65. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde

<<<<<

Openbaring 21:1-8

‘En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. En de zee was er niet meer’ 1.

Johannes ziet het eindresultaat van het plan en het werk van God. De aarde en de hemel functioneren weer naar de wetten die God gegeven had. De mens heeft zich ontwikkeld tot een volkomen geestelijk wezen en het sekseverschil is opgeheven. Het opstandingslichaam past volkomen bij de innerlijke mens, waarbij geen sprake is van man of vrouw: ‘In de opstanding trouwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel’ (Matthijs 22:30).

De vernieuwde hemel

In het duizendjarige rijk kregen alle dieren hun oorspronkelijke natuur terug. Naar Gods bevel hebben (in de voorbijgegane tijdperken) de vissen de watermassa’s van de zee vervuld en de vogels zijn talrijk geworden op de aarde (Gen.1:22). In het duizendjarige rijk was er een biologisch evenwicht ontstaan. Er was geen kwaad noch verderf op heel ‘Gods heilige berg’, omdat de aarde vol was van kennis van de Heer. Dit inzicht berustte natuurlijk bij de mensen die met grote wijsheid en kracht de aarde onderwierpen, heersten over de vissen in de zee, over de vogels in de hemel en over alle dieren die over de aarde kruipen (Gen.1:28). Hoe op de vernieuwde aarde de levende wezens zich zullen gedragen, hoe het evenwicht bewaard zal blijven, of zij zich nog zullen vermenigvuldigen of niet, of de dieren zullen sterven (terugkeren tot de aarde), daarover licht de Bijbel ons niet in. Wat de vernieuwde hemel betreft, deze is vol lichtdragers, heilige engelen van God, die nu ongehinderd de herschapen mens kunnen dienen. Wij kunnen ons geen voorstelling maken van hun taak in de eeuwigheid.

De vernieuwde aarde

Er wordt eerst gesproken van een nieuwe hemel en daarna van een nieuwe aarde. Eerst zijn immers de onzienlijke dingen hersteld en dan volgt de zichtbare wereld. De eerste hemel, d.w.z. het Koninkrijk van de hemelen, waar goed en kwaad samen waren, heeft plaats moeten maken voor het Koninkrijk van God. De eerste hemel, het toneel van de geestelijke strijd, wordt gevolgd door de nieuwe of tweede hemel waar de strijd voorbij is en waar onder gerechtigheid, blijdschap en vrede, de mensheid geheel tot haar voltooiing komt.

De derde hemel

Wanneer dit proces beëindigd is, volgt de derde hemel waar God alles in allen zal zijn. Paulus getuigde dat hij in een visioen in de toekomst had gezien tot de tijd, dat ook de derde hemel werkelijkheid zal zijn: ‘Maar ik weet dat deze man – in zijn lichaam of zonder zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen, werd weggevoerd tot in het paradijs en dat hij daar woorden hoorde die door geen mens mogen worden uitgesproken’ (2 Corinthe 12:3-4).

Ook op de eerste aarde was vermenging van zonde en gerechtigheid, maar in dit visioen is zij volkomen onderworpen aan de wetten van de herstelde, geestelijke wereld. Vervuld zijn de beloften uit Jesaja 65:17 en 66:22 over het scheppen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, die tot in eeuwigheid zullen blijven bestaan. Merkwaardig is dat in 2 Petrus 3:13 niet gesproken wordt over een nieuwe hemel, maar over nieuwe hemelen, die wij te verwachten hebben. De apostel volgt daarin het onderwijst van Jezus, die altijd sprak over het Koninkrijk van de hemelen en zijn leerlingen de verborgenheden daarvan openbaarde. Er is geoordeeld in gerechtigheid: er is een poel van eeuwig afgrijzen, waar het vuur niet geblust wordt en er is een rijk dat geheel functioneert naar het recht van God en waarin de nieuwe aarde begrepen is.

De zee is beeld het geestelijke leven op aarde en de dood. Alleen zij die bij het nieuwe verbond horen, zijn naar de innerlijke mens overgezet in de hemelse gewesten in het Koninkrijk van God en vormen daar een wolk. Na de tweede opstanding zijn de dood en het dodenrijk als laatste vijanden teniet gedaan en heeft dus de zee als beeld zijn betekenis verloren. Natuurlijk moeten wij bij de woorden: ‘De zee was niet meer’ niet denken aan de zichtbare oceanen. Een aarde zonder zee is een planeet zonder water en onbewoonbaar voor mens en dier en ongeschikt voor iedere plantengroei. Wij achten een aarde zonder water in strijd met de oorspronkelijke schepping van God, die dan hersteld is. Er staat immers, dat de watermassa’s onder de hemel op één plaats moesten samenvloeien en God noemde deze samengestroomde watermassa’s, zeeën en Hij zag dat het goed was (Gen.1:9,10).

