
- ‘Zo zal het ook gaan met deze verdorven generatie’ (Matth.12:45).
Wie kent niet de gelijkenis van de man die bevrijd werd van een demon van satan, maar tenslotte nog erger werd bezeten dan daarvoor? De demon gaat van de mens uit, zegt het verhaal. Hij zoekt rust, maar vindt deze niet. Hij keert terug naar het huis dat hij verlaten heeft en vindt het leegstaan en opgeruimd. Hij haalt er zeven andere demonen bij en neemt met hen samen opnieuw zijn intrek. Wat een tragedie!
De doop met Gods geest noodzakelijk om staande te blijven

De boodschap is duidelijk:
- ‘Wie van een demon bevrijd werd, moet zorgen dat hij ook vervuld wordt met Gods Geest, anders zou hij nog wel eens nóg meer gebonden kunnen raken’.
De Heer Zelf verbindt ook een les aan deze gelijkenis: ‘Zo zal het ook gaan met deze verdorven generatie’. Het is duidelijk wie Hij daarmee op het oog had. Enkele ogenblikken tevoren had Hij tot de Schriftgeleerden en farizeeën gezegd:
- ‘Dit is een verdorven en trouweloze generatie. Ze verlangt een teken, maar zal geen ander teken krijgen dan dat van de profeet Jona’.
Met zijn verhaal had de Heer de Joden op het oog, vertegenwoordigd in farizeeën en Schriftgeleerden. Jezus vergelijkt deze vrome Joden met een mens bij wie een demon was uitgegaan. De Heer legt geen enkel verband tussen dit verhaal en zijn eigen bediening in het uitdrijven van demonen. Als Hij dit wel had gedaan, zou dit betekenen dat duivelen uitdrijven alleen maar voor een korte periode effect zou hebben. Dat zou dan juist koren op de molen van de Joden zijn geweest. Zij merkten immers kort daarvoor nog op:
- ‘Hij drijft de boze geesten slechts (let op dit denigrerende ‘slechts’) uit door Beëlzebul, de overste van de geesten’ (vers 24).
Een dergelijk verhaal over de machteloosheid en de uitzichtloosheid van eigen bediening zou deze Joden alleen maar in de kaart gespeeld hebben. De Heer wilde door deze gelijkenis echter aantonen, dat de ‘bevrijding’ die deze Joden zelf uitvoerden, niet legitiem was. Dat zij dus de duivel met Beëlzebul probeerden uit te drijven. Dit verklaart de negatieve toepassing van deze gelijkenis. De Heer geeft geen enkele waarschuwing om op de een of andere manier aan het ‘einde, dat nog erger is dan het begin’ te ontsnappen. Alleen een onheilspellende, fatalistische profetie heeft Hij voor hen over:
- ‘Zo zal het ook gaan met deze verdorven generatie’.
Op welke manier hadden de Joden – en wel in het bijzonder de Schriftgeleerden en farizeeën voor wie deze gelijkenis bedoeld was – deze macht dan doen uitgaan? Als deze niet door de Heer uitgedreven werd, door wie dan wel? Het antwoord is: door wilskracht, door religieuze ijver, door fanatieke wetten!
613 Mitswot – Waardeloze geboden

