9a. Lamp en olie

<<<<<

In deze gelijkenis wordt ons verteld dat er een grote groep christenen is, die zich opstellen voor de volgende fase in het Koninkrijk van de hemelen, namelijk voor de terugkomst van de Heer en het daarop volgende herstel van alle dingen. In deze gelijkenis gaat het niet om de verhouding tussen Jezus en de gemeente als man en vrouw. Dit is weer een ander beeld.

12 beelden van de gemeente

Er zijn veel beelden in de Bijbel om de nauwe band tussen de Heer en zijn gemeente uit te drukken. Van een bruid of van een vrouw wordt in deze gelijkenis niet gesproken. Het gaat hier om genodigden die naar het feest komen, waarvan een gedeelte de feestzaal binnengaat én een gedeelte op het kritieke moment door gebrek aan voorbereiding verstek moet laten gaan. Dit beeld is ontleend aan een gewoonte in Israël, waarbij de bruidegom met zijn vrienden in de avond uit het dorp ernaast de bruid met haar vriendinnen komt afhalen. Vanwege de grote hitte begint het feest pas na zonsondergang. De komst wordt echter vertraagd tot diep in de nacht. De bruidsmeisjes hebben de lampen aangestoken, maar tijdens het lange wachten brandt de olie geleidelijk op. Een deel van de meisjes heeft nog olie in de kruiken, maar de andere meisjes niet. Het is niet mogelijk de voorraad met elkaar te delen, want dan zou er voor alle tien niet genoeg olie zijn. Maar zonder licht kan de laatste afstand niet worden afgelegd. Daarom kunnen de verstandige meisjes, die goed voorbereid zijn en de nodige voorraad olie in hun kruikje bij zich hebben, aan de bruiloft deelnemen. 

Het gaat hier dus niet om een nauwkeurige verklaring te geven van de personen: bruidegom, vrienden van de bruidegom, bruid en vriendinnen, maar om te illustreren hoe in de eindtijd velen, die Jezus verwachten, tóch buitengesloten worden en hoe het komt dat anderen wel binnengaan tot het feest van hun Heer. Het gaat over een scheiding tussen degenen, die uittrokken met de lamp in de handen, als beeld van het Woord van God, om de bruidegom te ontmoeten.

Er komt dus een schifting tussen christenen, die op grond van de beloften in de Bijbel de Heer verwachten. Allen houden zich vast aan 1 Corinthiërs 16:22: Maranatha, onze Heer, kom! Het komt er dus op aan om tussen deze mensen onze houding te bepalen, zodat wij niet horen bij de dwazen die het voorgestelde doel niet bereiken. Wij willen horen bij hen die goed voorbereid hun Heer verwachten en de feestzaal binnengaan (Op.22:20).

‘Vijf van hen waren dwaas, de andere vijf waren wijs. Want de dwaze namen haar lampen mee, maar geen olie’ 2,3.

De lamp is in Psalm 119:105 een beeld van het Woord van God: ‘Uw Woord is een lamp voor mijn voet’. Er is geloof voor nodig om deze lamp te laten schijnen in een duistere plaats. Veel mensen zijn in het bezit van de Bijbel, zelfs wel van meer dan één. Zij lezen erin, maar alleen wanneer zij in geloof de beloften van God aanvaarden, beginnen deze te werken. De dwaze meisjes zijn niet ongelovig. Zij geloven in bekering en de nieuwe geboorte en verwachten ook de terugkomst van de Heer, maar de meesten van hen aanvaarden niet de volle raad van God en geloven niet in de volle waarheid.

Deze zogenaamde christenen geloven niet in de doop met Gods Geest, zij zijn niet bezig met de geestelijke gaven, die beslist nodig zijn om stand te kunnen houden in de kwade dag. Zij bidden niet ‘om regen in de tijd van de late regen’. Jezus beschreef hen als zij die geen extra voorraad olie bij zich hadden. Daarom konden ze in de diepste duisternis noch geestkracht, noch geloof opbrengen. Zij zijn niet opgewassen tegen de aanvallen van de machten van de duisternis. Zij zijn blijven steken bij de voorhof, maar die voorhof wordt prijsgegeven:

  • ‘Maar laat de buitenste voorhof van de tempel erbuiten en meet die niet, want die is aan de heidenen gegeven. En zij zullen de heilige stad vertrappen, tweeënveertig maanden lang’ (Op.11:2).

De doop met Gods Geest, zoals Jezus die zelf ook ontving, ontvangt de opnieuw geboren christen door het geloof in het Woord van God. Jezus zei over Gods Geest, ‘die zij die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden’ (Joh.7:39). Hij beloofde dat de Vader Zijn Geest zou geven aan hen, die Hem erom zouden bidden (Luc.11:13). Vrijwel alle kerken verwerpen de doop met Gods Geest. Dat is vreemd, omdat de Bijbel zelf daarover spreekt. Johannes de Doper sprak over Jezus als Degene, die ons zou dopen met Gods Geest en met vuur’ (Matth.3:11).

Jezus’ verzoeking in de woestijn

Nadat Jezus Gods Geest ontvangen had, ‘werd Hij door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel’. Dit was zijn doop in vuur. Wie niet gedoopt is met Gods Geest, is ook niet bestand tegen de doop met vuur, want hij heeft noch de kracht, noch de gave om de machten van de duisternis te weerstaan. De kwade dag komt, hij verschijnt met vuur, dat wil zeggen met de volledige openbaring van het rijk van de duisternis (2 Petr.3:7-12). 

De grote verdrukking

De meeste naamchristenen weten wel dat satans demonen in de laatste dagen in de hemelse gewesten ontbonden en losgelaten worden op de aarde. Zij leren – om de doop met vuur te ontlopen – dat de gemeente vóór de grote verdrukking opgenomen zal worden. Zij weigeren de olie van Gods Geest, die door het geloof ontvangen kan worden, in hun kruiken te doen. Daarom hebben zij geen extra geloof en geen extra kracht om, op grond van extra beloften voor de eindtijd, te kunnen volhouden tot het einde. Zij denken te kunnen deserteren zónder geestelijke strijd en te kunnen binnengaan zonder loutering en beproeving. Zij willen wel gaan juichen voor de troon, maar ‘de vuurgloed die tot beproeving dient’ en die hen ‘waardig maakt om te staan voor de Mensenzoon’, willen zij langs deze dwaalweg fijntjes ontlopen. Gerieflijk boven op de wolken zitten met harpjes, is immers veel genoeglijker dan eerst de strijd aangaan met de satan op aarde!

Zij waren dwaas

Jezus noemt hen, die de lamp van de Woorden van God in de hand hebben en die uitgetrokken zijn om Hem te ontmoeten, toch kort en krachtig dwaas, omdat zij het onzienlijke Koninkrijk van de hemelen veranderen in een aardse zaak. Zij hebben geen inzicht in de geestelijke wereld. Zij gebruiken de beelden letterlijk. Zij spreken graag over ‘gouden straten’ en over een ‘lichtstad’, die zij ingaan door ‘poorten van parels’. Zij zitten daar dan op ‘gouden tronen’ of zingen bij het ruisen van ‘gouden harpen’. Deze gouden instrumenten geven in hun oren dezelfde heerlijke muziek als voor sommige mensen het rinkelen van goudklompjes op een Australische weegschaal. Hun ‘hemelvaart’ in een ‘punt des tijds’ is een ruimtevaart langs sterren en planeten en heeft niets te maken met een ingang in het onzienlijke, eeuwige rijk van God.

Sprookjes

Verder hebben zij hun toekomstleer geassocieerd met een ongeestelijk, onbekeerd en natuurlijk volk Israël, met een aardse stad, aardse tempel, aardse priesters en zelfs weer aardse en zichtbare offers. Hun tijdperkenleer plakt daarbij alles ‘passend’ aan elkaar… Zij schrijven niet over het herstel van de mens door de zonen van God, maar over het herstel van het Romeinse rijk. Zij verafgoden het volk Israël in zijn aardse strijd en bewonderen zijn ‘Heldendaden’, maar de strijd in de hemelse gewesten is hun onbekend. Bij een foto van een opmarcherend deel van het moderne Israëlische leger publiceerde de redacteur van zo’n aards Israël aanbiddende site een artikel over de tekst uit Ezechiël 36:26: ‘Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste…’

Hun bedelingenleer zegt over de heerlijkste beloften van God: ‘Niet voor ons en niet voor deze tijd, maar dit was voor vroeger of dit is voor de Joden in het duizendjarige rijk’. Veel van hun liedjes over het ‘uitzicht van de bruidsgemeente’ zijn sentimenteel en horen met hun bewieroking van de heroïsche strijd van de Israëliërs bij de valse romantiek. Deze meisjes zijn dwaas! Zij geloven in de meest fantastische verhalen over de opname van de gemeente:

