Een afvallige priester

Bekering van een Roomse priester

Een afvallige priester. Zo noemen mijn vroegere geloofsgenoten mij nu. Gelijk hebben ze tot op zekere hoogte. Ik ben afgevallen van de Rooms Katholieke kerk, zoals Paulus eens ‘afviel’ van het Jodendom. Men zou ook kunnen zeggen dat het geloof van Paulus als Jood compleet werd toen hij zich bekeerde tot Christus. Zo lijkt het mij juister om mijn verlaten van de Rooms Katholieke kerk een zuivering van mijn christelijk geloof te noemen. Zoals Paulus door de ene groep een afvallige werd genoemd en tegelijkertijd voor de andere groep een bekeerling heette, zo is dat ook met mij het geval.

Het maakt mij blij om hier te schrijven de grote dingen die de Heer met mij gedaan heeft. Maar dat is geen gemakkelijke taak! Ook Rooms Katholieken zullen dit lezen. Ik wil hen niet kwetsen. ‘De liefde kwetst niemands gevoel’ (1 Cor.13:5). Ik wil niemand aanvallen en niemand iets verwijten. Ik wil alleen maar een getuigenis geven van de weg waarlangs de Heer mij geleid heeft en van de manier waarop ik Hem mocht vinden. Ik wil vertellen wat ik ontdekt heb en hoe rijk en gelukkig ik ben geworden door deze ontdekking. Want het geluk dat ik zelf heb gevonden, gun ik iedereen. Het is ook voor iedereen! Dáárom vertel ik er over, in de hoop dat ik iemand hongerig of dorstig kan maken. Dan zal de Heer hem of haar wel verder leiden, net zoals Hij dat met mij gedaan heeft.

De Achelse Kluis

Tien jaar lang was ik Trappist in de Belgische Abdij ‘De Achelse kluis’ en daarna werkte ik nog ruim een jaar als kapelaan in het Bisdom Haarlem. Toen werd voor het éérst een aanval gedaan op mijn Rooms Katholieke overtuiging, met als gevolg dat ik onmiddellijk met een nieuwe overtuiging de kerk verliet. De kerk die zich de alleenzaligmakende noemt. Gods wegen zijn wonderbaar! Hoe is het mogelijk dat iemand die tien jaar doorgebracht heeft in een strikt contemplatief (beschouwend) klooster, die vijf jaar theologie gestudeerd heeft en dus geheel doordrongen was van de Rooms Katholieke leer, dat zo iemand bij de allereerste aanval op zijn geloof direct capituleert? Zoiets is alleen mogelijk door de leiding van Hem die harten en nieren doorgrondt en die een Hoorder is van het gebed. Jarenlang had ik Hem oprecht gezocht met inspanning van alle krachten. Maar dat laatste was juist het verkeerde ervan. Ik meende zélf een heleboel te moeten doen, maar God heeft zich niet laten vinden. Tot ik het opgegeven had, Hem niet meer zocht, ik mij praktisch van Hem afkeerde. Toen zocht Hij mij! Sinds ik het woord van Jezus ben gaan geloven: ‘Het is volbracht’ (Joh.19:30) en besefte dat ik daar niets meer aan toe hoefde te voegen, heb ik Hem mogen vinden. 

Tien jaar Trappist

Ik kwam uit een gezin met tien kinderen en werd zeer godsdienstig opgevoed. De geestelijke vorming van mijn vader (als Novice van een missionerende orde) heeft een stempel gedrukt op mijn opvoeding. Op twintigjarige leeftijd ging ik uit eigen vrije keuze naar de allerstrengste kloosterorde die er in Nederland en België is: de Cisterciënzerorde, beter bekend onder de naam van Trappisten. Het meest opvallende van deze orde is haar voortdurende stilzwijgen. Deze monniken hebben de regel van Sint Benedictus, die het strenge kluizenaarsleven van de woestijnvaders in groepsverband heeft willen voortzetten. Men kan over dit soort leven heel mooi schrijven. Doel en opzet zijn dan ook prachtig en heerlijk: men wil als Maria van Bethanië aan de voeten van de Meester blijven en zoeken wat hierboven is. Men wil een onafgebroken gebedsleven leiden, waartoe alle afleiding die de wereld biedt, vermeden wordt. Deze levenswijze van deze monniken krijgt pas zin, als men het hoofddoel in de gaten houdt.

