1. De ondergang en val van Lucifer (Ezechiël 28:11-16)

<<<<<

Ezechiël beschrijft in hoofdstuk 28 de ondergang van de machtige en wijze koning van Tyrus. Deze beschrijving is een illustratie van de val van Lucifer in de hemelse gewesten. In vers 13 staat:

  • ‘U woonde in Eden, de tuin van God. U was helemaal bedekt met allerlei edelstenen: sardis, topaas, diamant, turkoois, sardonyx, jaspis, saffier, robijn, smaragd. Al die stenen waren met gouden zettingen op u vastgezet. Op de dag dat u gemaakt werd, werden ze voor u gemaakt’.

De aardse hof van Eden was een beeld van de hemelse werkelijkheid, dus van het paradijs van God, waarover het Nieuwe Testament spreekt (Luc.23:43, 2 Cor.12:4 en Openb.2:7). De tuin waarin Adam leefde en werkte, was een maquette van het hemels paradijs, dat God bezig was aan te leggen. Dit paradijs beeldde ’het midden van de hemel’ uit, waar de ’troon’ van de Almachtige staat. In dit centrum van Gods macht komt later de gemeente. Openbaring 12:1 toont ons daar de vrouw, die met de zon bekleed is.

In onze tekst is in het hemelse Eden een troonengel, die afgeschaduwd wordt door de koning van Tyrus. De Vulgata, de Latijnse bijbel, spreekt over Lucifer, dat is lichtdrager (Jes.14:12). De kostbare stenen op zijn gewaad zijn beeld van de schitterende geestelijke gaven waarmee hij uitgerust is. Hij staat hier immers nog over de huishouding van God in de onzienlijke wereld. Hij is ‘volmaakt van gestalte, vol van wijsheid, volkomen schoon’ (vers 12). Wij merken daarbij op dat er in de wereld van de geesten geen groei of ontwikkeling is. Deze mogelijkheden horen bij het aardse en natuurlijke leven. Engelen zijn niet geschapen als baby’s, zij kennen geen jeugd of mannelijke rijpheid, maar zij werden ’volmaakt’ geschapen.

  • ‘Ik had u een taak gegeven: u was een cherub met uitgespreide vleugels. Ik had u een plaats gegeven op mijn heilige godenberg, wandelend tussen vlammende stenen’ (vers 14).

Een beschuttende cherub is een bewaker die optreedt tegen iets dat verkeerd is, tegen iets dat buiten de orde van God is en dat onrechtmatig deel wil nemen aan het leven van God. Lucifer was dus het hoofd en bestuurder van het hele hemelse Koninkrijk. Zijn uitgespreide vleugels wijzen op de intense vrijheid die hij had bij het uitvoeren van zijn taak. De plaats van satan vóór zijn val zouden wij kunnen vergelijken met die van Jozef als onderkoning in Egypte. Deze was immers de eerste onder de nog goede Farao’s, die van hem zei:

  • ’Zouden wij iemand kunnen vinden als deze, een man, in wie de Geest van God is? En Farao zei tot Jozef: Aangezien God u dit alles bekend gemaakt heeft, is er niemand zo verstandig en wijs als u. U zult over mijn huis zijn en op uw bevel zal mijn hele volk zich voeden; alleen door de troon zal ik boven u staan’ (Gen.41:38-40).

In de naam Lucifer of morgenster zit de glans van de overwinning en van een nieuwe dag. Zeker, deze grote aartsengel was ooit de rechterhand van God, die door hem heen Zijn gedachten in de hemelse gewesten wilde realiseren. De hele organisatie van de hemelse huishouding met haar ontelbare engelen rustte op zijn schouders, of uitgedrukt in de beeldspraak die hier gebruikt wordt: ‘hij wandelde op de heilige godenberg tussen vlammende stenen’. Hij was degene die bij het ontvouwen en realiseren van de plannen van God deze het eerst onderkende en doorzag. Zelfs wanneer de Almachtige een zichtbare schepping gaat creëren, was hij blij met de enorme kracht en vindingrijkheid van de Schepper.

En God zag dat het goed was

Wanneer God de aarde tot leven roept met het licht (het uitspansel en de sterrenhemel), is er volmaakte blijdschap bij de hemelingen. Ook wanneer de woorden van God en zijn Geest de stof gaan verbinden met het onzienlijke leven en wanneer er groei en ontwikkeling gezien wordt in plant en dier, juichten de ’morgensterren’ samen en jubelden al de zonen van God (Job 38:7). Van deze allerhoogste engel, de zaakwaarnemer van God, wordt in vers 15a gezegd:

  • ‘Vanaf de dag dat Ik u maakte, leefde u zoals Ik het wil. U was volmaakt’.

Hij was het prachtigste en het bijzonderste wezen dat God tot die tijd geschapen had. Hij was superintelligent en zonder enige afwijking. Maar helaas staat er in datzelfde vers ook:

  • ’totdat er onrecht in u werd gevonden’ (vers 15b).

Dit was het ogenblik waarin God zei: ‘Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis’. God schiep een menselijk lichaam met een geest die bij Hem paste en van zijn niveau was, een toekomstige partner van wie gezegd zou worden: ’U hebt hem bijna goddelijk gemaakt’ (Ps.8:6). Het was de bedoeling van de Schepper dat de mens zich zou ontwikkelen van een natuurlijk wezen tot een geestelijk en toch ook zijn stoffelijk lichaam kon gebruiken. Dan zou Hij hem aan kunnen stellen over al het geschapene, zowel in de onzichtbare als in de zichtbare wereld.

