Maria van Bethanië en Judas van Iskariot

Gastmaal van Simon van Bethanië. Gebrandschilderd raam. ca. 1520 

Mattheus 26:6-14 en Johannes 12:1-8

Het is zes dagen voor het laatste Pascha. Simon, de melaatse heeft Jezus een maaltijd aangeboden. De leerlingen van de Heer zijn ook uitgenodigd. Hier in Bethanië zijn dus de allertrouwste volgelingen van Jezus van Nazareth bij elkaar. Ook zijn Lazarus, Martha en Maria erbij. Daarbuiten staat een grote groep Joden, die niet alleen gekomen zijn om Jezus te zien. Zij zijn vooral benieuwd naar Lazarus, die Hij uit de doden had opgewekt. Dit zou een unieke gelegenheid voor de apostelen kunnen zijn om over de grote daden van hun Heer te vertellen. Maar niets van dit alles. Zij zijn verontwaardigd en geïrriteerd. Dat zou men niet verwachten van hen.

Wat is er aan de hand?

De apostelen zijn verontwaardigd over het gedrag van Maria. De zus van Lazarus en Martha had enige tijd geleden een pond echte, onvervalste nardusolie gekocht tegen een prijs, waarvoor iemand in het oosten een heel jaar moest werken. Zij had deze zalf tijdens de maaltijd onverwacht over het hoofd en de voeten van de Meester uitgestort, zodat de geur van de olie zich door het hele huis verspreidde. Er ligt in dit gebaar zo’n overdaad, dat allen onwillekeurig naar Jezus kijken en Hem vragend aankijken. Wat een verkwisting en waarom? Judas, Simons zoon Iskariot, zegt: ‘Waarom heb je die balsem niet voor 300 schellingen verkocht en aan de armen gegeven?’ Maar Jezus geeft Maria gelijk.

Maria heeft al eerder bij Jezus gezeten. Toen had deze stille vrouw de verwijten van Martha moeten incasseren, omdat zij haar zus alleen liet bedienen. Ook toen had Jezus het voor haar opgenomen en gezegd: ‘Maria heeft het beste deel uitgekozen dat niet van haar zal worden afgenomen.’ Nee, Jezus prijst hier geen devote contemplatie of een holistische bespiegeling met minachting voor de werkelijkheid aan, maar deze Maria is allen ver vooruit. Zij voelde heel goed aan dat er nog maar enkele uren in de dag waren en dat de nacht zou vallen. Toen zij aan de voeten van Jezus zat, had zij zijn woorden ingedronken. Zij had gevoeld en begrepen wat de Schriften zeiden over Jezus’ lijden. Zij hoorde niet bij die onverstandige en trage mensen van hart die niet alles geloofden wat de oude profeten gesproken hadden (Hand.7:51-53). De woorden van de Verlosser waren in vruchtbare aarde gevallen en haar geest had contact met God de Vader (Matth.13:8,23).

Hoewel Jezus vaker gesproken had over zijn lijden en sterven, was de volle betekenis ervan voor de leerlingen nog niet reëel geworden, maar Maria had deze woorden van de Redder als komende werkelijkheid aanvaard. Zij kocht voor een hoge prijs deze onvervalste nardusolie om, zoals de Heer het zei, deze te bewaren voor de dag van zijn begrafenis. Maria was iemand die haar geloof in praktijk bracht. Wanneer de andere vrouwen later met geurige specerijen naar het graf wandelen in de hof van Jozef van Arimathéa, vinden wij Maria van Bethanië daar niet bij. Nú zal zij de Meester zalven! Wat een blijdschap moet dit voor haar geweest zijn, zo haar liefde en begrip te mogen tonen. In heel de wereld, waar het evangelie gebracht werd, zou nog over haar worden gesproken.

Hadden de overpriesters Jezus gezalfd? Nee. Hadden de leiders van het volk Hem geëerd? Nee. Maar deze vrouw, deze leerlinge heeft gedaan wat zij hadden verzuimd. Maar hoe moest Maria zich verdedigen tegenover Judas en enkele anderen? Zij overlegde: wat is een bedrag van 300 Denarie voor Hem, die de zonden van de hele wereld op zich neemt? Wat heeft zo’n prijs te betekenen op hét keerpunt van alle tijden, wanneer de wereldgeschiedenis een totaal andere richting opgaat? Is deze prijs te hoog voor Hem, die alleen de weg moest gaan door de duisternis?

Judas van Iskariot

Judas is wijs, maar zijn wijsheid is van deze wereld. Wat weet hij van liefde die geen grenzen kent? Wat weet hij van de verborgen omgang met God die zijn wijsheid aan kinderen openbaart, maar voor ‘wijzen’ en ‘verstandigen’ verbergt? Wanneer mensen vanuit liefde tot God tijd besteden aan het bidden, zegt de op geldbeluste Jetset prediker: ‘Waarom deze verkwisting?’ Wanneer mannen en vrouwen van God hun leven tot aan het einde in Zijn dienst stellen, noemt de wereldaanbidder dit meestal een gebrek aan gezond verstand.