Er is geen twijfel mogelijk dat de ‘godsdienstige’ mens de zonde tot op zekere hoogte de baas kan. Als hij maar bereid is om alles op alles te zetten. Men kan door verbeten wilsinspanning de duivel het leven zo zuur maken, dat deze maar besluit weg te gaan. De Joodse natie was hiervan het levende bewijs. De farizeeën waren erg fanatiek in het naleven van allerlei wetsvoorschriften. Met grote vastberadenheid hielden ze openbare zonden tegen. Dankzij deze inspanningen werd ook de brutale afgoderij in het land uitgebannen en werd het huis van het religieuze Jodendom op orde maakt en helemaal schoon gemaakt.
Helaas, dit alles was zinloos. Je kunt bepaalde zondemachten wel door inspanningen verdrijven, maar ze komen terug. En nog wel in veel gevaarlijker en geraffineerder vormen. De les die Jezus deze mensen dan ook leren wilde, is deze:
- ‘Hoe meer je je inspant om vrij te worden van de zonde, des te groter zal je gebondenheid aan de zonde worden.’
De demon die je door fanatieke wetten uitdrijft, komt terug. Hij beschouwt je nog steeds als zijn eigendom, hoe vroom je (vooral op zondagen en feestdagen) ook bent. ‘Ik zal terugkeren naar mijn huis’ zegt hij. En hij doet het. Met zeven andere geesten erbij. Met demonen van een ander gehalte, bozer, geraffineerder en gevaarlijker. Met geesten die zich in een goed geveegd huis best thuis voelen en die zich door religieuze wils inspanningen helemaal niet laten intimideren. Met demonen die aan de godsdienstigheid zelfs nog wel willen meedoen, omdat zij weten dat ze hun onrein werk onder de dekmantel van vroomheid rustiger kunnen voortzetten dan ooit tevoren. Met vrome geesten, die ‘vroom’ zijn en tegelijkertijd zeer onrein.
De farizeeën moeten begrepen hebben wat de Heer bedoelde. De gelijkenis die Jezus uitsprak, paste volkomen bij hen. Uiterlijk waren ze een en al vroomheid, maar van binnen een en al ongerechtigheid. Heel precies gaven ze hun tienden, maar tegelijkertijd buitten ze hun medemensen uit en aten schaamteloos de huizen van de weduwen op. Met intense uiterlijke devotie en precisie waren ze aan het bidden, maar in hun hart wisten ze dat ze dit alleen maar deden om door de mensen bewonderd te worden. Verontwaardigd belemmerden ze openbare zonden als overspel door de schuldige zo nodig te stenigen. Maar eigenlijk waren ze geen spat beter, vol onreinheid als ze waren.
De overspelige man (!) en vrouw

- ‘Wie van jullie zonder zonde is, wie van jullie op seksueel gebied helemaal recht staat, moet maar de eerste steen gooien’
Dit stelde de Heer hun voor toen ze eens een geval van overspel tot Hem brachten. Tegenover de reinheid die Jezus uitstraalde, vielen al deze vrome mannen door de mand. Kortom, de Heer gaf een nauwkeurig beeld van hun levenspraktijk: zij hadden zich een zekere vroomheid weten aan te meten, maar ‘het was met hen in het einde erger geworden dan in het begin’.
‘Christelijke’ religiositeit

De Schriftgeleerden en farizeeën uit Jezus’ dagen hebben hun les tot aan vandaag niet geleerd. En wat doen de kerken en de ‘zich christelijk noemenden’ met deze les? Ook al gaat het bij hen niet om Joodse, maar om christelijke religiositeit:
- Alle inspanningen om christelijk te leven, om heiligmaking na te streven, al hun afschuwelijke wetjes en vals christelijke ‘ijver,’ zullen hen niet kunnen bevrijden van satan en zijn demonen.
Toegegeven, het zal misschien best lukken om uiterlijk een vrome, gristelijke levensstijl aan te meten, maar dit is geen werkelijke bevrijding. Men kan uit alle macht het levenshuis proberen te vegen en op orde stellen, zelf het grindpad iedere zaterdag aanharken; het gras maaien en de ramen zemen (dat vindt de ‘HEEERE’ Jezus zo fijn…) maar de duivel komt terug en de gebondenheid en innerlijke zondigheid zal groter zijn dan voorheen, ondanks uiterlijke vroomheid.
Wettisch leven brengt geen werkelijke bevrijding. Alleen Jezus kan deze geven. Niet door wilsinspanning, maar door de kracht van zijn Naam kan men in staat zijn om de duistere geesten uit zijn leven te doen wijken en ervoor te zorgen, dat zij ook niet meer terugkeren. Alleen zo wordt men echt een vrij mens!