2. Zeven tijdperken en vier evangeliën

<<<<<

Zeven verschillende voorwaarden voor ‘redding….’

De Bedelingenleer (tijdperkenknippers) wordt zo genoemd vanwege haar stelling, dat het hele programma van God verdeeld is in zeven tijdperken (bedelingen). Vijf daarvan zijn al geschiedenis. Volgens deze valse leer leven we nu in het zesde tijdperk. Het zevende tijdperk zal een aards koninkrijk zijn van duizend jaar (het millennium), volgend ná de opname van de gemeente. De Scofieldbijbel karakteriseert deze tijdperken als volgt:

  1. onschuld,
  2. geweten,
  3. menselijke regering,
  4. belofte,
  5. wet,
  6. genade,
  7. koninkrijk…

Cyrus Ingerson Scofield – Bijbelknipper

Volgens Scofield begint met ieder van deze tijdperken een nieuwe manier waarop God de mens ‘test’. Testen op gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, met daaraan verbonden verlossing of verlorenheid. Gehoorzaamheid aan de bestaande methode brengt Gods goedkeuring over de individuele mens of over de natie in zijn geheel, die door Hem ‘getest’ wordt. De Tijdperkenleer veronderstelt in feite zeven(!) verschillende wijzen, waarop een mens gered kan worden. Aanhangers van deze leer ontkennen dat uiteraard, maar het is de logische consequentie van de gedachte, dat God de mens op zeven verschillende wijzen ‘test’ op gehoorzaamheid. Scofield schrijft op pag. 1115, (aantekening 2 van zijn ‘bijbel’):

  • “De manier waarop de mens getest wordt, is niet langer gehoorzaamheid aan de wet als een conditie voor redding, maar het aanvaarden of het verwerpen van Christus…”

Deze uitspraak laat niets aan duidelijkheid te wensen over. Ze zegt dat sommigen onder de ene voorwaarde en anderen onder een andere voorwaarde worden gered. Voor hen die onder de wet zijn, geldt de ene conditie, voor die onder de genade een andere. De uitdrukking ‘niet langer’, wijst erop dat gehoorzaamheid aan de wet eens een voorwaarde voor de redding was. De Bedelingenleer concentreert zich vooral rondom de drie laatste:

  1. die van de wet,
  2. die van de genade, de tijd waarin wij leven én
  3. die van het koninkrijk.

Het reddingsplan dat God voor elk van de drie tijdperken heeft, komt er dan als volgt uit te zien:

  1. “Het tijdperk van de wet (het Oude Testament): Redding door gehoorzaamheid aan de wet (geldig tot aan het kruis).
  2. Het tijdperk van de genade (de gemeente): Redding door genade en geloof alleen (gehoorzaamheid aan de wet voorlopig aan de kant gezet).
  3. Het tijdperk van het koninkrijk (het duizendjarig rijk): Opnieuw gehoorzaamheid aan de wet vereist, maar dan op meer perfecte basis…”

Vier evangeliën…

Uit een en ander volgt duidelijk, dat er van meer dan één evangelie sprake moet zijn. Immers, God stelt in verschillende tijdperken, verschillende condities tot redding, dus moeten er ook van verschillende ‘blijde boodschappen’ over die condities sprake zijn. Scofield trekt die consequentie. Hij noemt maar liefst vier(!) verschillende ‘evangeliën’:

  • Het evangelie van het Koninkrijk: dit is het brengen van de blijde boodschap dat God van plan was een aards koninkrijk op te richten. Een boodschap speciaal voor de Joden. Dit koninkrijk zou van politieke, Israëlitische aard zijn; Jezus zou als de grotere zoon van David in dit rijk regeren.
  • Het evangelie van de Genade van God: dit is het goede nieuws dat Jezus stierf, begraven werd en opstond uit de dood. Scofield zegt dat één van de belangrijkste kenmerken van dit evangelie is, dat het redt ‘zonder uiterlijke vormen of ordinanties’, daarmee implicerend dat dit niet het geval is met de andere drie evangeliën.
  • Het eeuwig evangelie: dit zal gebracht worden door de Joden als de gemeente is opgenomen. Dit gebeurt vóór het begin van het duizendjarige rijk. Scofield zegt dat dit evangelie niet het evangelie van het koninkrijk en ook niet het evangelie van genade is. Het is het goede nieuws dat zij, die tijdens de grote verdrukking gered worden, het duizendjarige rijk mogen binnengaan.
  • Het evangelie dat Paulus ‘mijn evangelie’ noemt. Dit is het evangelie van de genade van God, maar het is verder ontwikkeld als het evangelie dat door Christus en de andere apostelen gebracht werd. Paulus zou nieuw inzicht in het ‘geheimenis van de gemeente’ geven.

