
De schrijver van deze laatste brief, die in de nieuwtestamentische canon (lijst van boeken) is opgenomen, is Judas, een broer van Jacobus. Hij is dus niet de apostel Judas, de zoon van Jacobus, van wie bijvoorbeeld in Handelingen 1:13 gesproken wordt. Hij is een halfbroer van Jezus en een broer van Jacobus. Jacobus was de schrijver van de brief Jacobus en in de oudchristelijke kerk was hij een leidinggevende figuur, in het bijzonder in de gemeente te Jeruzalem. In Mattheüs 13:55 worden de halfbroers van de Heer genoemd: Jacobus, Jozef, Simon en Judas. Judas is dus waarschijnlijk de jongste van de broers. Hij maakt zichzelf niet bekend als broer van Jezus, maar als zijn dienstknecht, net zoals Jacobus dit doet.
Stonden de broers bij het begin van de boodschap van Jezus nog sceptisch tegenover de Heer, nu blijkt dat zij Hem werkelijk als hun verlosser en Heer hebben aangenomen en hem niet meer kennen naar het vlees, maar alleen als geestelijke Meester. In deze brief komt veel overeen met wat Petrus in zijn tweede brief heeft geschreven. Sommige uitleggers concluderen op grond van vers 18 (waar de brief van Petrus letterlijk wordt aangehaald, 2 Petrus 3:3), dat Judas de brief van Petrus gelezen had en daarom ditzelfde thema nog eens behandelt.
Inleiding brief
‘Judas, een dienstknecht van Jezus Christus en broer van Jacobus, aan de geroepenen, die door God de Vader zijn geheiligd en die door Jezus Christus worden bewaard’ Judas:1.
Judas richt zijn brief tot de geroepenen. Dit zijn degenen die Jezus hebben aangenomen en die nu als opnieuw geborenen overgezet zijn van de duisternis naar het Koninkrijk van Jezus Christus. Zij zijn de mensen die geluisterd hebben naar de roepstem van God en daarom speciaal geliefden zijn van de Vader. Zij zijn degenen van wie Jezus zegt ‘die U Mij gegeven hebt’. Zij worden geheiligd en toegerust om de Heer te dienen als levende stenen in de tempel die Christus in de onzienlijke wereld bouwt.
‘Mogen barmhartigheid en vrede en liefde voor u vermeerderd worden’ 2.
Deze geroepenen hebben de barmhartigheid van God al ervaren door de schuldvergeving en de verlossing. Zij kennen al de vrede met God, zoals Paulus schreef: ‘Wij zijn dus als rechtvaardigen aangenomen op grond van ons geloof en leven in vrede met God’. Zij kennen zijn ontfermende liefde, omdat God de Vader positief is ingesteld t.o.v. alle mensen, maar speciaal t.o.v. de kinderen van God. Zij weten ook hoe met Gods Geest de liefde van God in hun harten is uitgestort en een vernieuwing van denken en leven is begonnen. Judas bidt hen toe dat al deze ervaringen met God in hun leven worden vermenigvuldigd of groot zullen worden, zodat zij zich hoe langer hoe meer kunnen ontplooien als kinderen van God in het Koninkrijk van Jezus Christus.
Bijbehorende artikelen: