Zijn onze baby’s kleine demonen?

Is een baby van nature zondig en volgens de Heidelbergse zondag 3 vraag 7, wezensgelijk aan satan?

Een bekend en geliefd prentenboek dat men bij het vertellen gebruikt om kleine kinderen het verlossingsplan duidelijk te maken, bevat enkele gekleurde harten. Het begint met een kinderhart dat volkomen zwart is. Bij de katholieken volgt daarna nog een half zwart hart vanwege een uitgevonden vagevuur constructie. Dan komt het rode bloed dat van alle zonden reinigt en dan is de volgende plaat een volkomen wit hart.

Er bestaat ook een prentenboek waarop men een schattig kindje in de wieg ziet liggen. De onbevangen outsider die de heldere oogjes, het haar en het zachte lijfje ziet, denkt aan een hemel op aarde. Deze voorstelling wordt helaas al snel afgekapt, wanneer de verteller het plaatje wegneemt. Er is een metamorfose gebeurd want men ziet een demonisch uitziende baby! Op deze manieren wordt de kleuters duidelijk gemaakt, wie ze eigenlijk zijn. Wij vragen ons af welke kleur men zou moeten gebruiken voor het hart van iemand, die in grove zonden leeft? Het zwart laat immers geen diepere nuances toe.

Babybesprenkeling

De ‘babybesprenkeling’ gaat volgens het doopformulier van de gedachte uit, dat de baby’s van gelovigen in zonde ontvangen en geboren zijn en daarom aan allerlei ellende, ja zelfs aan de verdoemenis(!) onderworpen zijn. Tegelijkertijd vraagt het echter de ouders te belijden, dat hun kinderen in Christus geheiligd en daarom als leden van de gemeente besprenkeld horen te worden. Dit is een hinken op twee gedachten. Wanneer onze kinderen aan het verderf onderworpen zijn, gáán zij niet verloren, maar zíjn ze verloren! Zij staan dan als hellekinderen te boek.

‘Jong Gereformeerd’ schreef naar aanleiding van het doopformulier:

  • “Dat ze in zonden ontvangen en geboren zijn, komt rechtstreeks uit de Bijbel..!” (Psalm 51:7.)

Wij zijn overtuigd dat ‘Jong Gereformeerd’ meent wat zij schrijft. Als David zegt: ‘Ik was al schuldig toen ik werd geboren, al zondig toen mijn moeder mij ontving,’ kan zij deze tekst niet anders meer verklaren dan in het licht van zijn belijdenisgeschriften. De conclusie volgt dan:

  • “Er staat dat alle kinderen in ongerechtigheid geboren worden en in zonde door hun moeder ontvangen zijn…”

In het tweede deel van zijn boek ‘De zonde’ besteedt dr. G.C. Berkouwer 75 pagina’s aan de leer van de erfzonde. In verband met Psalm 51:7 wordt niet anders door deze gereformeerde theoloog opgemerkt dat:

  • “Voor het Oude Testament wordt vrijwel uitsluitend op Psalm 51:7 gewezen, waar David zijn eigen leven en zonde verweven ziet met zijn hele bestaan, zijn geboorte uit zijn moeder, zonder dat boven dat besef van grenzeloze zondigheid wordt gezocht naar een verklaring van deze samenhang…” (pag.271).

Met andere woorden: David spreekt hier van zichzelf. Verklaart dit niet verder en men moet er niet meer uit lezen dan er staat! Verder wordt door dr. Berkhouwer in dit verband niet meer over deze tekst gerept.

David zelf óók geboren uit overspel

David dichtte de 51ste Psalm na zijn overspel met Bathséba. Van het kindje dat hierdoor verwekt werd, kon gezegd worden dat het in ongerechtigheid geboren was en zijn moeder het in zonde (zondigende) ontvangen had. In het geslacht van David waren meer van zulke gevallen aan te wijzen. Nergens wordt ook de naam van Davids moeder vermeld, terwijl dit toch wel het geval is met de moeders van de koningen uit zijn geslacht. Davids moeder had twee dochters bij Nahas (koning van de Ammonieten), namelijk Abigaïl en Zeruja (1 Kron.2:15,16 en 2 Sam.17:25,26). Wij weten dat Isaï bij deze vrouw ook een kind had, namelijk David. Wij zijn van mening dat Nahas in 2 Samuël 17:25 dezelfde is als de Nahas in vers 27 (Joab was een oomzegger van Sobi, de zoon van Nahas).

Wanneer de profeet Nathan bij David komt, zegt hij dat de koning door zijn overspel de vijanden van God gelegenheid gegeven had tot lasteren (2 Sam.12:14). Wij kunnen opmerken dat dit niet alleen gebeurde om de daad zelf, maar ook de 51ste Psalm – die hij in zijn vertwijfeling dichtte – heeft daartoe aanleiding gegeven.