Volgens deze uitgevonden ideologie werd:

  1. Het eerste evangelie door Johannes de Doper en de Heer zelf gebracht. De Joden verwierpen echter dit evangelie van een aards Davidisch rijk dat aanstaande was. Gods plan moest worden uitgesteld…
  2. Het tweede evangelie. Bij de dood van Jezus werd een ander tijdperk ingevoegd: dat van de gemeente. Wanneer Hij merkt dat de Joden zijn plannen verwerpen zullen, stapt Jezus over op een ander evangelie: Het evangelie van de genade. Dit wordt later door de apostel Paulus overgenomen en verder uitgewerkt.
  3. Het derde evangelie: Als Paulus een ‘vollediger licht(?)’ ontvangt over de gemeente – een inzicht dat noch Jezus, noch de andere apostelen hadden(!), brengt hij een verbeterde uitgave van dat van Jezus onze Heer, hetzelfde evangelie dat we vandaag aan de dag brengen. Goed beschouwd is het evangelie dat Jezus Christus bracht, niet voldoende geweest. Nummer drie zal alleen gebracht worden totdat de gemeente uit deze wereld is weggenomen, terwijl er toch nadrukkelijk staat dat ná de opname, de geestelijke tempel wordt gesloten en niemand er meer binnen kan gaan, dus ook dat Gods Geest niet meer op aarde zal werken (Op.15:7,8).
  4. Het vierde evangelie: Joodse ‘bekeerlingen’ zullen opnieuw het evangelie van het koninkrijk gaan brengen en dit zal het millennium inluiden.

Een Jezus Christus afwijzend volk van God?

Van, door wie en uit welke geest geïnspireerd, hebben zij het evangelie gehoord? Jezus is met zijn gemeente immers plotseling opgenomen! Ook Gods Geest werkt dan niet meer op aarde. Als Jezus’ gemeente en Gods Geest niet meer op aarde zijn, wat kunnen de nooit bekeerde Joden dan nog doen?

  • Merk op dat waar de Heer dus zélf faalde, een onbekeerde Joodse natie zónder Jezus Christus wél succes zou hebben. Zonder Jezus Christus met zijn gemeente én zonder Gods Geest, toch nog het leger van satan verslaan in de lucht? Absoluut onmogelijk!

Het enige, eeuwige evangelie (Op.14:6)

De Bedelingenleer gaat niet alleen om onschuldige theorieën over het einde van de wereld. Deze leer tast ook het hart van het evangelie aan. Het verwerpt de gedachte dat God sinds de zondeval maar één weg tot redding voor het hele menselijke geslacht heeft vastgesteld. Geloof en vertrouwen in de verzoening en de verlossing die Hij men krijgt door Jezus Christus. Slechts enkele Bijbelse feiten:

  • Abel bracht een beter offer dan Kaïn. Niet door de wet nauwkeurig na te leven, maar door het gelóóf, waarmee het gepaard ging (Hebreeën 11:4).
  • Van Abraham wordt gezegd, dat hij door geloof gerechtvaardigd werd (Romeinen 4:1-25).
  • Echte nakomelingen van Abraham zijn niet zij, die gerechtigheid door de wet zoeken; maar zij die uit het geloof zijn (Romeinen 4:13-15).
  • ‘Mijn rechtvaardige zal uit (zijn) geloof leven’ is de kern van de boodschap zowel van het nieuwe als van het Oude Testament (Hebreeën 10:38; Habakuk 2:3,4).
  • De wet brengt toorn (Romeinen 4:15), zij kan niemand redden.
  • Dat bewustzijn leefde zelfs onder de Joden: ‘Wij, geboren Joden … wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken van de wet, maar door het geloof in Christus Jezus, zijn ook zelf tot het geloof in Christus Jezus gekomen … Want uit werken van de wet zal niemand gerechtvaardigd worden’ (Galaten 2:15,16).
  • Paulus noemt de gedachte dat men door de wet behouden kan worden een ‘ander evangelie dat geen evangelie is’. Wie een ander evangelie brengt, is vervloekt (Galaten 1:7,8). Er is maar één evangelie.

