
1 Corinthe 12:9a
‘en aan een ander de gave van geloof, door dezelfde Geest,’ 9a.
De derde gave, die Paulus opnoemt, is die van geloof. Geloven is een functie van de geest, waardoor de mens dingen kan leren kennen die hij niet ziet. Daarom noemt men geloof wel de hand van de geest, waarmee deze zaken kan grijpen en vasthouden, die de mens niet zintuiglijk heeft waargenomen. Geloof heeft de mens ook in zijn natuurlijke leven nodig. Hij verrijkt dan zijn kennis bijvoorbeeld met wat er verteld wordt over landen waar hij nooit is geweest, over tijden die hij niet heeft meegemaakt en over alles wat buiten zijn eigen waarneming is ontstaan en gebeurd. Voor de natuurlijke mens zijn dat dingen die hem zijn verteld of die hij heeft gelezen en die hij nu als waarheid aanvaardt of als leugen afwijst.
Geloof hecht zich altijd aan een woord. In ieders leven zal het geloof moeten functioneren, wil men in het natuurlijke leven tot ontwikkeling komen. Dit begint al bij een kind dat goed moet luisteren naar wat zijn vader en moeder zeggen. Het moet hun woorden aanvaarden en er zijn voordeel mee doen. Wil een mens zich echter boven het natuurlijke leven uit ontwikkelen en met zijn geest zijn plaats innemen tussen de geesten in de onzienlijke wereld, dan heeft hij maar één middel om daar te leven, namelijk zijn geloof. Zintuiglijk kan hij in de hemelse gewesten niets waarnemen. De onzienlijke wereld is een geheimenis en de Bijbel spreekt over de verborgenheden van het Koninkrijk van de hemelen. Wanneer God Zichzelf niet door zijn woord, dus door een geestelijke uiting, had geopenbaard, zou de mens niets bezitten waardoor hij kennis en inzicht kan verkrijgen over de hemelse gewesten.
God hééft echter gesproken: in het oude en in het nieuwe verbond door profeten, maar bovenal in het nieuwe tijdperk door zijn Zoon Jezus. In het oude verbond kon God niet duidelijk spreken, omdat de profeten niet de inwoning van Gods Geest bezaten. Hun profeteren was daarom slechts zeer beperkt. Gods Geest kwam over hen en rustte van tijd tot tijd op hen, maar zij vormden niet één geest met Hem (1 Corinthe 6:17). Gods Geest kon hen slechts gebruiken naar de mate van het geloof van hun menselijke geest. Zo was bijvoorbeeld Jesaja geen arme van geest, ‘geen ongeletterd en eenvoudige man uit het volk’ (Handelingen 4:13), maar een persoon met een rijk gezegende geest die een groot geloof bezat en daarom door Gods Geest gebruikt kon worden om zulke koninklijke profetieën uit te spreken en zulke heerlijke gedachten van God door te geven, die hij overigens zelf niet alle begreep (1 Petrus 1:10-12):
- ‘Naar deze zaligheid hebben de profeten, die geprofeteerd hebben over de genade die aan u bewezen is, gezocht en gespeurd. Zij onderzochten op welke en wat voor tijd de Geest van Christus, Die in hen was, doelde, toen Hij tevoren getuigde van het lijden dat op Christus komen zou en ook van de heerlijkheid daarna. Aan hen werd geopenbaard dat zij niet zichzelf, maar óns dienden in de dingen die u nu verteld zijn door hen die u het Evangelie gebracht hebben door Gods Geest, Die vanuit de hemel gezonden is; dingen, waarin de engelen begerig zijn zich te verdiepen.’
Het leven van hen die de profeten geloofden en zich naar hun woorden richtten, werd wel verrijkt. Af en toe grepen ze dan ook iets uit de zuiver geestelijke wereld. De Hebreeënschrijver zegt in hoofdstuk 11 dat ze een getuigenis ontvingen dat zij God blij maakten op deze weg. Zo ontvingen deze gelovigen op aarde vaak machtige verhoringen en bevestigingen. Denk maar aan de jonge mannen in de brandende oven, aan Abraham die ondanks alles geloofde dat hij een zoon zou krijgen. Verder worden geloofshelden genoemd als ‘Gideon, Barak, Simson, David en Samuël, die door geloof koninkrijken onderworpen, gerechtigheid geoefend, de vervulling van de beloften verkregen hebben, muilen van leeuwen dichtgesnoerd, de kracht van het vuur gedoofd hebben’ (naar Hebreeën 11:32-34). Tot hen allen kon gezegd worden: ‘Groot is uw geloof’, maar het was een menselijk geloof en meestal op aardse vervulling gericht.
