2. Het ontstaan van Jezus

<<<<<

Het was zeer goed

God heeft de schepping zeer goed gemaakt. Dat kon ook niet anders door een enkel goede God. Kennis vooraf over een naderende engelen– en mensenval bestond niet. Dus hield God ook niet van tevoren een lam achter de hand om de zonden van de mensen te dragen. Openbaring 13:8 leert ons dat nadrukkelijk: ‘Het Lam dat geslacht IS sinds de grondvesting van de wereld.’ Voor grondvesting staat in de grondtekst ‘neerwerping, catastrofe’. Pas toen het fout ging in het paradijs, wist God in zijn oneindig grote wijsheid en liefde meteen ook de oplossing. Sinds, vanaf dát moment en niet van tevoren. Petrus schrijft Christus én het Lam: ‘Hij was van tevoren gekend’ (1 Petr.1:20). Die ‘Hij’ slaat dus op Christus en niet op het Lam. Dit laatste woord is trouwens onzijdig: Het lam, maar er staat Hij, dat is de Christus. In 2 Timotheüs 1:9-11 schrijft Paulus over de genade die ons in Christus Jezus gegeven is. Hij spreekt niet over een al van tevoren door God ingeplande genade, omdat zijn schepping toch wel zou gaan vallen.

Wat Genesis 1:26: ‘Laat ons mensen maken,’ betreft dit niet een betrokkenheid van Jezus bij het scheppen. Trouwens, het gaat hier niet om het ontstaan van de hele schepping, maar alleen om het maken van mensen. Dit woord betekent: zinnebeeldige, symbolische voorstelling. Een voorbeeld ervan uit ons eigen taalgebruik is ‘vrouwe Justitia’. Hiermee duiden we de rechterlijke macht aan. In de Bijbel komt ook veel beeldspraak voor.

  • In verband met ons onderwerp wijzen we op Spreuken 8, een lofzang op de wijsheid. Deze ‘wijsheid’ wordt door veel kerken als een persoon beschreven, om de pre-existentie van Jezus Christus maar te bewijzen.
  • In hoofdstuk 9 wordt over de dwaasheid gesproken en ook als persoon voorgesteld: vrouwe Dwaasheid (vers 13). Beide worden zij vrouwen genoemd. Aangezien Spreuken 9:22,23 spreekt over ‘van eeuwigheid aan ben ik geformeerd’ en Jezus de wijsheid van God genoemd wordt, meent de Pre-existentieleer hier een bewijs gevonden te hebben dat de mens Jezus van eeuwigheid al bestond.

Wie echter de beeldspraak verstaat, zal zich door dergelijke, ongeestelijke theologische verhandelingen niet op het verkeerde been laten zetten.

Wanneer ontstaan?

Gelukkig is de Bijbel duidelijk in haar informatie over ‘wanneer’ de Heer is ontstaan. Psalm 22:11 zegt: ‘Aan U werd ik overgegeven bij mijn geboorte, van de moederschoot af bent U mijn God.’ Toen pas, dus niet eerder! Als de profeet Jesaja zijn tweede profetie over de knecht van de Heer uitspreekt, zegt hij: ‘De Heer heeft mij geroepen van moeders lijf aan, vanaf de schoot van mijn moeder heeft Hij mijn naam vermeld. De Heer die mij van de moederschoot aan vormde tot zijn knecht’ (Jes.49:1b,5a). Weer begint Jezus’ bestaan bij de moederschoot. In het Nieuwe Testament wordt driemaal Psalm 2:7 geciteerd: ‘Mijn Zoon bent U, Ik heb u heden verwekt’ (ook Hand.13:33, 1:5, Hebr.5:5). En ‘heden’ is niet van eeuwigheid. Ook in Micha 5:1 wordt niet geduid op een van eeuwigheid af bestaan van Jezus. De juiste Bijbeltekst om te weten wanneer onze Heer als wezen ontstond is Lucas 1:26-38. In de kerstnacht vond dit zijn voltooiing (Lucas 2:6,7). Als men de Bijbel leest zonder verlichting van Gods Geest en zonder de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen, is men aangewezen op wat de ‘letter’ zegt.