Jezus’ evangelie niet meer relevant voor de tijdperkenknippers en aardse Israël aanbidders

Het is duidelijk dat het ‘enige, eeuwig evangelie’ door deze uitleg van zijn kracht wordt beroofd. De boodschap die Jezus in zijn dagen bracht, zou in feite niet meer relevant zijn voor christenen. Het ‘voorbeeld dat de Heer ons heeft nagelaten’ wordt op deze manier als ondeugdelijk voor onze tijd, bij het grof vuil gezet. De wonderen van genezing en bevrijding die de Heer deed, zouden exclusieve tekens zijn voor zijn Joods gevolg.

Het in tijdperken verdelen van Gods plan met de mensheid

Het is onbegrijpelijk dat deze eindtijd theorieën voor een groot deel van de pinksterbeweging overgenomen werden van mensen, die op déze wijze bezig zijn geweest het evangelie van onze Heer te verwoesten. Zoals de naam al doet vermoeden, legt de Tijdperkenleer sterk de nadruk op het ‘in tijdperken verdelen van Gods plan met de mensheid’. Wanneer men geen oog meer heeft voor de natuurlijke, harmonische ontwikkelingen van Gods voornemen, maar Gods plannen in aparte pakketjes verpakt, die niets met elkaar te maken hebben, is het pas écht goed fout. Ook hier geldt: ‘wat God samengevoegd heeft, zal de mens niet scheiden’. We zien hoe men dit soort ‘opdelen van het woord van de waarheid’ in dezelfde geest op allerlei andere Bijbelse gegevens meent te mogen toepassen. Zo zou er niet van één ‘uitverkoren geslacht’ sprake zijn, maar van maar liefst twee verschillende ‘volken van God’. Ook zou de Heer niet één enkel Koninkrijk oprichten, maar twee totaal verschillende! Deze zogenaamde ‘toekomstige dingen’ kan men dan op allerlei manieren uitleggen en dit gebeurt dan ook.

De Bijbel

De Bedelingenleer stelt dat verschillende passages in de Bijbel voor verschillende tijdperken bestemd zijn. Door de Bijbel in aparte delen te verpakken, ziet men de dwarsverbanden niet meer. Dit is ook duidelijk te zien op de vele paniek zaaiende ‘eindtijdsites’. Scofield wijst op 2 Petrus 1:20 als bewijs voor dit ‘in delen knippen’ van de Bijbel:

  • ‘Bedenk daarbij wel dat geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat.’ 

Bij Scofields commentaar moet dan nauwkeurig met zijn(!) verschillende tijdperken rekening worden gehouden! Elke andere uitleg is eigenmachtig… Uit het verband blijkt echter dat het om iets anders gaat:

  • ‘Want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door Gods Geest geïnspireerd, hebben mensen van Godswege gesproken’ (2 Petr.1:21).

Het blijkt dat het hier niet gaat om de manier waarop de profetie geïnterpreteerd moet worden, maar de manier waarop zij werd gegeven. Petrus zei in feite: ‘Geen enkele profeet heeft zijn eigen privé interpretatie neergeschreven, maar hij schreef alleen dat op waartoe Gods Geest hem opdracht gaf’. Petrus sprak over de autoriteit van de Bijbel, niet over haar interpretatie in deelvakken.

Zeven afdelingen…

De Tijdperkenleer verdeelt de Bijbel in zeven afdelingen. Bovendien onderscheidt ze drie groepen waar de Heer op drie verschillende manieren te werk gaat. Men baseert dit op de tekst: ‘We moeten het woord van de waarheid recht snijden.’ Het ene Bijbelgedeelte is, zegt men, aan Joden geadresseerd, het andere aan heidenen en weer een ander aan gelovigen. De Bijbel zegt echter:

  • ‘Geef noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente van God aanstoot’ (1 Cor.10:32,33).

Niet Gód, maar de gemeente in Corinthe had met deze drie groepen te maken. Het gaat hier eenvoudig om een praktische aangelegenheid. Niet om het netjes onderverdelen en het snijden van de Bijbel in drieën, ook niet vanwege een dogmatische uitspraak. Nee, deze leer is veel erger. Door het opdelen van de Bijbel wil men de opdracht van de gemeente van Jezus Christus elimineren en het onbekeerde aardse Israël voorrang geven.