  • De talloze geopende graven spreken dan een indringende taal. Stel u een kerkhof voor, waar velen bij elkaar zijn om iemand te begraven en plotseling gaan er enige graven open. Zij die daar onder begraven waren, verlaten door de lucht het kerkhof. Is degene die men juist begraven heeft een kind van God, dan wordt de zerk opgeheven en de dode verdwijnt plotseling. Wat een paniek! Ja, de opname zal de christenen de ogen openen, zoals geen enkele gebeurtenis ooit tevoren, maar dan is het te laat…!’
  • De verklaring van Lucas 17:34-36: ‘Ik zeg u, in die nacht zullen er twee in één bed zijn, de een zal aangenomen, de ander achtergelaten worden. Twee vrouwen zullen samen bezig zijn met malen, de ene zal aangenomen, de andere achtergelaten worden. Twee zullen op het land zijn, de een zal aangenomen, de ander zal achtergelaten worden’ is: ‘Hier wordt de vader van het gezin gemist, daar de moeder, het middelpunt van het gezin…”
  • Denk aan de trein, waarvan de machinist plotseling ‘opgenomen wordt’. Hij heeft geen tijd gehad om af te remmen, de trein rijdt met een rampzalig gevolg door het rode stopsignaal.
  • Een moeder doet boodschappen, een verkoopster helpt haar. De tas met boodschappen is ingepakt, het geld ligt klaar, maar plotseling is de klant verdwenen en de verkoopster is sprakeloos van verbazing. De andere kant van de medaille is echter, dat velen plotseling rijk worden, omdat zij de nalatenschap ontvangen van hen, die in een punt des tijds veranderd zijn.

De Messias in het aardse Israël?

De maranathaleer, zoals deze in de Angelsaksische landen gebracht werd en in Nederland door de vrije evangelische richting blindelings wordt gevolgd, geeft de zogenaamde christen van vandaag weinig visie, want zij mist het ruime inzicht van het Koninkrijk van de hemelen en het machtige perspectief van de herschepping en het opgroeien tot de mannelijke volwassenheid. De meeste kerkmensen denken Oudtestamentisch: wanneer iets tot hen komt uit de onzienlijke wereld (ook het kwaad!) zeggen zij dat het van God komt. Zij die deze dwaze leer daarom blijven vasthouden, zijn dwazen en blinden, want wat is meer: het Israël van God of het natuurlijke Israël, de dingen die men niet ziet en die eeuwig zijn, of de dingen die men ziet en die bij het voorbijgaande horen? Daarom zullen alle oordelen, uitgesproken op de Olijfberg, ook komen over dit dwaze geslacht. God houdt immers alles in Zijn hand, ook toen toen zijn Zoon door Israël verworpen werd.

Zij waren wijs

‘De wijzen namen met hun lampen ook olie mee in hun kruikjes’ 4.

De wijze maagden kennen echter de eeuwige gedachten van God. Zij zijn vernieuwd in hun denken. Zij weten van het eeuwige plan van God. De wijze meisjes zijn diegenen die Gods Geest hebben ontvangen, die kennis en inzicht hebben in de onzienlijke wereld, die de krachten van de toekomende eeuw geproefd hebben. Zij kennen de liefde van God in het herstel van de geschonden mens, zij hebben zodoende een schat verzameld hebben in de geestelijke wereld.

Jezus kwam om de mensen de ogen te openen, zodat zij het goede en het kwade zouden kennen. Hij opende de weg die omhoog voert, door de onzichtbare wereld. Hij sprak over God de Vader, over de heilige engelen van God en ontmaskerde tijdens zijn leven de vijanden van God en de mens. Hij stelde de mensen ook het doel voor ogen dat de Vader met hen had in de geestelijke wereld. Zij zouden daar op schorpioenen en slangen trappen en de vijandelijke legermacht onderwerpen (Marcus 16) om daarna tot alle goede werken volkomen toegerust, met Jezus te heersen over al de werken van zijn handen (2 Tim.3:16,17). De wijze meisjes hadden door het gebruik hun zintuigen geoefend in het onderscheiden van goed en kwaad’ (Hebr.5:14).