In dit verband wijzen we op de uitdrukking die in de Bijbel gebruikt wordt om aan te duiden dat Jezus, waarin de Christus en het Lam verenigd zijn, door Gód is bedacht, gewild, gerealiseerd en bevestigd. De verwoording hiervan is: ‘van de hemel neergedaald, gezonden, van God uitgegaan.’ Als men deze drie termen naar de letter leest, volgt als verklaring dat Jezus door God uit de hemel ‘verzonden’ zou zijn. Dan is dus de conclusie: Gods Zoon was dus al aanwezig in de hemel vóór zijn komst op aarde. Zijn Pre-existentie acht men hier dan mee bewezen. Het ‘Ik ben van de hemel neergedaald’ (Joh.3:13, 6:38) is echter geen verslag van een ruimtevaart. Allereerst is de hemel de geestelijke wereld en niet het heelal. Je kunt niet vanuit de hemel neerdalen op aarde. Dit kan alleen vanuit de lucht of het heelal, de stoffelijke wereld, zoals bv. een Space Shuttle doet. Ten tweede kan een volwassen geestelijk wezen zich nooit meer terug ontwikkelen tot een embryo in een baarmoeder.

Géén reïncarnatie van Jezus

Als Jezus de tweede persoon van de eeuwige godheid zou zijn en ook bij de Vader van eeuwigheid af aanwezig was, is het een onmogelijkheid dat Hij Zichzelf verliest en tot een zaadcel wordt gereduceerd. Men haalt bij deze redenering graag Filippenzen 2:6,7 aan. Van deze dwaling uitgaande, neemt men ook nog een aspect van de reïncarnatie mee door te beweren dat Jezus zich zijn hemelse heerlijkheid op aarde herinnerde. Dit naar aanleiding van teksten als Johannes 17:5.

Bij de maagdelijke bevruchting van Maria begon het reële bestaan van de mens Jezus Christus, de Zoon van God. Vóór die tijd was Hij als gedachte in God en sprak God in zijn Woord over Hem. Door openbaring ontdekte de opgroeiende Jezus daarin meer en meer zijn specifieke positie en opdrachten. Door volledige gehoorzaamheid ging Hij daarop in. Al doende ontwikkelde Hij een gedachtewereld waardoor Hij zich bewust werd van de heerlijkheid die de Vader voor Hem had bereid. Daar getuigde Hij van en leefde Hij uit.

Beeldspraak

Het is vooral de Heer zelf geweest die de onzienlijke werkelijkheden van het Koninkrijk van de hemelen met allerlei beeldspraak en gelijkenissen probeerde verduidelijken. Alleen de volwassen geestelijke mens kan rechtstreeks over die dingen denken en praten. Het is van groot belang om beeldspraak niet naar de letter uit te leggen, maar naar de geest. Zo gaan we ook om met het laatste Bijbelboek. Dit moet consequent gehanteerd worden voor alle vormen van beeldspraak, ook als het slechts om één woord of term gaat.

Zo wordt er bij voorbeeld de veel voorkomende fout gemaakt dat m.b.t. de geestelijke wereld en werkelijkheden gedacht wordt in aardse begrippen van plaats en tijd. Alsof de hemel toch een verlengstuk van de aarde is, of opgebouwd is en functioneert als de zienlijke wereld. Bij het vasthouden van zo’n denk- en spreekwijze vervalt men iedere keer weer in een voorstelling van zaken over de onzienlijke wereld zoals die van toepassing is op aarde. Dit is onjuist en gevaarlijk. Daarom doet men er beter aan om te leren spreken in termen als: situatie, positie, functie, hoedanigheid, e.d. In Johannes 8:23 zegt Jezus:

  • ‘U bent van beneden, Ik ben van boven; U bent van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld.’

Johannes de Doper was de eerste die daar al iets van begrepen had. Hij getuigde van de Heer dat ‘Die van boven komt, boven allen is’. De beeldspraak ‘van boven en van beneden zijn’ bedoelt duidelijk te maken dat in de huidige situatie van de schepping in de mensheid twee vormen van bestaan en leven (existeren) voorkomen.

