan. Hij sprak als het ware in overdrachtelijke zin. Op dezelfde manier verwoordt Paulus in Colossenzen 1:15-17 de door alles heen werkende Christusgedachte in Gods handelen. Hij had de schepping zo geconstrueerd dat de Christus voor het uitvoeren van zijn taak gebruik kon maken van het ordenende stelsel in vers 16b genoemd. ‘Alles is tot Hem geschapen’ (vers 16c).

Naam en functies

Voor de ontwikkeling van de juiste kennis over Jezus Christus en over de uitdrukkingswijze van de Bijbelschrijvers is het dus noodzakelijk het bovenstaande goed te onthouden. Daarbij is het vervolgens van groot belang te begrijpen dat er verschil is tussen de mens Jezus, Gods Zoon en het begrip ‘de Christus’. De naam Jezus duidt op de persoon, de naam Christus op een functie. Het is namelijk zo dat oorspronkelijk het ‘Christusconcept’ bij God aanwezig was in Zijn Logos. Zou er geen kink in de kabel gekomen zijn door het ontstaan van het rijk van de duisternis en de zondeval van de mens, dan zou Gods plan zich van begin af aan ontwikkeld kunnen hebben in en met een volmaakte mensheid onder leiding van de Christus: Adam, de zoon van God (Lucas 3:38). Er zou geen Lam van God nodig zijn geweest en alles wat daar uit voortvloeit. Nu het echter anders is gelopen, heeft de enkel goede God in zijn grote wijsheid alsnog de oplossing uit zijn goede schepping naar voren weten te brengen, zodat zijn plan door kon gaan: de mens Jezus van Nazareth, de Zoon van God. In Hem vallen nu twee taken samen:

  1. De oorspronkelijke Christusfunctie. Vanwege deze laatstgenoemde taak mag de Heer terecht (de laatste) Adam genoemd worden (1 Cor.15:45).
  2. Het Lam van God zijn om de zonden van de wereld weg te dragen. Daaruit voortvloeiend: verlosser en hersteller van de gevallen schepping.

Terecht zegt Petrus in zijn pinkstertoespraak:

  • ‘Dus moet ook het hele huis van Israël zeker weten, dat God Hem én tot Heer én tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus die u gekruisigd hebt’ (Hand.2:36).

Het Christusconcept

Het Christusconcept was bij God in zijn Logos (Woord). De Christuspersoon was een door God geliefd mens die leiding zou gaan geven aan zijn schepping. ‘U hebt Mij liefgehad vóór de grondvesting van de wereld’ (Joh.17:24b). Hij zou de eerste zijn onder allen en alles. Hij was het begin. ‘Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem’ (Col.1:17). Dit zou werkelijkheid worden, zodra deze Leider van de mensheid er invulling aan zou gaan geven. ‘Hij was tevoren gekend, vóór de grondvesting van de wereld’ (1 Petrus 1:20 a). Hij bestond nog niet, maar was door en bij God al gekend. Johannes de Doper zegt daarom: ‘Na mij komt een man die vóór mij geweest is, want Hij was er eerder dan ik’ (Joh.1:15,30). In zijn gedachten had God de Christus heerlijkheid toegedacht. Dat was voor zijn belangrijke en veelomvattende taak ook noodzakelijk. Deze heerlijkheid hield onder meer in:

  • Grote wijsheid,
  • volheid van Gods Geest,
  • macht en gezag in twee werelden,
  • kennis van zaken over Gods plan,
  • de gezindheid van God.

Deelhebbend aan de goddelijke natuur zou hij als volmaakte mens van God, bij machte zijn de schepping voor te bereiden op haar volheid in God. Jezus had tijdens zijn aanwezigheid op aarde veel van die heerlijkheid ontvangen en er mee gewerkt (Joh.17:22a).

Toch was er nog meer heerlijkheid voor Hem, als Christus, bereid. Dat wist Hij door openbaring. Hij kende de inhoud van de Logos die op Hem betrekking had (Lucas 24:27). Zijn gebed was voor zijn heengaan dan ook:

  • ‘En nu, verheerlijk U Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, vóórdat de wereld er was’.

Jezus Christus op de troon van zijn Vader

Jezus beweert hier niet dat Hij vóór de schepping van de wereld al bestond, maar dat zijn heerlijkheid al vaststond in Gods plan. En die vroeg Hij op. Daar had Hij, vanuit God bezien, recht op. Zo wilde de Vader het. De vervulling liet niet lang op zich wachten. Na de hemelvaart heeft Jezus Zich gezet aan de rechterhand van God (Marcus 16:19). Adam is door zijn zondeval niet aan heerlijkheid toegekomen.

Er volgden voor de mensheid tijden van onwetendheid en vervreemding van het leven van God. ‘Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God’ (Rom.3:23). Toen kwam de mens Jezus, de eniggeboren Zoon van God. Tijdens zijn opgroeien en vorming ontwikkelde bij Hem geleidelijk aan de bewustwording dat de Vader Hem als Adam (1 Cor.15:45b), als Christus (Matth.16:16) en als de eerstgeborene van de hele schepping (Col.1:15b), uitgekozen had. En Hij bood zichzelf vrijwillig aan als verzoening voor de zonden van de hele wereld. Hierdoor is Jezus de eerste én de laatste. Voor eeuwig.

