
In Jesaja 14 staat een beschrijving van de ondergang van Babel met zijn koning, nadat de Meden en Perzen de stad hadden ingenomen.
Belsazar: ‘MENE, MENE, TEKEL, UFARSIN’

Daniël 5:30 vertelt in het kort deze plotselinge en onverwachte val met de woorden: ‘In dezelfde nacht werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood’. Zijn sterven had indirect tot gevolg dat het verdrukte volk van God onder Ezra en Nehemia tijdens de regering van Kores terugkeerde, om stad en tempel te herbouwen. Bij het lezen van dit hoofdstuk valt direct op dat het verslag over de dood van de koning van Babel en over zijn aankomst in het dodenrijk, ver uitgaat boven het historische gebeuren. De profetische vervulling ervan heeft betrekking op de overwinning van de gemeente van Jezus Christus op het rijk van de duisternis. Ook Jesaja profeteerde over de voor ons bestemde genade en ook hij probeerde vast te stellen:
- ‘Aan hen werd geopenbaard op welke tijd en op welke omstandigheden Christus’ Geest, die in hen werkzaam was, doelde toen deze hun zei dat Christus zou lijden en daarna in Gods heerlijkheid zou delen’ (1 Petr.1:10-12).
Niet alleen de profeten, maar ook de engelen wilden in deze geheimen ingewijd worden. Deze geestelijke wezens waren toch vaak Gods boodschappers geweest, die de gedachten van God aan de profeten hadden doorgegeven.
- ‘Want de Heer zal Zich over Jakob ontfermen en Hij zal Israël (het oudtestamentische volk in die dagen) nog verkiezen. Hij zal hen neerzetten op hun eigen grond. De vreemdeling zal zich bij hen aansluiten en zich bij het huis van Jakob voegen. De volken zullen hen nemen en naar hun woonplaats brengen. Het huis van Israël zal hen in erfelijk bezit nemen als slaven en slavinnen in het land van de Heer. Zo zullen zij gevangen houden wie hen gevangen hielden en heersen over hun onderdrukkers. Dan, op die dag zal de Heer een eind maken aan uw pijn, uw onrust en het harde werken als slaaf’ (Jes.14:1-3).
Jesaja profeteert dat het volk van God na lange tijd van ballingschap weer ‘naar zijn eigen land’ wordt gebracht en ‘op zijn eigen grond’ gaat wonen, namelijk ‘op de grond van de Heer’. God heeft de mens niet gemaakt om alleen een schepsel van deze aarde te zijn, maar heeft hem als geestelijk wezen een plaats toegedacht in de hemelse gewesten. Na de langdurige geestelijke ballingschap in de ontrouwe kerk, het geestelijke Babylon, zullen de zonen van God deze wereld gelijkvormige stad verlaten en bewust gaan wonen in de hemelse gewesten. Zij komen dan ‘op de grond van de Heer’, zoals Jezus eenmaal zei: ‘Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn’ (Joh.17:24). In de hemel is dan hun burgerschap, hun wandel, hun strijd en hun overwinning. Het gevolg hiervan is dat zij dan hun gevangenbewaarders vangen en hun verdrukkers verdrukken. Dan wordt volkomen door hen vervuld, dat zij op slangen en schorpioenen trappen en dat het hele leger van de vijand aan hun onderworpen is (Marc.16:17; Lucas 10:17-20).
Het 1.000 jarige rijk

- ‘Nu komt heel de aarde tot rust en stilte. Men breekt uit in gejuich. Zelfs de cipressen verblijden zich over u. De ceders van de Libanon zeggen: Sinds u daar geveld ligt, klimt niemand omhoog om ons om te hakken’ (Jes.14:7,8).
Hier beschrijft de profeet nu in korte zinnen het 1.000 jarig vrederijk. De hele aarde heeft vrede en rust. De verleiders en onderdrukkers zijn in de afgrond of in het dodenrijk geworpen, zoals het slot van Openbaring 19 en het begin van hoofdstuk 20 beschrijven. De demonen die zich nog schuilhouden in mensen, kunnen zich niet openbaren zonder onmiddellijk geoordeeld te worden. Is het een wonder dat er een gejuich op aarde gehoord wordt en dat de levende schepping blij is, omdat er geen geweld meer voorkomt?:
- ‘Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil op heel mijn heilige berg. Want kennis van de Heer vervult de aarde, zoals het water de bodem van de zee bedekt’ (Jes.11:9).
Ook de satan in het dodenrijk geworpen

