
Openbaring 10:5-11
‘En de engel die ik op de zee en op de aarde zag staan, hief zijn hand op naar de hemel en hij zwoer bij Hem die leeft in alle eeuwigheid, Die de hemel heeft geschapen met wat daarin is, de aarde met wat daarop is en de zee met wat daarin is, dat er geen tijd meer zou zijn. Maar in de dagen van de stem van de zevende engel – wanneer die op de bazuin zal blazen – zal ook het geheimenis van God worden uitgevoerd, zoals Hij aan zijn dienstknechten, de profeten, verteld heeft’ 5-7.
De grote scheiding komt bij de zevende bazuin. Wie vuil is, is nog vuiler geworden en wie heilig is, is nog meer geheiligd. Het is de bedoeling van God dat de mens van God volkomen is en tot alle goede werken volkomen toegerust. Alles wat in de hemel, op de aarde en in de zee is, de hele onzienlijke en zienlijke schepping die nu nog zucht, ziet hier naar uit. Wanneer de ware gemeente volle gemeenschap met Christus heeft, wordt de Godsregering op aarde mogelijk. Dan wordt vervuld: ‘Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit’ (3:21). Bij de onveranderlijke en eeuwige God, die nooit zijn plan met de mens losgelaten heeft, zweert de engel van de Heer, dat er geen uitstel meer zal zijn. Bij de zevende bazuin wordt het grote geheim van God voltooid.
Wat is deze verborgenheid en op wie heeft zij betrekking?
Het antwoord vinden wij in de brieven van de apostel Paulus. Aan deze was door openbaring het geheim bekend gemaakt. Voor de inhoud ervan verwijst hij in Efeziërs 3:3 naar de voorgaande hoofdstukken. Daar staat bijvoorbeeld in Efeze 1:3: ‘Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in de hemelse gewesten, in Christus, met talrijke geestelijke zegeningen heeft gezegend.’ Hij heeft ons dus gedoopt in Gods Geest en ontplooit in ons de geestelijke gaven. Het doel ervan lezen wij in vers 4: ‘In Christus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefde uitgekozen om voor Hem heilig en zuiver te zijn voor zijn aangezicht’. Ook in Efeze 1:13 en 14 wordt gesproken over de verzegeling met de Geest van de belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij zich verworven heeft, tot lof van zijn heerlijkheid. Verlossing van onze vijanden, van zonde en ziekte, maakt dat wij kunnen leven tot lof van zijn heerlijkheid!
Wanneer wij deze hoofdstukken nalezen, merken wij dat het geheim daarin bestaat dat God zijn volk een plaats geeft in de hemelse gewesten en hen tot volkomen mensen maakt. God is bezig een tempel op te richten heilig in de Heer, ‘in wie ook u mede gebouwd wordt tot een woonplaats van God in de Geest’ (Ef.2:22). In Efeze 3:9 en 10 schrijft de apostel nog eens duidelijk over de bediening en de inhoud van dit geheimenis: ‘Hoe het mysterie dat in alle eeuwen verborgen was in God, de Schepper van alles, werkelijkheid wordt. Zo zal nu door de gemeente de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend worden aan alle vorsten en heersers in de hemelse gewesten.’ Daarom bidt Paulus om met kracht versterkt te worden door Gods Geest in de innerlijke mens.
Het geheim is dus dat er een gemeente ontstaat, die door de strijd in de hemelse gewesten (Ef.6) geheel bevrijd is van de machten van de duisternis en een leven leidt dat volkomen overeenstemt met de wil van God. De gemeente wordt dan ‘stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks’ (Ef.5:27). Aan zijn heiligen heeft God bekend willen maken, hoe rijk de heerlijkheid van dit geheimenis is onder de heidenen: Christus onder (in) u, de hoop van de heerlijkheid’ (Col.1:27).
Nooit meer een afscheidingsmuur!