Want het stilzwijgen, de soberheid, het vasten, de volkomen afscheiding van de wereld, de strenge regelmaat, de volledige afhankelijkheid in alles, de urenlange gebedsoefeningen, het gemis aan comfort, het continu werken enz., enz., moet dienen om alle zielenkrachten vrij en geconcentreerd te houden op dat enig nodige dat Maria van Bethanië zocht en waarvoor zij door de Heer werd geprezen. Ook ik wilde een man van het gebed worden. Ik wilde mij helemaal inzetten voor het geestelijke leven, voor het onafgebroken verkeer met God. Het verlangen daarnaar deed me besluiten Trappist te worden.

Tien jaar ben ik Trappist geweest. Vol idealisme ben ik er in getreden. Ja, dat strenge leven was mij zelfs niet streng genoeg. Met goedkeuring van mijn novicemeester deed ik er graag nog een schepje bovenop. Want ik wilde de ‘oude mens’ eronder krijgen. Ik wilde absolute macht krijgen over al mijn zintuigen. Zo heb ik wanhopig geprobeerd mijn ogen te beheersen, noodzakelijk voor een ‘gezond’ gebedsleven. Maar helaas, er waren geen mensen in de buurt die mij op Romeinen 7 wezen. Dan hadden ze me verteld dat eigen pogingen niet helpen. Je moet het van de Heer verwachten en van het werk van Gods Geest. Dat is de tragiek van het leven van monniken en monialen: ze jagen een utopie na. Ze brengen ‘offers’, maar die bereiken hun doel niet. Al die jaren was dat niet tot me doorgedrongen. Totdat het voor mij werd

  • dat al mijn gerechtigheid in Christus is,
  • dat ik in Christus wijs, rechtvaardig, heilig en verlost ben (1 Cor.1:30),
  • dat ik in Christus vrijgemaakt hen van de wet van de zonde (Rom.8:2),
  • dat ik roemen kan in God (Rom.15:17)
  • en zal overwinnen (2 Cor.2:14).

In Christus heb ik alles wat ik zou willen hebben en in Christus ben ik alles wat ik zou willen zijn!

Ik geef de strijd op

Ondanks mijn pogingen moest ik na zes à zeven jaar Trappistenleven ontdekken dat ik nog steeds een puur natuurlijk leven leidde en dat ik allesbehalve een man van het gebed was. Ik was uitgegroeid tot een neuroticus die zijn gevoelsleven geweld had aangedaan, een geschonden persoonlijkheid. De kloof tussen mijn ‘natuurlijk’ en mijn ‘bovennatuurlijk’ leven werd steeds groter. De spanningen werden steeds ondraaglijker, zowel innerlijk als ten opzichte van mijn omgeving. In die tijd schreef ik dit alles echter toe aan mijn al te actieve natuur. Zodoende kwam ik tot de conclusie dat ik in het kloosterleven niet thuis hoorde. Pas later ben ik gaan beseffen, waarom ik daar niet slagen kon en waarom ik tevergeefs heb opgezien tegen hen die het gestelde doel wél bereikten. Ik heb God werkelijk gezocht in het klooster. Talrijk, zeer talrijk zijn de bewijzen waarmee ik kan aantonen, dat ik in het klooster God werkelijk gezocht heb.

Twee jaar heb ik moeten wachten voor ik verlof kreeg om over te gaan naar de wereldgeestelijkheid. Het waren twee verschrikkelijke jaren, waarin ik moreel gedwongen was het strenge Trappistenleven te leiden, terwijl ik het geloof in dat ideaal al kwijt was. Het waren twee jaren van ondraaglijke spanningen en problemen. Ik was Pater-metselaar, net als alle andere Trappisten werkte ik met mijn handen om de kost te verdienen. Een grote bouwschuld was voor mij een welkom excuus om talrijke dispensaties te krijgen, zodat ik kon vluchten in mijn werk. Ik dwong mezelf tot hard, heel hard werken om de gemeenschappelijke oefeningen (en de problemen!) te ontlopen. Tot voor mij de dag van de ‘bevrijding’ kwam en de Abt me verlof gaf heen te gaan.