De dwaasheid van Martha’s zus is wijzer dan de wijsheid van haar tafelgenoten. Het is het dwaze van God en dit is wijzer dan mensen (1 Cor.1:25). Het is ook de kracht van God die haar telkens de menselijke smaad en afkeer doet vergeten om te doen, wat God tot haar zegt door zijn Geest. Wat begrijpt Judas hiervan? Maria heeft het goede deel gekozen, maar deze man uit Iskariot het slechte. Iskariot en Bethanië liggen beide in Juda, maar innerlijk zijn deze 2 personen ver van elkaar verwijderd. Tussen hen bestaat nu al de afstand die er is tussen de hemel en het dodenrijk. Want had Jezus het niet gezegd: ‘Eén van u is een duivel’ (Joh.6:71)? 

De val van de verzegelaar van de som, de satan (Petr. Can. Vert.)

  • ‘Het woord van God kwam tot mij: Mensenkind! Hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus (beeld van satan) en zeg tot hem: zo zegt God: U, verzegelaar van de som (Petr. Can. Vert.), volmaakt bent u van gestalte, vol van wijsheid, volkomen schoon. In het (hemelse) Eden was u, Gods hof; allerhande edelgesteente overdekte u: rode jaspis, chrysoliet en prasem, turkoois, chrysopraas en nefriet, lazuursteen, hematiet en malachiet (beeld van geweldige capaciteiten)’ (Ezechiël 28:11-17).

Op het hoofd van de duivel is ook van toepassing wat wij lezen in Jesaja 14:12-15:

  • ‘O morgenster, zoon van de dageraad, hoe diep ben je uit de hemel gevallen. Overwinnaar van alle volken, hoe smadelijk lig je daar geveld. Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel, boven Gods sterren plaats ik mijn troon. Ik zit op de toppen van de Sion, de berg waar de goden bij elkaar komen. Ik stijg op tot boven de wolken, ik evenaar de Allerhoogste. Nee! Je daalt af in het dodenrijk, in de allerdiepste put.’

Wat van deze grootvorst uit het rijk van de duisternis gezegd kan worden, geldt in zekere zin ook voor Judas, zijn slaaf. Net als de andere leerlingen had ook hij alles verlaten om Jezus te volgen. Ook hij had de belofte:

  • ‘Ik verzeker jullie: wanneer de tijd aanbreekt dat alles vernieuwd wordt, wanneer de Mensenzoon in zijn majesteit zal zitten op zijn troon, zullen ook jullie die mij gevolgd zijn plaatsnemen op de twaalf tronen en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël’ (Matth.19:28).
  • Ook aan Judas Iskariot gaf Jezus het bevel: ‘Genees zieken, reinig melaatsen, wek doden op en werp de demonen uit’ (Marcus 16:15-18).
  • Ook hij was een van degenen die blij teruggekeerd waren en zeiden: ‘Heer, ook de demonen onderwerpen zich aan ons in Uw naam.’

De satan hunkert zelf naar het Koninkrijk van God. Waarom zou hij anders aan God gelijk willen zijn, sterker nog: ‘boven God uitstijgen? De heerlijkheid, de schoonheid en glorie, de macht en kracht worden begeerd, maar degene die dit alles wil hebben, moet werkelijk gelijk willen zijn met dat Koninkrijk. Hij heeft niet zelf te bepalen wat goed en wat kwaad is, maar hij moet zich onderwerpen aan het oordeel van God, dat door Zijn Geest enerzijds vaststelt wat zonde is, anderzijds wat goed is, die vrede en blijdschap met zich meebrengt (Joh.16:8).

Het Koninkrijk van God moet in de christen zijn, maar in de satan was de leugen en deze leugen was in hemzelf geboren. Niemand heeft hem misleid (Joh.8:44). Daarom kon hij niet meer, net als God, heilig en onberispelijk zijn, maar werd hij Gods tegenstander. Als Judas niets achtergehouden had, maar met Jezus de weg van de zelfverloochenende liefde was gegaan en de waarheid en de gerechtigheid lief had gehad, dan zou ook voor hem gegolden hebben:

  • ‘Geliefde broers en zusters, wij zijn nu al kinderen van God. Wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard, maar we weten dat we aan Hem gelijk zullen zijn wanneer hij zal verschijnen, want dan zien we hem zoals hij is’ (1 Joh.3:2). Werkelijk, God is een goede God!

Judas heeft de hemelse gave geproefd zoals de duivel ook Gods nabijheid geproefd heeft. Alles wat God te bieden had, had Hij hem in zijn genade aangeboden. Maar hij heeft deze redding en verlossing verworpen. Daarom is er ook geen bekering meer en geen verandering in zijn toestand:

  • ‘Want het is onmogelijk om hen die eens verlicht zijn geweest, die de hemelse gave geproefd hebben en deelgenoot zijn geworden van Gods Geest en die het goede Woord van God geproefd hebben en de krachten van de komende wereld en die daarna afvallig worden, weer opnieuw tot bekering te brengen, omdat zij voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigen en openlijk te schande maken’ (Hebr.6:4-6; Op.8:6-11 en 13:11,12).

Judas had het goede woord van God geproefd. Maar hij wist ook dat bij de goddelijke opdracht die hem gegeven werd in Mattheüs 10:9, was gezegd: ‘Neem in je beurs geen gouden, zilveren of koperen munten mee.’ Hij kende ook de waarschuwing van de Heer: ‘U kunt niet God dienen en de Mammon’ (Matth.6:24). Immers als men aan de een gehecht is, veracht men de andere. Judas is het voorbeeld van een uitverkorene die een demon wordt. Jezus zei:

  • ‘Heb ik u niet alle twaalf uitverkoren en één uit u is een duivel’ (Joh 6:70)?

Judas heeft met Jezus geleefd, hij heeft in zijn Naam het evangelie van bekering en vergeving van zonden gebracht. Toch werd hij een duivel, want hij werkte met ongerechtigheid, omdat hij een dief was. Judas was een evangelist, die het volle licht bezat en die hemelse schatten had ontvangen in bekering en genezing van zieken, maar die uiteindelijk de duisternis liever had dan het licht, de leugen meer dan de waarheid. En dat is juist het eerste waar God naar vraagt: ‘Zie ik heb liefde voor de waarheid en uw wil’. God wil dat christenen hun lichaam aankleden met de waarheid, zoals van Christus geschreven staat:

  • ‘Want gerechtigheid zal de gordel om Zijn heupen zijn en de waarheid de gordel om Zijn middel’ (Jes.11:5).

Judas combineerde het Koninkrijk van de hemelen met geld en goederen. Hij bracht het in verband met het wereldse systeem, terwijl het niet van deze aarde is. Judassen spreken graag over armen die zij moeten verzorgen (uiteraard op andermans kosten…) maar durven niet het risico aan van een lege portemonnee: een volkomen vertrouwen op God. Wie met Jezus leeft, maar dan ook alleen met Hem, hoort dat Jezus vraagt:

  • ‘Heeft het u aan iets ontbroken toen Ik u uitzond zonder geld en zonder bagage?’

Judas en Maria

Judas, die Jezus in stilte, gebrek aan gezond verstand verwijt en Maria, die doet wat Gods Geest in haar hart zegt. Dan komt het kritieke uur. Jezus zegt: ‘Nu is het oordeel in deze wereld gekomen’ (Joh.12:31). Maar Judas begrijpt niet dat dit de grote scheiding betekent. Dat begrepen Ananias en Saffira ook niet toen zij logen tegen Gods Geest, de Geest die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel, dat is scheiding tussen die beide.

Dat begrijpen velen vandaag nog niet, nu voor Jezus’ terugkomst opnieuw scheiding gemaakt wordt tussen onkruid en tarwe. De Heer gaat zijn dorsvloer zuiveren. Men denkt dat goed en kwaad bij elkaar zullen blijven en dat het mogelijk is om in de eindtijd vuil te zijn en niet vuiler te worden; daarom is onze tijd zo gevaarlijk. Men verzint zelfs een plotselinge opname die hen op wolkjes zet met harpjes. Onderzoek uzelf nauwkeurig of u nog gelooft. Judas gaat van kwaad tot erger. Hoewel hij eerst demonen heeft uitgeworpen, wordt hij zelf een duivel. Later lezen wij, dat de satan in hem komt. Dan kan hij niet meer terug. Dan is de kloof onoverbrugbaar (Lucas 16:19-31). Dan is hij een geheel gebondene.

Judas valt ook niet onder het menselijk vonnis. De Heer zelf maakt hem openbaar en de satan drijft hem tot een wanhoopsdaad, zodat hij eigen vonnis voltrekt. Judas, een medewerker van Jezus Christus, een leerling die jaren lang met zijn Meester werkte in de wijngaard van de Heer. Hij vertrekt niet met ruzie tijdens een hevig debat. Jezus’ geduld heeft Hem tot het laatst verdragen. Totdat Judas de satan binnen liet in zijn hart.

Over Maria van Bethanië wordt gesproken, waar ook het evangelie op deze wereld gebracht wordt. Zij is het lichtende voorbeeld van een vrouw die verstond en begreep, omdat zij aan Jezus’ voeten zat en niet luisterde naar de stem van vlees en bloed. Ook van Judas wordt gesproken waar het evangelie gebracht wordt, als een waarschuwing voor allen die van dit eeuwig evangelie (Op.14:6) willen vertellen en toch ook de wereld en zijn dwalingen lief blijven hebben.