De heilige stad

‘En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalen van God uit de hemel, klaargemaakt als een bruid die voor haar man sierlijk gemaakt is. En ik hoorde een luide stem uit de hemel zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen en zij zullen Zijn volk zijn en God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn’ 2,3.

Op de nieuwe aarde ziet Johannes nu ook de hele nieuwe, herstelde en herstellende mensheid. Haar getal is vol en ieder krijgt zijn plaats en zijn bestemming. Zij wordt uitgebeeld als een heilige en nieuwe stad. Had Abraham al niet gezocht naar een stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is (Hebr.11:10)? Deze plaats wordt een nieuw Jeruzalem genoemd, omdat het oude, aardse Jeruzalem een schaduwbeeld was. In de onzichtbare wereld, de hemel, heeft God vanaf de opstanding van Jezus Christus tot aan het laatste oordeel aan deze stad gebouwd. In het nieuwe Jeruzalem bevindt zich ook de tent van God, dat is de gemeente van God, die vervuld is met Gods Geest. Jezus zei over de gelovige van het nieuwe verbond:

  • ‘Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen’ of volgens de Leidse vertaling ‘bij hem onze intrek nemen’ (Johan 14:23).
  • In dit verband zegt de Heer tot het oude verbondsvolk: ‘Mijn woning zal in uw midden staan en Ik zal nooit een afkeer van u krijgen. Ik zal in u  midden zijn; Ik zal uw God zijn en u mijn volk’ (Lev. 26:11,12).
  • Ezechiël profeteerde: ‘Bij hen zal Ik wonen; Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. En de volken zullen beseffen dat Ik, de Heer, (het geestelijk) Israël, heilig doordat mijn heiligdom voor altijd in hun midden is’ (Ez.37:27,28).
  • Herinnerende aan deze teksten, schreef Paulus aan de gemeente: ‘Wijzelf zijn de tempel van de levende God, zoals God heeft gezegd: ‘Ik zal bij hen wonen en in hun midden zijn, Ik zal hun God zijn en zij mijn volk’ (2 Cor.6:16).

Een luide stem maakt aan Johannes duidelijk dat de woonplaats van God, de gemeente, bij de mensen of tussen de volken op aarde is. De aarde is Immanuëlsland geworden, want God is bij de mensen. God woont al in de gemeente, maar nog niet bij alle volken van het nieuwe Jeruzalem, want God is nog niet alles in allen. Deze volken moeten namelijk nog tot volmaaktheid komen (21:24-26). Zij zijn rechtvaardigen, bevrijd van iedere macht van de duisternis, maar zij werden behouden als door vuur heen (1 Cor.3:15). Zij gingen beschadigd in. Alleen van de overwinnaars van het nieuwe verbond wordt gezegd: ‘Wie overwint, zal van de tweede dood geen schade lijden’ (2:11).

Zij, die deel hadden aan de eerste opstanding, waren onbeschadigd. Nu gaat God de tranen van de ogen afwissen, dit wil zeggen dat alle wonden en geestelijke beschadigingen genezen worden. Hoe doet God dit? Vanuit en door zijn gemeente, die de volken van de gerechtigheid tot de volmaaktheid en onberispelijkheid zal brengen. De belofte, toegezegd aan de gelovigen van het oude verbond, wordt volkomen vervuld: ‘Al deze mensen, die vroeger om hun geloof geprezen worden (namelijk dat zij rechtvaardig waren), hebben de belofte niet in vervulling zien gaan, omdat God voor ons iets beters had voorzien en Hij hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken’ (Hebr.11:39,40).

De schrijver van de Hebreeënbrief spreekt hier duidelijk van een volmaakt worden van de gelovigen van het oude verbond ná hun dood; niet automatisch, maar dit wordt gerealiseerd door de gemeente van het nieuwe verbond. De verlossing, de genezing en volmaking zullen nooit ‘vanzelf’ gebeuren. Men moet de weg gaan van het plan van God. Deze confrontatie van de gemeente van God met de gelovigen van alle eeuwen wordt voorgesteld als een ontmoeting tussen bruid en bruidegom. De mantel van de gerechtigheid en haar lofprijzing maken de volken tot een versierde bruid, maar ook de innerlijke mens, de ziel en de geest, moeten de volkomenheid bereiken: ‘Ik verblijd mij zeer in de Heer, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de kleren van heil, met de mantel van gerechtigheid heeft Hij mij omhuld’ (Jesaja 61:10). ‘Zoals een jongeman een meisje tot vrouw neemt, zo zullen jouw zonen (de gemeente) jou (het nieuwe Jeruzalem) ten huwelijk nemen en zoals de bruidegom blij is met zijn bruid, zo zal God (wonende in zijn gemeente) blij zijn met jou’ (Jesaja 62:5).

De verhouding tussen Christus en zijn gemeente is als van man en vrouw: ‘Maar die zich aan de Heer hecht, is één geest met Hem’ (1 Cor.6:17). ‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn. Dit geheimenis is groot, maar ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente’ (Efeze 5:31,32). Hier is echter sprake van de verhouding tussen de gelovigen van het oude verbond (bruid) tot de gemeente, waar God in woont (bruidegom). Deze bruid moet ook tot de volmaaktheid en de volle gemeenschap komen door Gods Geest, zodat God ‘alles in allen’ zal kunnen zijn. Jezus Christus heeft zich overgegeven voor Zijn gemeente, zodat zij stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks is, heilig en zonder smet (Efeze 5:26,27). God de Vader, die in Zijn gemeente woont, zal zijn bruid, de rechtvaardigen van het oude verbond, volmaken.

Het gevolg van een half gelegd fundament

Degenen van het nieuwe verbond, die zich gerechtvaardigd weten door het bloed van het kruis, maar niet zijn gedoopt met Gods Geest (of dit niet nodig vonden en dus geen woonplaats van God in de geestelijke wereld zijn) zullen wel in het nieuwe Jeruzalem wonen, maar zijn niet ingevoegd in de tempel. Zij worden dus behouden op dezelfde manier als de oudtestamentische rechtvaardigen.

‘En God zal alle tranen van hun ogen afwissen en de dood zal er niet meer zijn; ook geen rouw, jammerklacht of moeite zal er meer zijn. Want de eerste dingen zijn voorbijgegaan’ 4.

De dood en zijn satanische aanhang (die rouw, verdriet en lijden in mensenlevens gebracht hebben) zijn voor eeuwig in de vuurpoel en kunnen geen kwaad meer veroorzaken. Het vroegere is voorbij! De eerste dingen, dus de oude schepping die door de demonen beschadigd en onderdrukt was, zijn weggegaan. Het is duidelijk dat ziekte, pijn en lijden niet van God zijn, maar van de vijand en dat de tijdelijke dood nooit herstel brengt en zeker geen doorgang is tot leven, laat staan tot eeuwig leven zoals de Heidelberger zegt. Het herstel van de gerechtvaardigde mensheid gebeurt op aarde, zowel in het duizendjarige rijk voor degenen die nog niet gestorven zijn, als op de nieuwe aarde voor degenen die deel hebben aan de tweede opstanding. Bij hen die gestorven waren, vindt de geestelijke bevrijding plaats, wanneer de dood en zijn rijk in de vuurpoel geworpen worden. Zij ontvangen dan een onverwoestbaar opstandingslichaam, maar in het nieuwe Jeruzalem volgt op aarde het herstel van de beschadigingen van de innerlijke mens.

Wanneer het Jeruzalem bij de opstanding op aarde komt, dus van de onzienlijke wereld, de hemel, naar de zichtbare aarde, heeft het de mantel van de gerechtigheid omgeslagen, maar uit de tranen van zijn inwoners blijkt, dat hun innerlijke mens nog genezen moet worden. De Heer bekleedt hen met de kleren van verlossing en redding, dat is met die van de genezing (Jesaja 61:10), waarmee ze zich ongehinderd tot volmaakten kunnen ontwikkelen: ‘Dan noemt men hen ‘Het heilige volk’, ‘Volk dat door de Heer is vrijgekocht’ en jij zult ‘Geliefde’ heten, ‘nooit verlaten stad’ (Jes.62:12).

‘En Hij Die op de troon zit, zei: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei tegen mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en betrouwbaar’ 5.

Nogmaals horen wij de stem van Hem die op de troon zit, dat is Christus, wonende in de gemeente die als een eenheid functioneren als bruidegom ten opzichte van de bruid, het nieuwe Jeruzalem, bestaande uit de rechtvaardigen van het oude verbond en hen die gerechtvaardigd waren door het geloof in het bloed van Christus, maar die Gods Geest niet hadden ontvangen. Tot het einde toe maakt de Heer gebruik van de gemeente om de totale vernieuwing tot stand te brengen. Steeds gaat het over herstel en niet over het scheppen van nieuwe dingen. Het hemels Jeruzalem moet herstellen, zodat het uiteindelijke doel bereikt zal worden, namelijk God alles in allen. Ook de laatste hoofdstukken van de Openbaring horen nog bij het herstel of de nieuwe geboorte van alle dingen. Zij spreken nog over het Lam, wiens offer de grondslag en het begin was van alle regeneratie.