Er zijn mensen die door Jezus Christus in God zijn en leven als Christus door het deel hebben aan de goddelijke natuur. Anderen staan nog buiten de Christus en hebben een leefwijze van deze onbekeerde wereld die in het kwaad ligt (1 Joh.5:19). Van beneden of van de aarde zijn, is beeldspraak voor de in slavernij levende mens. De loop van de wereld is immers overeenkomstig de overste van de macht in de lucht, satan. Uit zulke mensen komt voor Gods plan en Koninkrijk niets goeds voort. Dezen kunnen wat van boven is niet vatten, ook de gelovige jood niet. De geestelijke mens van God (van boven) is meerder in positie, mogelijkheden en statuur dan de natuurlijke, ongeestelijke mens (van beneden). De hemelse mens openbaart in deze wereld door zijn wandel in de Geest, het wezen van God. Hij leeft vanuit zijn (onzienlijke) relatie met Hem en wandelt in de hemelse gewesten:

  • ‘En niemand is opgevaren in de hemel, dan Die uit de hemel neergekomen IS, namelijk de Zoon Mensenzoon, die in de hemel IS’ (Joh.3:13 St. Vert.).

Vanuit die geestelijke situatie wordt zijn functioneren op aarde bepaald. Alles wat Jezus wist, ontving, bezat, kon en moest vervullen, was Hem door de Vader geopenbaard en geleerd. Het kwam ‘uit de hemel’, vanuit de onzienlijke wereld. Al die heerlijkheid was echter niet alleen voor Hemzelf, maar ook voor allen die Hem geloofden en volgden. Zowel zijn leer en voorbeeld als zijn verzoenend werk is voedsel voor de gevallen mens om weer tot leven te komen. Het is levensbrood, brood dat uit de hemel neergedaald is.

De Joden, die dit niet begrepen en in termen van Pre-existentie gingen denken, reageerden met: ‘Z’n vader en moeder kennen we, hoe kan Hij dan zeggen dat-ie uit de hemel neergedaald is? Jezus’ antwoord luidde: ‘Mopper niet onder elkaar’. En hoewel Hij in beeldspraak blijft spreken, wijst Hij hen meteen naar de uiteindelijke bedoeling van zijn woorden: ‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven’ (Joh.6:54). Wie dus op zijn evangelie inging, zou daardoor het leven van de Christus in zich kunnen ontwikkelen en tenslotte mogen openbaren. Deze wonderbare genade en mogelijkheid heeft Hij van de Vader gehoord en aan ons doorgegeven: van de hemel neergedaald. Alles immers wat van en uit God komt is ‘hoger’ dan wat mensen bedenken:

  • ‘Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten’ (Jes.55:8,9).

Het geestelijke, goddelijke en eeuwige is van een hogere orde dan het stoffelijke, natuurlijke en tijdelijke. Als God het in zijn grote liefde de mensen openbaart en aanbiedt, daalt het als het ware van boven neer, vanuit de hemel, op aarde. Binnen de beeldspraak van ‘boven en beneden, hoger en lager’, passen woorden als: neerdalen, opvaren, komen van, gaan tot. Als men echter het beeld en niet de betekenis ervan, voor werkelijkheid houdt, dan vervalt men in de meest dwaze voorstellingen en dogma’s.

Diverse keren zegt Jezus over zichzelf dat Hij van God is uitgegaan (Joh.8:42, Joh.17:8). Hieronder wordt verstaan dat Hij door God is bedacht, verwekt, aangesteld en geleid. God zelf immers ontwierp als Schepper het christusconcept en later het Lam. Dit alles had zijn plaats in de Logos (Joh.1:1). Door er over te spreken bracht Hij in het Woord dit geheim naar buiten. Door zijn Geest realiseerde Hij het, te beginnen bij de bevruchting van Maria. Zo ging in vervulling wat de profeet zei:

  • ‘Zo zal mijn woord dat uit mijn mond uitgaat zijn; het zal niet leeg tot Mij terugkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend’ (Jes.55:11).

In de Woorden van God aanwezig zijnde (via de engel Gabriel) als gedachte en wil m.b.t. de creatie van een eigen Zoon, ging Jezus van de Vader uit. In figuurlijke zin gesproken daalde Hij op die manier neer. Dus niet een weggaan uit de omgeving van God naar de aarde als een al in de hemel bestaand wezen. De uitspraak van Paulus in Efeze 4:9: ‘Hij is ook neergedaald naar de lagere, aardse gewesten,’ heeft met het bovenstaande niets te maken. Met de lagere, aardse gewesten wordt het dodenrijk bedoeld, waar de Heer tussen zijn sterven en opstanding verbleef. De Canisius vertaling heeft hier staan: ‘de onderste delen van de aarde.’ In Ezechiël 26:20 en 31:14 (St. Vert.) vinden wij ook dergelijke beschrijvingen.