Lucifer kon het plan van God pas doorzien, als het gerealiseerd was. De levende schepping had tot nu toe wel geest, maar was toch niet in staat om in de geestelijke wereld te functioneren. Haar geest was verbonden met de aarde: de adem of levensgeest van de dieren daalt immers bij het sterven naar beneden in de aarde (Pred.3:21). Ook Adam had nog weinig kennis van de hemelse gewesten. Hij wandelde op dit terrein als een kind aan de hand van zijn vader. Hij had echter een scherp inzicht in het leven van de natuurlijke schepping waarover hij door God als koning was aangesteld. Hij wist de dieren op passende wijze namen te geven.

Het geestelijke groeiproces van de mens moet bij Lucifer ergens argwaan gewekt hebben. Waar zou het (gelet de woorden van God) over ‘beeld en gelijkenis’ uiteindelijk op uitdraaien? De geestelijke wereld kende immers geen ontwikkeling tot nu toe. Maar zoals in de natuurlijke wereld de rups tot vlinder wordt, zo onderging de natuurlijke mens in de geestelijke wereld een metamorfose die hem tot een geestelijk mens zou maken, tot deelgenoot van een hemelse roeping (Hebr.3:1).

De troonengel die begreep wat Gods bedoeling was en wist dat zijn hoge positie in gevaar kwam. Ongetwijfeld had hij gedacht om hoofd te blijven in de onzienlijke wereld en zo met God te regeren. De engelen wisten vanaf hun ontstaan wel dat zij slechts dienende geesten waren, maar deze kennis was vóór de schepping van de mens. Zij beperkte zich alleen tot het dienen van God. Met de komst van geestelijke mensen zou er een geslacht van ’koningen’ verschijnen in de geestelijke wereld, aan wie tenslotte ook het hele engelenleger onderworpen zou zijn. Dit plan van God strookte niet met de verwachtingen van Lucifer en hij probeerde het met geweld te doorkruisen.

  • ‘Doordat u zo rijk werd, kreeg het kwaad u in zijn macht. U leefde niet langer zoals Ik het wil en ging zondigen (vers 16a).

De komst van de mens was voor de ’morgenster’ een actueel probleem. Nu moest blijken of hij God gehoorzaam was in alles. Met alle engelen moest hij deze proef doorstaan, maar hij maakte met vele andere hemelwezens de verkeerde keus. Zijn verlangen om de spil te blijven, zowel in de onzienlijke als in de zienlijke wereld, overheerste. Van dit ogenblik af beschouwde hij de mens niet meer als zijn meerdere en als erfgenaam van alle dingen, maar als zijn gevaarlijke concurrent. Toen werd hij de ’satan’ of de tegenstander van God. Hij werd ’de mensenmoordenaar van het begin die niet in de waarheid staat’, dus niet in het plan van God, om zijn heerlijkheid en macht met de mens te delen.

De trouwe engel Michael

 

Een van de voornaamste vorsten in de hemelse gewesten die wél in de waarheid bleef staan, was de aartsengel Michaël van wie in Daniël 12:1 gezegd wordt: ‘Michaël, de grote vorst die de zonen van uw volk bij staat’. Deze voert ook tijdens de grote verdrukking de hemelse legers aan om de zonen van God te ondersteunen bij het behalen van de overwinning over het duivelse leger (Openb.12:7-10).

  • ‘Daarom stuurde Ik u weg van mijn heilige berg. U, beschermende engel, mocht niet langer tussen de vurige stenen komen’ (vers 16b).

De ‘heilige berg’ is een beeld van Gods Geest. De satan werd hiervan absoluut gescheiden en er ontstond zo een rijk in de hemelse gewesten dat los was van God; het koninkrijk van satan (Matth.12:26). Ook van zijn rijk ging macht uit ’in het midden van de hemel’. Satan vormde het centrum van het rijk van de duisternis, de kern van het verzet tegen Gods plan en van een vijandschap ten dode ten opzichte van de mens (Openb.19:17). De vijandschap in de hemelse gewesten was ontbrand. Het ging om de hegemonie naast God in de hemel en op de aarde. God maakte ook een onoverbrugbare kloof tussen zijn trouw gebleven dienaren, de vlammende stenen en de ontrouwe engelen, want dezen werden voor eeuwig verstoten, ver van het aangezicht van God.

De gevallen troonengel Lucifer. Uit de hemel op de aarde geworpen

Toen Adam verleid werd en viel, was het in zoverre een overwinning van de satan dat de mens zijn koningschap over de aarde verloor en deze tot bezet gebied werd van het rijk van de duisternis. De duivel probeerde (en probeert nog steeds) de mens steeds meer aan zich te onderwerpen en hem tot slaaf te maken. Hierdoor zou de mens zich niet ontwikkelen tot een mens van God tot alle goede werken volmaakt toegerust voor zijn eeuwige roeping, maar hij zou als gevangene worden afgevoerd naar het dodenrijk. God had echter vijandschap gezet tussen het zaad van de vrouw en dat van de slang. Er bleef in het menselijke leven een haard van verzet tegen de demonisering van zijn wezen.

Uit het zaad van de vrouw heeft God tenslotte Jezus Christus verwekt als eersteling van een nieuwe schepping, om de mens te verlossen uit de overweldiging van de satan en hem over te zetten in zijn Koninkrijk. Volgens Gods plan worden door Jezus Christus veel zonen tot de heerlijkheid van de hemelse troon gebracht, dit wil zeggen: zij zullen heersen, zowel in de onzichtbare als in de zichtbare wereld, waartoe hij immers vanaf het begin bestemd was.

>>>>>