Het nieuwe (de nieuwe schepping die in en door Jezus mogelijk werd voor alle mensen) is het eigenlijke en oorspronkelijke dat God met de mens voor had. Vanuit deze benadering dus niet nieuw. Maar doordat zijn plan destijds, door de zondeval, niet door kon gaan en niet uitgevoerd kon worden, is het in en door Jezus pas de eerste (en enige) keer dat God tot zijn doel komt. Vandaar dat Jezus terecht door Paulus de ‘eerstgeborene’ van de hele schepping wordt genoemd. Hij is het begin! Jezus wist dit.

Als de Joden Hem aanvallen en zich ter eigen verdediging beroepen op Abraham als hun oorsprong, spreekt de Heer die ware en sterke woorden uit: ‘Voor Abraham er was, ben Ik!’ (vers 58). Niet Abraham is het begin, het fundament, maar Jezus Christus. In Hém alleen is de weg, de waarheid en het leven van God te vinden. Hij alleen is de enige oorsprong voor alle mensen geworden. Wie alsnog z’n plaats in Gods plan wil innemen en beantwoorden wil aan zijn bedoelingen, zal tot Jezus moeten gaan (1 Petr.2:4). In de Christus is de wijsheid van God vlees geworden. En deze wijsheid was van eeuwigheid in en bij God. Het ‘ben Ik’ en niet ‘was Ik’, duidt er al op dat de Heer niet over een voortbestaan van zichzelf spreekt, maar over het feit dat Hij het eeuwige fundament is en blijft. Dat zal altijd tegenwoordige tijd zijn. Dit blijft gelden; het is onvervangbaar, onuitwisbaar en onwankelbaar.

Ook wij

Voor iedereen die Hem aanvaardt en gelooft, wordt Hij tot oorsprong, bron en begin. Alle dingen die God vanaf het begin voor de mens bedoelde, zijn in zijn Christus gepland, klaargelegd, aanwezig en bereikbaar gemaakt: ‘in Hem zijn alle dingen geschapen’. Daar hoort ook onze heerlijkheid bij, zoals 1 Corinthiërs 2:7 zegt: ‘De verborgen wijsheid van God die Hij al van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid!’ Vóór de grondvesting van de wereld zijn ook wij in Hem uitverkoren en ertoe bestemd om als zonen van God aangenomen te worden. Bij zijn afscheid zegt Jezus in het Hogepriesterlijk gebed tegen zijn Vader dat Hij die heerlijkheid aan zijn volgelingen heeft gegeven (Joh.17:22b). De gelovigen mogen immers delen in allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus.

De in zonde gevallen mens kan echter geen deel krijgen aan de zegeningen van de Christus als hij niet eerst wordt vrijgekocht uit de macht van Satan en Dood (Hand.26:18). Om dit mogelijk te maken was het nodig dat er een Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt, zou komen (Joh.1:29). Een verlosser die ook de beschadigde mens zou herstellen. Deze extra toegevoegde redding en verlossingsdaad, kon alleen uitgevoerd worden door een onberispelijk mens. Dit geldt overigens ook voor de Christustaak. Alleen een volmaakte, geestelijk volwassen mens van God is in staat om beide taken op de juiste manier naar Gods wil uit te voeren. De enige mens die daarvoor in aanmerking komt, is Jezus van Nazareth, de Zoon van God. In Hem komen beide functies bij elkaar: het Lam van God én de Christus. Dat doet Hem de naam Jezus Christus dragen.

Het WAS zeer goed

God heeft de schepping zeer goed gemaakt. Dat kon ook niet anders door een enkel goede God. Kennis vooraf over een naderende engelen en mensenval bestond niet. Dus hield God ook niet van tevoren een lam achter de hand zodat Hij de aangerichte schade zou kunnen ‘vergoeden’. Openbaring 13:8b leert ons dat nadrukkelijk: ‘Het Lam dat geslacht IS sinds de grondvesting van de wereld.’ Voor ‘grondvesting’ staat in de grondtekst ‘neerwerping, catastrofe’. Pas toen het fout ging in het paradijs, wist God in zijn oneindig grote wijsheid en liefde meteen ook de oplossing. Sinds, vanaf dát moment en niet van tevoren.

Als Petrus schrijft over Christus én het Lam, zegt hij: ‘Hij was van tevoren gekend’, dit slaat dus op Christus en niet op het Lam. Dit laatste woord is trouwens onzijdig: Het, maar er staat Hij, dat is de Christus. In 2 Timotheüs 1:9b schrijft Paulus over de genade die ons in Christus Jezus gegeven is. En dat voor altijd, voor eeuwig. Vers 10 begint in de grondtekst niet met ‘maar’. Je mag ‘daar’ lezen of het voegwoord helemaal weglaten, omdat het Grieks dit niet vermeldt. De lange zin van de apostel vanaf vers 8 t/m vers 10 spreekt dus niet over een al van tevoren door God ingeplande genade, omdat zijn schepping toch wel zou gaan vallen.

Een verzonnen drie-eenheidsdwaling

Tenslotte, wat die schepping betreft, is Genesis 1:26: ‘Laat ons mensen maken,’ geen aanwijzing dat Jezus bij het scheppen betrokken was. Trouwens, het gaat hier niet om het ontstaan van de hele schepping, maar slechts om het maken van mensen, (vergelijk de verzonnen De drie-eenheidsdwaling).