Op de vraag voor wie dit geheimenis is, luidt het antwoord: voor heiden én jood, want de tussenmuur van de afscheiding is totaal weggebroken en wordt nooit meer opgebouwd (Ef.2:14-16 en 3:6).
Zowel de profeten van het Oude als die van het Nieuwe Testament hebben zich met dit geheim beziggehouden. De eersten profeteerden ook steeds over een afvallig volk dat zou ondergaan en van een overblijfsel, waaraan God zich de Heerlijke zou betonen. Maar Petrus zegt ons dat zij niet begrepen hebben wat dit geheimenis inhield: ‘Wat die redding inhoudt, probeerden de profeten te achterhalen toen ze profeteerden over de genade die u ten deel zou vallen. Zij probeerden vast te stellen op welke tijd en op welke omstandigheden Christus’ Geest, die in hen werkzaam was, doelde toen deze hun zei dat Christus zou lijden en daarna in Gods luister zou delen. Er werd hun geopenbaard dat deze boodschap niet voor henzelf bestemd was maar voor u, en nu is deze boodschap u verkondigd door hen die u het evangelie hebben gebracht, gedreven (geïnspireerd) door Gods Geest die vanuit de hemel werd gezonden. Het zijn geheimen waarin zelfs engelen graag zouden doordringen’ (1 Petr.1:10-12).
De profeten van het Nieuwe Testament hebben wél het geheim gekend voor zover het toen geopenbaard was. Zij wisten van de verlossing door Christus, van de doop met Gods Geest, de strijd in de hemelse gewesten en het doel van God met de gemeente, de volmaaktheid. De weg waarlangs God deze volkomenheid zou uitvoeren, bleef echter verborgen. Paulus streefde ernaar dat hij het ook grijpen mocht. Hij heeft de onuitsprekelijke heerlijkheid van de voltooide gemeente, het paradijs van God, gezien, maar ook hij mocht daarover niets zeggen. Ook hij moest verzegelen wat hij gehoord en gezien had (2 Cor.12:14). Alleen de gemeente in de eindtijd mag het doel van God met haar, op aarde te bereiken.
‘En de stem die ik uit de hemel gehoord had, sprak opnieuw met mij en zei: Ga, neem het boekje dat geopend ligt in de hand van de engel die op de zee en op de aarde staat. En ik ging naar de engel toe en zei tegen hem: Geef mij dat boekje. En Hij zei tegen mij: Neem het en eet het op en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing. En ik nam het boekje uit de hand van de engel en at het op en het was in mijn mond zoet als honing, maar toen ik het opgegeten had, werd mijn buik bitter. En hij zei tegen mij: U moet opnieuw profeteren over veel volken, naties, talen en koningen’ 8-11.
Voor de tweede keer in dit visioen hoort Johannes de stem uit de hemel. Hier is geen sprake van een engel, maar van duidelijk waarneembare woorden zonder dat er een spreker gezien wordt. Op deze manier sprak God bijvoorbeeld voor de eerste maal tot Samuël, toen deze meende dat Eli hem riep. Ook bij de doop van Jezus werd een stem uit de hemel gehoord en later, toen Hij openlijk beleed de lijdensweg te willen aanvaarden (Matth.3:17; Joh.12:28). Petrus zag in een gezicht een groot laken, dat aan de vier hoeken neergelaten werd. Tot twee maal toe hoorde hij een stem uit de hemel, die beval de hem getoonde dieren te slachten en te eten (Hand.10:9-16). Johannes hoort hier dus de stem van Gods Geest, niet zoals gewoonlijk in zich, maar langs zintuiglijke weg door het oor. Later hebben veel kinderen van God soortgelijke ervaringen gehad. Men zit aan zijn werktafel of ligt op bed en hoort dan duidelijk een stem. Men keert zich zelfs om zo de spreker te zien, zoals in Openbaring 1:12 staat dat Johannes zich omkeerde om te zien wie met hem sprak.
De ziener (Johannes) ontvangt de opdracht het geopende boekje uit de hand van de engel van de Heer te nemen. Gods Geest overtuigt Johannes dat hij zich toch met de inhoud van het boekje moet bezighouden. Het beschrijft de laatste oordelen over de valse kerk en het grote geheimenis op welke manier God zijn volk tot de voleinding voert. De zeven bazuinen houden zich immers bezig met de grote verdrukking. De vraag rijst hoe de ware, met Gods Geest gedoopte kinderen van God uit hoofdstuk 7:3 hier doorheen komen. Voordat de zeven bazuinen geblazen worden, werden zij immers verzegeld met Gods Geest van de belofte.
Aan het einde van het zesde zegel is de ware gemeente geopenbaard. De grote scheiding is dan tot stand gekomen. De valse schijnkerk is steeds meer van het Woord van God vervreemd en de verzegelden zijn tot volwassenheid gekomen. Duidelijk wordt gemeld dat in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer deze bazuinen zal, het geheim van God klaar is. Wij zien dus dat voor het begin van de bazuinen, Gods volk verzegeld wordt en dat bij het begin van de zevende bazuin, de gemeente van de eindtijd haar voltooiing bereikt heeft. De grote verdrukking houdt voor haar daarom bij de zevende bazuin op: ‘Vanwege de uitverkorenen worden deze dagen ingekort’ (Matth.24:22).
Wanneer Johannes het boekje ontvangen heeft, wordt hem door de engel verzocht het op te eten. Hij moet dus de woorden van God voor het laatste stadium van de eindtijd in zich opnemen en tegelijkertijd weer verbergen. Dit komt overeen met het beluisteren van wat de zeven donderslagen spraken en het verzegelen van de inhoud. Het hoogtepunt, de voleinding van het geheim van God, de volmaking van de gemeente en haar opname in een ondeelbaar ogenblik, moet gesluierd blijven. De Openbaring, of zoals enkele vertalingen hebben, het boek van de ‘Ontsluiering’, houdt alleen de manier waarop de gemeente tot de volkomenheid komt, voor ons verborgen.
De verlossing van Gods oude volk als voorbeeld

Bij het eten smaakt het boekje zoet als honing, terwijl het in de buik een bitterheid, dus een onaangename reactie veroorzaakt. Het gaat immers over het gereed maken van de vrouw van het Lam én het oordeel over de hoer, de afgevallen kerk. Het gaat over de dag van wraak van onze God én over de verlossing van het volk van de Heer. Zo trok immers Israël door de Rode Zee: de wolk was duisternis voor de vijand en tegelijkertijd een lichtglans voor Gods volk.
Het Nieuwtestamentische verbondsvolk trekt door de glazen zee vermengd met vuur naar een behouden kust, terwijl het vijandelijke leger omkomt.

Na het nuttigen van het boekje wordt Johannes geroepen weer te profeteren over veel natiën, volken, talen en koningen. De begrenzingen in het oude verbond van het volk Israël en het land Palestina zijn immers weggevaagd door een ware gemeente: ‘de losgekochten van de aarde’. Als tegenstelling is daar nog een afvallige kerk, die alleen koningschap heeft over de koningen van de aarde’ (14:3 en 17:18). De menigte die uit de grote verdrukking komt, is ‘uit talrijke landen en volken en koningen.’