Over de val van de troonengel (verzegelaar van de som) Lucifer, wordt verder geschreven:
- ‘Het dodenrijk beneden is in rep en roer om jou een ontvangst te bereiden: het wekt de schimmen voor je op van alle leiders van de aarde, het laat de vorsten van vreemde volken voor jou opstaan van hun troon. Hoor hoe zij je onthalen: ‘Nu ben jij even zwak als wij, je bent echt een van ons. Je pracht en praal, en de klank van je harpen, ze worden dit dodenrijk binnengebracht. Wormen zijn je bed, maden je deken’ (Jes.14:9-11).
Deze verzen geven zicht op de beroering die in de sjeool of het dodenrijk ontstaat, wanneer ook de overste van deze wereld eenmaal als een gebondene in deze geestenwereld belandt. In Openbaring 20:1,2 staat:
- ‘Ik zag een engel uit de hemel neerdalen met de sleutel van de onderaardse diepte en zware ketens in zijn hand. Hij greep de draak, de slang van weleer, die ook duivel of satan wordt genoemd en ketende hem voor duizend jaren’.
Dood hemzelf en zijn cipiers, de doodsengelen, hebben de satan als hun heer altijd moeten erkennen en dienen. Van de duivel wordt immers gezegd dat hij het geweld van de dood of de macht over de dood bezat (Hebr.2:14). Dood hemzelf en zijn cipiers van het dodenrijk (gevallen serafengelen) hebben ‘alle heersers van de aarde van hun tronen gehaald; alle vorsten van de volken’. Zo heeft het een einde gemaakt aan hun macht. In het schimmenrijk verlaten deze vroegere machthebbers opnieuw hun ‘zetels’.
Wanneer alle demonen hun satan zien neerdalen, zijn zij heel verbaasd en worden ze zelfs nerveus en zenuwachtig. Geschokt en in grote beroering zeggen deze massamoordenaars tot hem: ‘Ook jij bent gebroken en geworden als wij’. Zij merken op hoe zijn macht en zijn kracht zijn vergaan en hoe deze trotse tiran nu als een gebondene in het dodenrijk ligt. Aan al zijn glorie en macht is nu een absoluut einde gekomen. Zoals een dood lichaam in het graf prijsgegeven is aan de ontbinding of aan de destructie en een prooi wordt van wormen en maden, zo is alle heerlijkheid van deze voormalige troonengel vergaan.
- ‘O morgenster, zoon van de dageraad, hoe diep ben je uit de hemel gevallen. Overwinnaar van alle volken, hoe smadelijk lig je daar geveld!’ (Jes.14:12).
Vol verbazing laten deze gevallen engelen nog eenmaal de loopbaan en de aspiraties van hun satan in hun gedachten voorbijgaan. Zo wordt hij getoond als Lucifer of als de morgenster, de zoon van de ochtend. Hij was immers het begin van de eerste schepping, de eerste ‘zoon van God’. De schimmen constateren dat hij uit de hemel is gevallen, op aarde is geworpen en daar is geveld.
Lucifer stond vóór de troon van God. Lucifer was van plan om zich te zetten of een plaats te ontvangen óp de troon; op de berg van de samenkomst, ver in het noorden. Maar hij werd verstoten (Ezech.28), want hij onderwierp zich niet en sloot zich niet aan bij de uitverkorene van God, de mens. Zo stelden later typen als Ismaël zich niet onder Izaäk, Ezau niet onder Jacob en daarmee verspeelden zij de zegen.
- ‘Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel, boven Gods sterren plaats ik mijn troon. Ik zit op de toppen van de Sion, de berg waar de zonen van God bijeenkomen. Ik stijg op tot bóven de wolken, ik evenaar de Allerhoogste. Nee! Je daalt af in het dodenrijk, in de allerdiepste put’ (Jes.14:13-15).
Als beeld van de troon van God, waar vanuit heerschappij wordt gevoerd, wordt hier genoemd: de berg van de samenkomst ver in het noorden. Wanneer de Heer op aarde een beeld geeft van de macht over zijn volk, dus van de theocratie, doet Hij dit in de tempel van Jeruzalem. Deze stad ligt op een heuvelcomplex en de Sion, de tempelberg, is de noordelijkste top van de oostelijke heuvelrug. Zo zegt Psalm 48:3: ‘Schone hoogte, blijdschap van heel de aarde, Sionsberg, flank op het noorden, zetel van de grote koning’. Zoals de tempel op de Sion het middelpunt was van het Godsbestuur over Israël, zo is de berg van de samenkomst ver in het noorden, in de onzienlijke wereld, het centrum van de Godsregering over al de werken van zijn handen.
De ‘loopbaan’ van Lucifer is dus als volgt: hij begon vóór de troon van God, daarna werd hij om zijn ongehoorzaamheid verstoten. Hij bracht ook de mens door ongehoorzaamheid ten val. Hij blijft de aanklager van de broers en in de onzienlijke wereld blijft hij hen verleiden en onderdrukken. Toch komt in de eindtijd de gemeente tot haar onberispelijkheid. Dan wordt de satan verbannen van de berg van de samenkomst. Hij is dan alleen nog verbonden met hen die van de aarde zijn. Tenslotte gaat de voorspelling in vervulling die eenmaal over Sebna uitgesproken werd:
- ‘Met een krachtige worp zal de Heer u wegwerpen, hoe geweldig u ook bent. Hij pakt u op, wikkelt u ineen tot een bal en werpt u naar een uitgestrekt land. Dáár zult u sterven, daarheen zullen uw praalwagens gaan. U bent een schande voor het huis van uw meester!’ (Jes.22:17,18).
Een Googol getal als voorzichtige illustratie van de eeuwige vuurpoel voor satan, zijn demonen en mensen die hen aanbaden

In de eindtijd zal de satan ‘met een grote, zware ketting’ gebonden worden en in het dodenrijk belanden. Na het duizendjarige rijk wordt hij nog een korte tijd losgelaten. Hij keert dan naar de aarde terug voor zijn laatste poging de mensheid te vermoorden (Gog en Magog). Daar is ook het einde van de satan:
- ‘En de duivel, die hen misleidde, werd in de vuurpoel van zwavel geworpen, waar ook het beest (Apollyon uit de afgrond) en de valse profeet (dé antichrist) al zijn. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheden’ (Op.20:10).
Dit is het definitieve einde van de satan, zijn demonen en alle mensen die hen op aarde aanbaden. Zij blijven daar voor eeuwig (een Googol maal Googol getal als kleine illustratie). Een afschuw voor alles wat voor God leeft.
- Deze ramp heeft de satan zélf vanaf het begin veroorzaakt. God de Vader, Jezus Christus en zijn gemeenten kunnen immers geen vuurpoel scheppen in eeuwigheid!