Aards gericht geloof zien wij tegenwoordig bij bepaalde ‘evangelisten en godsmannen’, die door het geloof nieuwe gebouwen krijgen, grote geldsommen verzamelen of kleren en schoenen voor hun kinderen op aardse manier verkrijgen. Hun geloof wordt dan op aarde ‘gehonoreerd’ en niet in de hemelse gewesten, omdat zij daar geen inzicht in hebben. De totaliteit van het Koninkrijk van de hemelen en de volle waarheid ontging de geloofshelden uit Hebreeën 11 en ook de oudtestamentisch ingestelde christenen zien hier niet de volle waarde van. De ouden stierven allen in het geloof dat er een ander tijdperk zou komen, waarin al de beloften van God realiteit zouden worden en vervuld zou zijn:
- ‘Ik zal wonderen geven in de hemel’. ‘In dat geloof zijn dezen allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben’ (Hebreeën 11:13).
In het nieuwe verbond komt het woord van God tot de mens door Jezus Christus. Hij openbaarde wél de verborgenheden van het onzienlijke Koninkrijk van de hemel. Hij was niet druk met aardse gebouwen en aardse goederen, maar concentreerde zich op de hoogste plaats in het Koninkrijk. Wij krijgen daarom de raad:
- ‘Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de Leider en Voleinder van het geloof’ (Hebreeën 12:2).
Jezus zelf begon pas te onderwijzen, nadat Hij Gods Geest ontvangen had, die kennis heeft van alle dingen, de zienlijke zowel als de onzienlijke. Gods Geest onderwees en leidde onze Heer Jezus in de volle waarheid, in het eeuwig evangelie (Openbaring 14:6). Van Hem zei de Vader: ‘Dit is Mijn geliefde Zoon, een Man naar mijn hart; luister naar Hem!’ (Mattheus 17:5). Hij bedoelde: geloof wat Hij zegt! Het geloof is immers uit het horen en het horen door het woord van Christus (Romeinen 10:17). Het geloof wordt dus gestimuleerd door de boodschap. Door Jezus werd de volle waarheid vertelt en zij die in zijn woord geloven en dit bewaren, dat is vasthouden, worden zijn volgelingen genoemd en worden behouden. Door het geloof van de menselijke geest kan men de woorden van Jezus aanvaarden, maar men kan zijn woorden ook niet geloven en ze dus als leugen verwerpen.
Veel naamchristenen geloven de leugen dat het geloof een bijzondere gave van God zou zijn, die Hij maar aan een kleine groep uitverkorenen geeft. Wie dit geschenk niet ontvangen heeft, is dan niet in staat het Koninkrijk van God binnen te gaan. Zij staven deze leer met een beroep op Efeziërs 2:8,9 waar staat:
- ‘Want uit genade bent u behouden, door het geloof en dat niet uit u, het is de gave van God; niet uit werken, opdat niemand zou roemen.’
Het woordje ‘dat’ ziet echter niet terug op geloof, maar op genade. Men zou hier ‘door geloof’ tussen haakjes kunnen zetten, want het geloof is het middel waardoor wij ons de genade toe-eigenen. Dan staat er:
- ‘Want door genade bent u behouden (door het geloof !) en dat niet uit uzelf; het is een gave van God.’
Het geloof is niet een genadegave of een geschenk, maar ons ‘behoud’ wordt ons uit ontferming geschonken. De vertaling Brouwer luidt:
- ‘Want het is uit genade, dat u door het geloof behouden bent. En dat is niet aan uzelf te danken, maar het is een geschenk van God’.
Let dus wel op, dat het gewone geloof geen charismatische gave is, evenmin als menselijke wijsheid en kennis hierbij horen. Iedere geest bezit geloof. Zelfs van de boze geesten wordt meegedeeld dat zij geloven kunnen (Jacobus 2:19). Het geloof moet zich echter richten op de Woorden van God.
De Thessalonicenzen hadden zich van de afgoden afgekeerd en van hen wordt geschreven: ‘Maar overal is uw geloof, dat zich op God richt, bekend geworden’ (1 Thess.1:8,9). Wanneer wij zeggen dat wij iemand geloven, moet deze eerst iets hebben gezegd. Als iemand veel gezegd heeft en wij dus veel van hem weten, kunnen wij ook veel geloof en veel vertrouwen in hem hebben.
Men hoort wel eens: ‘Dat is zo’n gelovige man of vrouw’. Dan vragen wij ons af: ‘Wat geloven ze dan? Zulke personen zullen veel beloften en toezeggingen van onze Heer moeten kunnen vasthouden, zodat die in hun leven worden gerealiseerd. Wanneer zij de onthullingen van de geheimenissen van het Koninkrijk van de hemel geloven, zullen zij ook veel kennis en wijsheid opdoen. Het is van belang zich te onderzoeken of men als christen wel in het ware geloof staat (2 Corinthe 13:5) en om de strijd aan te binden tegen iedere inspiratie die niet overeenstemt met de woorden van Jezus Christus en die van zijn betrouwbare apostelen.
Paulus zelf heeft deze strijd ook gekend en hij heeft tot het einde het geloof vastgehouden, ook al zag hij de volle vrucht er niet van. Hij zegt immers: ‘Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden’ (2 Tim.4:7). Door het geloof weten wij dat wij rechtvaardigen zijn en dat wij uit de macht van de duisternis verlost zijn en overgezet in het Koninkrijk van Jezus (Fil.3:20). Als rechtvaardigen zullen wij ons in dat onzienlijke rijk moeten oriënteren en daar functioneren. Dit kan alleen door gelóóf, zoals Habakuk 2:4 zegt: ‘De rechtvaardige zal door zijn (eigen) geloof leven’. En waar zal hij leven? Het antwoord is: in de onzienlijke wereld van het Koninkrijk van de hemel, want:
- ‘Het geloof nu is de zekerheid van de dingen, die men hoopt en het bewijs van de dingen die men niet ziet’ (Hebr.11:1).
Er is gradueel veel verschil onder (naam)christenen. Sommigen wankelen in het geloof. Ze grijpen eerst de woorden van God vast en dan laten ze deze weer los. Zij twijfelen, zijn ongelovig en kunnen geen enkele hemelse zekerheid vasthouden. Hun geloof is niet bestand tegen de druk en de misleiding van satans demonen, die vaak uit de omstandigheden willen bewijzen dat de Woorden van God niet zouden uitkomen. De demonen die op de menselijke geest van de christen aanvallen (Genesis 6:1,2), ziet hij niet, maar ze doen wel hun destructief werk in hem door ongeloof te stimuleren en daardoor het geestelijke leven af te remmen. Maar gelukkig hebben Gods kinderen die met Gods Geest zijn gedoopt, ook een bijzondere ondersteuning in hun geloof. Gods Geest ziet men evenmin als de boze geesten met zijn natuurlijke ogen, maar deze Geest werkt ook en wel positief. Hij heeft immers net als alle andere geesten ook geloof en wel een, dat zeer sterk en onwankelbaar is.

Gods Geest wil door Zijn geloof het geloof van de opnieuw geboren christen vermeerderen, stimuleren, opbouwen, sterk en krachtig maken. Deze werking van Gods Geest is een charismatische gave. Deze gave maakt het de christen mogelijk, ondanks alle tegenstand, de Woorden van God vast te houden en de vervulling van zijn beloften te verwachten en in alle vrede en rust te volharden. Zo’n door Gods Geest begenadigd persoon is met deze gave standvastig in het geloof en hij zal hierdoor ‘bergen verzetten in het hart van de zee’, dus boze geesten overwinnen en in de afgrond opsluiten. Dit niet alleen, maar voor deze geldt ook: ‘Alles is mogelijk voor hem die gelooft’. Geen wonder dat er dan sprake is, dat God door zijn Geest meewerkt door tekens en wonderen en veel krachten. Petrus en Johannes bezaten zo’n sterk geloof door Gods Geest gestimuleerd, dat zij door het geloof in de naam van Jezus, de Redder en hersteller, aan de verlamde bij de Schone Poort volkomen genezing schonken.
Ook lezen we in Handelingen over verschillende mannen van God, die ‘vol van geloof waren’ (Hand.6:5, 11:24). Vanuit dit geloof deed Stefanus wonderen en tekens en bracht Barnabas grote vertroosting in de gemeenten en werden grote menigten toegevoegd. Dank zij dit charisma van geloof kon deze leerling ook blijmoedig afstand doen van zijn akker, waarvan hij de opbrengst aan de voeten van de apostelen neerlegde. Bij de gave van het geloof wordt dus de hand van het menselijke geloof krachtig ondersteund door Gods Geest.
Niet alle gemeenteleden hebben deze gave van het geloof. Paulus schreef immers net als Johannes, aan vaders, jonge mannen en aan kinderen in het geloof, dus in de geestelijke wereld. Maar ieder die deze gave bezit, zal haar aanwenden in dienst van het geheel. Gemeenteleden met de gave van het geloof mogen een bijzondere plaats innemen, want zij zullen door hun voorbeeld de zwakken in het geloof aansporen vol te houden en niet af te zakken. Zij blijven de Heer verwachten en laten zich niet ontmoedigen, ook al laat het verlossend handelen van God soms op zich wachten.