Kapelaan

Ondanks de meest pessimistische verwachtingen werd ik onmiddellijk aangenomen in het Bisdom Haarlem. Ik werd assistent in de parochiekerk, waar ik mijn jeugd had doorgebracht. Maar daarmee brak voor mij opnieuw een zeer donker jaar aan. In een overspannen en overwerkte toestand had ik de Achelse Kluis verlaten. En nu moest ik de wrange vruchten plukken van de tien jaar waarin ik met de moed van de wanhoop gestreden had voor het bereiken van mijn ideaal. Want nu kwam de reactie: ik had niet de kracht om het hoofd te bieden aan de moeilijkheden van mijn nieuwe leven. Het kloosterideaal, hoe mooi ook, was voor mij een utopie gebleken. En de middelen die de Roomse kerk aanprijst tot bereiking van dat ideaal, hadden mij moe gemaakt. Zó moe, dat ik er een hartgrondige hekel aan had gekregen! Zwaar gedesillusioneerd en volkomen ontmoedigd had ik het klooster verlaten. Ik zocht God niet meer. Ik bad zelfs niet meer. Ik kon eenvoudig niet meer bidden! Alles was me een last geworden. Van Rooms-katholieke zijde zal men misschien zeggen dat ik ‘afgevallen’ ben, omdat ik toen niet meer bad. Maar de waarheid is dat ik niet meer bad omdat ik te consequent Rooms-katholiek was geweest. Omdat de Roomse leer en moraal mij op een dood spoor hadden geleid. Ik walgde ervan en dáárom wilde ik niet meer verder.

God zag mij!

Maar toen is God gekomen en heeft Zich over mij ontfermd. Ondanks het feit dat ik Hem niet meer zocht. Ondanks het feit dat ik niet meer bad. Wat de Rooms-katholieken dus ‘afval’ noemen, was voor mij mijn bekering! God zij daarvoor alle eer en glorie!

Mijn nieuwe leven begon dus vol problemen, maat toen ik kapelaan werd in een klein boerendorp, werd nog duidelijker dat ik ‘mislukt’ was als priester. Misschien juist omdat ik daar voor meer dingen verantwoordelijk was en meer vrijheden genoot dan in de vorige parochie. Uiteindelijk waren het eigenlijk alleen mijn kleren nog maar waardoor ik een Rooms-katholiek priester was. In mijn hart was ik het in vele opzichten niet meer. Ik was zo met aardse verlangens en begeerten vervuld, dat ik geen rust meer kende. Mijn innerlijke leegheid speelde mij parten. In veel dingen zocht ik mijzelf en daardoor kwam ik herhaaldelijk in conflict met mijn werk, dat ik verwaarloosde omdat ik er geen blijdschap meer in vond. Ik was in een volkomen dwangsituatie gekomen: Ik kon de spanningen niet meer verwerken en werd daardoor gedwongen een tijdlang volkomen rust te nemen. Maar buiten God is er geen ware rust! En het was juist in deze rustperiode dat de Heer mij gevonden heeft!

Smekend om Gods Geest

De tijd die ik toen ineens had, zorgde ervoor dat ik contact kreeg met iemand die mij naar God leidde. Ik was priester. Ik kende God met mijn verstand, maar toch had ik nooit ervaren hoe goed God is. Ondanks tien jaar beschouwend leven, was God in mijn leven eigenlijk nooit verder gekomen dan het voorportaal van mijn verstand. Alle eigen pogingen om daar verandering in aan te brengen hadden gefaald. Ik had wel vroom nagedacht over het lijden en sterven van onze Heer Jezus Christus. Vooral tijdens het bidden van de kruisweg, die ik in de kloostergangen ontelbare malen ben gegaan. Maar toch bleef Christus eigenlijk een vreemde voor mij, omdat ik Hem nooit had aangenomen als mijn persoonlijke Verlosser en Redder. Nooit was er in het klooster iemand geweest die mij de Bijbel op de juiste manier heeft uitgelegd. In de hieronder genoemde artikelen en series ga ik dieper op de verschillen tussen Rome en de Bijbel in.

Bijbehorende artikelen en series: