5. Paulus over de terugkomst van Jezus

<<<<<

1 Thessalonicenzen 4:13-5:3

‘Maar wij willen u niet in het onzekere laten, broers en zusters, over hen die overleden zijn, zodat u niet verdrietig bent, zoals anderen die geen hoop hebben’ 13.

Paulus weet dat er vragen leven in de gemeente over mensen die overlijden voordat Jezus terug komt. Het begrip ‘eerste opstanding’ zei hen helemaal niets. In die tijd geloofde men in Israël namelijk dat overleden personen pas aan het eind van de tijd zullen opstaan. Denk aan de belijdenis van Martha toen haar broer Lazarus overleden was: ‘Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding op de laatste dag’ (Johan 11:24). Lazarus zou er dus niet bij zijn als de Heer terug kwam. Denk ook aan de uitspraak van Jezus over Johannes: ‘Wanneer Ik wil dat hij in leven blijft totdat Ik kom, is dat niet jouw zaak’ (Johan 21:22). Terwijl Jezus alleen maar Petrus corrigeerde (‘wanneer Ik wil … is het niet jouw zaak’), maakte men er uit op dat Johannes nog zou leven als Jezus weer terug zou komen. Jezus zou dus niet al te lang ‘weg blijven’, maar de mensen die intussen kwamen te sterven, zouden dat niet mee kunnen maken. De christenen uit de heidenen hadden ook veel moeite met het begrip opstanding. In Handelingen 17 lezen we hoe Paulus uitgelachen werd, toen hij in Athene sprak over de opstanding. Paulus gaat hun nu meer inzicht geven, zodat zij niet zonder hoop zijn.

‘Want als u gelooft dat Jezus is gestorven en is opgestaan, moet u ook geloven dat God ook hen, die al gestorven zijn, bij zich terug brengen zal, samen met Jezus zelf. Want wij zeggen u met een woord van de Heer: wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan’ 14,15.

Paulus wijst hen op hun geloof in Jezus’ sterven en opstanding. Als zij dit geloven, moeten zij ook geloven dat zij, die in Christus gestorven zijn, ook geestelijk al zijn opgestaan tot een nieuw leven (Romeinen 6:4). Hun overlijden verandert daar niets aan. Als Jezus terug komt, zullen ook zij terug keren.

Vervolgens beschrijft Paulus de volgorde van alles wat er gebeurt bij Jezus’ terugkomst. Dat doet hij met de woorden: ‘een woord van de Heer’. Hij bedoelt daarmee dat hij hier inzicht heeft gekregen door wat de Heer tegen hem gezegd heeft. Paulus beschrijft hier twee groepen: de achterblijvers en de doden. De vertaling spreekt hier over ‘wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer’. Dat zou de indruk wekken dat Paulus verwacht dat hij nog leeft als Jezus terug komt.

Andere vertalingen hebben het echter over ‘zij die onder ons nog in leven zijn’. Dat komt meer overeen met wat Paulus schrijft in het volgende hoofdstuk: ‘De terugkomst van Jezus komt op een moment dat men het niet verwacht’. Hoe dan ook: de achterblijvers hebben geen ‘voorsprong’ op hen die al overleden zijn als Jezus terug komt.

De opname van de gemeente

‘Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden, die bij Christus horen, opstaan en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan we in de lucht de Heer tegemoet. Dan zullen we altijd bij Hem zijn. Troost elkaar met deze woorden’ 16-18.

Paulus beschrijft hier wat er gaat gebeuren bij de parousia (aanwezigheid of komst) van Jezus. Hij benoemt deze komst ook in de 2e brief aan de Thessalonicenzen, als hij zegt:

  • ‘Op die dag komt Jezus om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die in Hem geloven’ (2 Thess.1:10).

Opnieuw geboren en met Gods Geest vervulde christenen groeien uit tot zonen van God. Wanneer aan het einde van deze periode het teken van de Mensenzoon verschijnt en de gemeente voltooid is, wordt de Heer zichtbaar in zijn gemeente. Op dat moment roept de aartsengel met luide stem: ‘Klim hierheen op!’ Op dat moment klinkt de zevende bazuin (Openbaring 11:15-19). De overleden gelovigen hebben dan hun onsterfelijk lichaam gekregen.

Terwijl Jezus neerdaalt met de gemeente van opgestane gelovigen van het nieuwe verbond, veranderen de nog levende gelovigen in een ‘punt des tijds’, zodat ook zij een onsterfelijk lichaam krijgen en zich bij Jezus kunnen voegen. ‘Weggevoerd worden’ betekent dat ze worden toegevoegd aan de verheerlijkte gemeente, die ook genoemd wordt in 1 Corinthe 15:51,52. Deze verandering gaat supersnel, letterlijk in een ‘atomos’, een ondeelbaar ogenblik. Het woord ‘atoom’ betekent dat wat niet verder te delen is. De ontmoeting met de Heer ‘in de lucht’ staat symbool voor de opname in de onzichtbare, geestelijke wereld. De wolken zijn daarbij het beeld van de gemeente. Zij krijgt dan een lichaam dat zowel zichtbaar als onzichtbaar kan zijn.