Foutief en massaal gebaseerd op slechts één enkel versje

Op grond van de woorden, die David in het zevende vers beleed, heeft men toch de leer gegrond dat álle kinderen in zonde ontvangen en geboren zijn en daarom aan allerlei ellende en verdoemenis zelf deel hebben. Het is de Satan dus gelukt de mens te laten geloven, dat hij het kind van zijn verwekking af, al volkomen in zijn macht heeft en gebruiken kan tot ieder wetteloos werk. Het jonge, gave kindje met zijn schoonheid zou eigenlijk van binnen door en door verdorven zijn. Helemaal zwart. Een duivel!

Wij weigeren absoluut deze verschrikkelijke leer te aanvaarden, omdat zij in strijd is met de Woorden van God. De vraag van de Spreukendichter: ‘Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart rein bewaard?’ (20:9) zou dan een holle frase zijn, omdat er van het begin in zo’n hart niets reins zou zijn om te bewaren. Onze baby’s zijn echter geen duivelen; het zijn troonpretendenten!

Een natuurlijk hart

Een kind komt als een natuurlijk wezentje op de wereld. Zijn begeerte gaat alleen nog maar uit naar natuurlijke dingen. Het leeft om te eten, te drinken, te slapen en als zijn natuurlijk leven bedreigd wordt, begint het te huilen. Zoals je bij een dier niet van zonde spreken kan, zo is dit ook het geval bij een baby. Wij zouden dan ook bij een baby geen zwart of wit hart willen tekenen, maar een groen als beeld van het natuurlijke leven. Het kind komt echter op een wereld die wél zwart is, die onder de druk van satan ligt en waarop de duivel met zijn legermacht alle ellende uitvoert. Vanaf zijn geboorte en soms zelfs vóór deze tijd probeert de duivel zijn heerschappij in het kind te vestigen en zijn beschadigend werk te doen. Hij probeert het kind zo spoedig mogelijk te verleiden (dit kan, omdat het niet zwart is) en onder pressie te zetten. Als de geest van het kind ontwaakt, probeert de duivel zich ermee te verbinden.

Een baby die het onderscheid tussen de linker of de rechterhand niet weet, kent geen goed en geen kwaad en doet ook geen goed en geen kwaad. Omdat zij zichzelf niet verdedigen kunnen, gaf God de kinderen een engelenwacht. Hun engelen zien altijd het aangezicht van de Vader, die in de hemelen is (Mattheüs 18:10).

Het opdragen van kinderen

Bij het opgroeien probeert de duivel het geestje van het kind om te buigen om in hem te geloven. Daarom zullen twee met Gods Geest vervulde ouders voor hun kind op de bres moeten staan om het te bewaren voor de aanslagen van de satan. Daarom laten zij hun kind ook opdragen in het midden van de gemeente, zodat er een geestelijke muur om hun kind opgetrokken wordt en zij bidden dat de Heer zijn engelen bevelen zal dit kind in de onzienlijke wereld te blijven beschermen. Zoals de ouders in de natuurlijke wereld zorg dragen dat het kind niet met gevaren in aanraking komt, zo proberen zij dit ook in de geestelijke wereld te doen. Zo worden hun kinderen in en door hen geheiligd. Paulus schreef:

  • ‘Anders zouden immers uw kinderen onrein zijn (in contact staan met de duivel), maar nu zijn zij heilig’ (1 Corinthe 7:14).

Duidelijk wordt gezegd dat onze kinderen niet onrein, niet boos en niet slecht zijn, maar heilig, dat is afgezonderd van de ‘boze’ en er niet door beschadigd.

Wij zeggen niet dat zulke ‘natuurlijke’ kinderen ook kinderen van God zijn of opnieuw geboren, maar zij blijven door het geheiligd worden in de ouders beschermd tegen de duivel. Het is als met een goed plantje dat men in de grond brengt. De boer moet zorgen dat de groei niet belemmerd wordt door gebrek aan water, door onkruid en dat het zon en licht ontvangt. Wij moeten echter toegeven dat wij nog geen volledig inzicht hebben; dat onze kinderen bedreigd worden en door wie ze precies aangevallen worden. Wij constateren het feit soms te laat.

Als het kind heeft gelogen, gestolen of onreine dingen gedaan, beginnen wij te strijden. Onze geestelijke ogen zouden zo scherp moeten zien, dat wij de duivel zouden moeten opmerken, vóórdat deze zijn slag in het kind geslagen heeft. Wee de ouders, die hun kind niet heiligen, maar juist tot zonde verleiden en in aanraking brengen met de demonen. Jezus oordeelde:

  • ‘Het zou beter voor hem zijn als hij met een molensteen om zijn nek in zee werd geworpen dan dat hij ook maar een van deze kleinen ten val zou brengen’ (Lucas 17:2).