William L. Pettingill

William L. Pettingill – toenmalig directeur van de door Scofield gestichte Bijbelschool – schreef bijvoorbeeld over het zendingsbevel:

  • “Ik ben er allang van overtuigd en heb steeds geleerd dat de grote Opdracht van Mattheüs 28:19 en 20 eerder op het Koninkrijk toegepast moet worden dan op de gemeente. Het zendingsbevel van Mattheüs zal slechts tot zijn recht komen door het Joodse overblijfsel, nadat de gemeente is weggenomen…”

Letterlijk of geestelijk?

De tijdperkenknippers zijn er trots op de Bijbel letterlijk te nemen. Wie durft te ‘vergeestelijken’, wordt onmiddellijk als verdacht gebrandmerkt. ‘We moeten het woord lezen en nemen zoals het er staat’, heet het onomwonden. De aanhangers van de Bedelingenleer doen het voorkomen alsof allen, die hun opvattingen niet delen, de Bijbel in haar geheel ‘vergeestelijken’, terwijl zij het Woord in zijn geheel letterlijk nemen. Dit getuigt echter van weinig kennis van de ander, noch van zelfkennis.

‘Vergeestelijken’ als het toevallig uitkomt

In de verschillende kampen worden sommige gedeelten letterlijk, andere geestelijk en figuurlijk geïnterpreteerd. Het gaat echter om de vraag wélke gedeelten men op letterlijke en welke op figuurlijke wijze moet interpreteren. Zelfs bij de Bedelingenleer maakt men zich schuldig aan het door hen belasterde ‘vergeestelijken’. Enkele voorbeelden:

  • In Openbaring 4:1 wordt tot Johannes gezegd: ‘Kom hogerop’.
  • ‘Er is hier sprake van de opname van de gemeente,’ beweert men pertinent.

Maar dit is vergeestelijken!

  • Daniël 12:2 zegt: ‘Velen van hen die slapen in het stof van de aarde zullen ontwaken, sommigen tot eeuwig leven, anderen om eeuwig te worden veracht en verafschuwd’.
  • Darby interpreteert: ‘De opstanding in Daniël 12:2 moet op de Joden worden toegepast. Het is een figuurlijke opstanding van dit volk, begraven als natie onder de heidenen.’

Darby vergeestelijkte dus!

  • In Mattheüs 10 geeft Jezus zijn apostelen praktische instructies m.b.t. de evangelisatiereis, die ze zullen maken.
  • Scofield merkt op: ‘dat Jezus in werkelijkheid het brengen van het evangelie op het oog had aan bekeerde Joden tijdens de grote verdrukking.’

Scofield vergeestelijkt ook hier!

Allerlei oudtestamentische, bloemrijke taal in het Oude Testament moet men ook figuurlijk nemen. Er wordt gesproken van bergen die zingen en in de handen klappen (Jesaja 55:12), van gesprekken met bergen (Micha 6:1), van bergen die van honing en melk druipen (Joël 3:18), van een verbond tussen het volk en het gedierte (Hosea 2:18). Moet dat alles letterlijk genomen worden? Onmogelijk!

De achtergrond van de onwil om (waar nodig) de Bijbel te ‘vergeestelijken’ is het volgende:

De tijdperkenleer legt er de nadruk op dat de gemeente slechts een ‘noodsprong’ van de Heer was, toen Israël het aardse koninkrijk dat Jezus aanbood, verwierp. De gemeente zou iets nieuws zijn, iets spontaans, iets buiten Gods berekening om. Vandaar dat er in de oudtestamentische profetieën helemaal niet over de gemeente gerept werd. Dit was nog een ‘mysterie’ of een geheim, dat voor het eerst aan Paulus geopenbaard zou zijn. Om deze gedachte waar te maken, moet men wel kiezen voor een letterlijke interpretatie van het Oude Testament:

  • Israël zou immers niet een ‘schaduw’ maar de werkelijkheid zelf zijn.
  • De profetieën zouden niet op de verlossingstijd van de gemeente mogen slaan, maar als letterlijke beloften voor Israël moeten worden geïnterpreteerd…
  • Van de gemeente zou in het Oude Testament geen sprake zijn.

Dit ‘letterlijk’ nemen gaat, zoals we al aantoonden, niet altijd op. Ook met de Tijdperkenleer moet men af en toe vergeestelijken, of men wil of niet. En dit brengt juist het hele systeem aan het wankelen.

>>>>>