Paulus sluit deze uitleg af met de woorden: ‘Dan zullen we altijd bij Hem zijn. Troost elkaar met deze woorden’. Wat een troost en bemoediging voor de Thessalonicenzen en voor ons: Vanaf dat moment zijn we voor altijd bij de Heer. Andere vertalingen gebruiken voor het werkwoord ’troosten’ ‘vermanen’ of ‘bemoedigen’. Paulus wil hier dus zeggen: Hou dit allemaal in gedachten en spreek elkaar hier op aan als iemand een andere visie probeert op te leggen. Want dit is de echte troost: we worden we nooit meer van Hem gescheiden.

‘Maar broers, over de tijden en gelegenheden hoef ik u niet te schrijven, want u weet zelf immers heel goed dat de dag van de Heer komt, zoals een dief in de nacht’ (1 Thess.5:1,2).

Nadat Paulus al veel geschreven heeft over de terugkomst, maakt hij hier nog duidelijk dat niemand precies weet wanneer Jezus terug komt. Hij spreekt over tijden en gelegenheden. Jezus zelf zegt daarover:

  • ‘Het is niet jullie zaak om te weten wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze gebeurtenissen zullen gebeuren’ (Handelingen 1:7).

‘Tijden (chronos) en gelegenheden (kairos)’ verwijzen enerzijds naar het tijdperk, de periode van de parousia of de tegenwoordigheid van de Heer onder zijn volk in de laatste dagen en anderzijds naar het moment van zijn verschijning.

‘De dag van de Heer’ betekent: de periode waarin Jezus scheiding gaat maken tussen ware en valse gelovigen, tussen de ontrouwe kerk, de vrouw op het beest en de ware gemeente, de vrouw van het Lam. In het Oude Testament beschrijven de profeten de ‘dag van de Heer’ als een tijd van oordeel, waarin slechts een klein deel behouden blijft. Verder zegt Jezus over het tijdstip van zijn komst:

  • ‘Zoals een dief in de nacht’ en ‘op een uur, dat u het niet verwacht, komt de Mensenzoon’ (Matthijs 24:36-44).

De uitdrukking ‘zoals een dief in de nacht’ wordt ook gebruikt door Petrus (2 Petrus 3:10) en in de Openbaring van Johannes (Openbaring 3:3 en 16:15). Een dief roept een zeer negatief beeld op, een dief in de nacht helemaal. In veel vertalingen is het woord ‘zoals’ weggelaten. Deze teksten geven allemaal aan: Wees alert, bereid je voor, anders word je door de komst van Jezus verrast. Net als bij een dief zal dat geen aangename verrassing zijn, tegenover mensen die wél hierop voorbereid zijn. Jezus komt dus niet stiekem zijn volk ophalen, integendeel: ‘Elk oog zal Hem zien’ (Openbaring 1:7).

‘Terwijl de mensen zeggen dat er overal rust en vrede, worden ze plotseling getroffen door een plotseling verderf, zoals een zwangere vrouw door barensweeën overvallen kan worden. Vluchten is dan onmogelijk’ 3.

Zwangere vrouwen bereiden zich meestal voor op het moment van de bevalling. Ze kunnen uitrekenen wanneer het ongeveer gaat gebeuren. Maar toch is het nooit met zekerheid te zeggen wanneer de bevalling op gang komt. De weeën beginnen daarom toch heel vaak onverwachts. Zo onverwachts zal Jezus ook terug komen, onverwachts voor de mensen die zich er niet op voorbereid hebben. Ze denken dat het allemaal wel lekker loopt. Er heerst een gevoel van vrede en schijnveiligheid. Zo zijn de meeste kerkgangers best tevreden….

  • Maar de meesten kennen geen echte vrede met God. Het enige Bijbels fundament is immers bij hen vrijwel niet meer gelegd. Zij zijn meer op de aarde gericht dan op het leven zoals God het wil. Van hen kan gezegd worden: ‘Het zal zijn zoals in de dagen van Noach‘ en ‘zij aten, zij dronken en zij trouwden’. De komst van Jezus zal hen dan ook overvallen, dit geldt ook voor de ongelovigen.

De komst van Jezus gaat gepaard met wat Paulus noemt ‘een plotseling verderf’. Veel vertalingen spreken over ’totale vernietiging’ en noemen dit ‘de straf van God’. Maar de profeet Ezechiël beschrijft het als ‘stromende regen, hagelstenen en stormwind’ – beelden van demonen die de mensen onverwachts aanvallen (Ezechiël 13:10-16). Op het moment dat de opnieuw geboren kinderen van God ongelooflijk blij zijn omdat Jezus terug komt, gaan de valse kerken onverwachts ten onder. In Lucas 21:34 kondigt Jezus deze onverwachte ondergang al aan. In Openbaring 18:19 beschrijft Johannes de vernietiging van Babel, beeld van de valse kerk, met de woorden: ‘Zij is in één uur verwoest!’ Zij, die nooit bewust voor God gekozen hebben, kunnen dan niet meer ontkomen.

>>>>>