Johannes wordt opgewekt deze visioenen en woorden op te schrijven en deze zo te bewaren voor hen die deze ontwikkeling kunnen begrijpen. De stem bevestigt dat deze woorden betrouwbaar en waar zijn, dat zij dus het plan van God nauwkeurig weergeven. In deze eindtijd zal Gods Geest in de gelovigen opnieuw bevestigen, dat de visioenen van Johannes, Gods plan voor de gemeente, de mensheid en de schepping onthullen en dat zij zeker vervuld worden.

‘En Hij zei tegen mij: Het is gebeurd. Ik ben de Alpha en de Omega, het Begin en het Einde. Wie dorst heeft, zal Ik gratis te drinken geven uit de bron van het levenswater. Wie overwint, zal alles erven en Ik zal voor hem een God zijn en hij zal voor Mij een zoon zijn. Maar wat betreft de lafaards, ongelovigen, wrede criminelen, moordenaars, ontuchtplegers, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars: hun deel is de vuurpoel die van vuur en zwavel brandt. Dit is de tweede dood’ 6-8.

Weer klinkt de stem van God in de geest tot de apostel Johannes. Zij getuigt dat alles voltooid is. De tijd breekt aan dat alles hersteld is en de eeuwen van de eeuwen beginnen. God is het begin (Alpha) zowel van de oude als van de nieuwe schepping. Hij is ook de voltooier (Omega) van zijn gemaakt plan. Buiten het Woord van God, dat is Christus, (Johan.1:1), is er vanaf het begin niets gebeurd en ook het einde is uit en door Hem. De profetie houdt zich niet bezig met wat er ná dit herstel zal gebeuren. Wij weten dat de Heer met ons is tot het einde van de wereld, dat is tot de voleinding van de eeuwen (Matth.28:19,20). Nu herhaalt de Heer de belofte waarover Jesaja al gesproken had, dat voor de dorstige het Levenswater zal stromen. Alleen zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, krijgen deel aan het geluk. Jezus zei: ‘Gelukkig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.’

Hij die gelooft in God en het kwade overwint, heeft een erfdeel in het Koninkrijk van God. De gelovigen van het oude en het nieuwe verbond zullen allen hersteld worden en in de juiste verhouding tot God staan, maar ook degenen die uit het dodenrijk zijn gekomen en van nature dingen deden die overeenkomstig de wet van God waren (Rom.2:14). Zij zullen niet meer door demonen geïnspireerd worden, maar alleen beïnvloed worden door onze enkel goede God. ‘Hij zal hun God zijn’, betekent: Hij zal hen inspireren, leiden door zijn Geest, zijn woorden in hun hart en mond leggen en: ‘Waar tegen hen gezegd is: Jullie zijn mijn volk niet, zullen ze kinderen van de levende God worden genoemd’ (Rom.9:26).

Een menigte die niet te tellen was

De eerste schepping begon met Adam, die de zoon van God werd genoemd en die koning was op de aarde. De herschepping eindigt met een ontelbare menigte die allen zonen van de Allerhoogste zijn en die koningen zijn in hemel en op aarde.

Er wordt ook gewezen op de scheiding die God zal maken tussen hen en de kinderen van de satan. Allen die de ongerechtigheid hebben liefgehad krijgen géén deel in het Koninkrijk van God. Wie dergelijke dingen doen, zullen het Koninkrijk van God niet erven (Galaten 5:21). Allereerst wordt dan gesproken over lafaards of bange mensen, dat zijn zij die de strijd in de hemelse gewesten ontvluchtten en voor de demonen bezweken. Hun angst stelde zich tussen God en hen, zodat zij niet tot gemeenschap met de Heer konden komen.

Dan volgen de ongelovigen, waar de twijfel en de gerichtheid op het natuurlijke leven, belangrijker waren dan het eeuwige geestelijk leven. De gruwel bedrijvers, moordenaars en ontuchtplegers zijn zij die de demonen vrij in hun leven lieten werken bij het bewust afslachten van de onschuldige medemens, terwijl de tovenaars en afgodendienaars contact onderhielden met de geesten uit de afgrond van het dodenrijk.

Als laatste groep in deze climax wordt gesproken over alle leugenaars, die geestelijk voortkwamen en rechtstreeks geïnspireerd werden door de vader van de leugen, de duivel. Onder hen zijn ook degenen die dwalingen brachten en de Waarheid niet hebben liefgehad. Het lot van hen eindigt in de vuurpoel. Wie niet gescheiden wil worden van de onreine geesten, gaat met deze demonen ten onder. Hij wordt overgegeven aan de concentratie van haat, leugen, onreinheid en ontbinding: dat is de tweede dood.

>>>>>