Het allerergste wat een volwassene kan doen, is een kind met de zonde in contact brengen of een geestelijke bres in een kind maken. Gelovige ouders zullen dit ongetwijfeld beamen, maar denken zij er ook aan dat dit geldt wanneer zij een driftbui ontladen op een kind of met hun zieke kindje naar een magnetiseur gaan of een amulet om zijn halsje hangen?

De mens is geen duivel

De natuurlijke mens is niet volkomen zwart. Hij kent natuurlijke liefde, barmhartigheid, vriendelijkheid, hulpvaardigheid en genade. Dit zijn eigenschappen die de Satan en zijn demonen absoluut missen. Men kan buren hebben, die de ware God niet kennen en die toch een voorbeeld zijn van goede menselijkheid. Paulus schreef in Romeinen 2:14-16:

  • ‘Want wanneer heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet zegt, zijn zij, hoewel zij de wet niet hebben, zichzelf tot wet (dus niet wetteloos!). Zij tonen dat het werk van de wet geschreven is in hun hart. Daar getuigt ook hun geweten van en hun gedachten onderling beschuldigen of ook verontschuldigen elkaar.’

Het is echter zo dat de demonen op één of meerdere sectoren van het leven binnengedrongen zijn en daar macht hebben. Zo’n sector wordt dan van groen, zwart. Zo kan men opmerken dat natuurlijke mensen zwaar gebonden kunnen zijn en een bepaalde zonde niet kunnen laten en toch tegelijkertijd liefde kunnen hebben voor hun vrouw en kinderen en zelfs de beste werknemers bij de slechtste werkgevers zijn. Ook al zou echter een natuurlijk mens niet gebonden zijn, wil dit niet zeggen dat hij ook behouden is. In de eerste plaats heeft hij door incidentele zonden zich een schat van schuld verzameld en in de tweede plaats neemt God alleen geestelijke mensen aan, die wandelen in een geestelijke wereld, geleid door Zijn Geest. Dit zijn de kinderen van God. Deze zijn vernieuwd in hun denken, omdat zij een vernieuwde geest hebben.

Vóór de zondvloed

Bij de ondergang van de eerste wereld wordt gezegd, dat zij aten, dronken, trouwden en werden uitgehuwelijkt. Er was dus hier sprake van zuiver natuurlijke zaken, die gericht waren op het natuurlijke leven. Maar geestelijk leven was bij deze mensen niet te vinden. God had in deze vleselijke mensen geen enkel aanknopingspunt meer, waardoor Hij nog door zijn Geest zou kunnen werken. Alleen in de eindtijd is sprake van ‘de zoon van het verderf’, ‘de mens van de zonde’, die in alle sectoren van zijn leven zwart is. Deze wetteloosheid kan echter niet lang duren, want de mens gaat hieraan ten onder.

Zonde is een geestelijke zaak en zij betreft allereerst de inwendige mens. Wanneer iemand een beker melk op zijn nieuwe vloerkleed morst, zegt men: dat is zonde. Dit is echter geen zonde, maar wel jammer. Sommigen zeggen dat zonde betekent: zijn doel missen. Ook dit is niet juist. Men verwisselt dan oorzaak en gevolg. Zonde is alles wat tegen Gods wetten ingaat. In 1 Johannes 3:4 staat: ‘Zonde is wetteloosheid’. Wanneer de inwendige mens niet naar Gods wetten functioneert, is dit zonde.

‘Wie bewust(!) zondigt, is een kind van de duivel’

Duidelijk wordt met deze tekst uit 1 Johannes 3:8 gezegd dat de zonde niet uit de natuurlijke mens voortkomt, maar dat hij slechts een medewerker is (geworden) van satans demonen. ‘Want de duivel zondigt vanaf het begin,’ dat wil zeggen, dat de oorsprong van de zonde bij de duivel ligt en niet bij de mens. De zonde begint in de gedachtewereld; in de begeerte en de wil van de mens. Wanneer de mens die in dienst stelt van de satan, kan deze zijn smerig werk openbaren. Ook God werkt door zijn Geest op dezelfde manier, want er staat: ‘Laat wie dorst heeft komen; laat wie dat wil, vrij drinken van het water dat leven geeft.’ Ook Gods Geest werkt niet buiten de wil en de ziel van de mens.

Wij zeggen daarom niet dat een zondaar een kanaal is van een boze geest, maar ook niet dat de opnieuw geboren mens automatisch een kanaal is van Gods Geest. Deze uitdrukking sluit het medewerker zijn en daarmee de verantwoordelijkheid van de mens uit. God schakelt levende mensen in om zijn geluk en zijn heerlijkheid in deze wereld te openbaren.