Daarom herstellen zij het fundament van de tempel van God in al zijn delen: bekering, geloof in God, waterdoop, doop met Gods Geest en met vuur. Zij leggen de handen op zieken, op gebondenen, op kinderen, op allen die zij in de onzienlijke wereld claimen voor het Koninkrijk van God en wie zij een zegen wilden meegeven. Zij hebben de juiste visie over de opstanding van de doden en over het eeuwige oordeel, dat is de volledige scheiding tussen goed en kwaad. Paulus zei: ‘Naar de genade van God, die mij gegeven is, heb ik als een kundig of wijs bouwmeester het fundament gelegd’ (1 Cor.3:10). Dit fundament noemde hij Jezus Christus, omdat ieder van de genoemde delen zijn oorsprong heeft en zijn kracht ontleend aan het werk van Jezus Christus. Dit fundament wordt gelegd in de harten van zijn volk door het gelovig aanvaarden van het gebrachte Woord van God. Jezus Christus accepteren betekent het hele fundament uit Hebreeën 6:1,2 aanvaarden!

Jezus als voorbeeld

Vijf meisjes waren wijs, omdat zij veel geestelijke kennis verzameld hadden en veel geloof hadden in wat zij wisten en het door de kracht van God ook konden toepassen in hun leven, zoals in Jacobus 3:13 staat: ‘Wie van u kan wijs en verstandig genoemd worden? Laat hij het daadwerkelijk bewijzen door een onberispelijk leven en door wijze zachtmoedigheid.’ In dit alles hadden zij Jezus tot een voorbeeld. Zij volgden Jezus in zijn denken vanuit de onzienlijke wereld, spraken zoals Hij en deden de werken zoals Hij. De dwazen verwierpen de methodiek van Jezus Christus in het uitdrijven van demonen en in zijn genezingen. Maar Jezus zei: ‘Als Ik door Gods Geest demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen’ (Matth.12:28). De dwazen luisterden niet, maar de wijzen volgden Hem na.

De wijze meisjes hadden de wijsheid van boven, die van de onzienlijke wereld: zij aanvaardden de woorden van God in geloof, zij realiseerden dit door de kracht en de gaven van Gods Geest. Zij wisten dat zij tegen de verdrukking in de kwade dag bestand zouden zijn, als dit alles in hen functioneerde. Zoals de wijze maagden een kannetje olie extra bij zich droegen, zo heeft de wijze christen door geloof extra geestkracht en geestelijke gaven, die in het bijzonder geschikt zijn om midden in de duisternis te gebruiken.

‘Omdat de bruidegom op zich liet wachten, werden ze allemaal slaperig en dommelden ze in’ 5.

Wie slaapt, beweegt zich alleen nog maar in de onzienlijke wereld. In de zichtbare wereld worden geen prestaties geleverd. Als de avond vordert, verdwijnen de zichtbare manifestaties van het christendom. Zowel de dwaze als de wijze maagden sluimeren in en er is uiterlijk weinig verschil tussen hen merkbaar. Wie ziet dat de wijzen voorbereid zijn om straks bij de komst van de bruidegom hun licht te laten schijnen en hem te volgen in de nacht? Wie merkt in de zichtbare wereld op dat de dwaze maagden bezig zijn de laatste krachten van hun geloof en hun laatste geestkracht op te gebruiken? Jezus beschreef in dit beeld de situatie van de wijze opnieuw geboren christenen en de dwaze naamchristenen. De laatsten meenden stellig dat de bruidegom zou komen voordat de nacht viel. Daarom hadden zij geen maatregelen genomen om te kunnen volhouden in de duisternis, wanneer de demonen zich ongeremd in al hun slechtheid zouden openbaren (2 Petr.3:4). Zij meenden al vóór deze duistere periode, dus vóór de grote verdrukking, de bruiloftszaal binnen te kunnen gaan. Zij sliepen en merkten niet dat de tijd vorderde en dat de wateren van de zondvloed van de occulte demonen al snel over de aarde zouden gaan. Toen zij ontwaakten, was het te laat.

De olie van het geloof in het héle Woord van God

Ook de slapende wijze meisjes zagen nog geen duidelijke manifestaties van de kracht van het beest uit de zee wat vandaag zijn koppen opsteekt, maar zij geloofden wat Jezus en de apostelen hierover voorspeld hadden. Daarom hadden zij de waarschuwingen van serieus genomen om zich voor te bereiden voor de kwade dag. Zij geloofden net als Noach, die ook niets zag van regen en waterstromen, maar toch de ark maakte en zo zijn maatregelen nam. De wijzen geloofden in de kwade dag waarover de Heer gesproken had en het enige middel om niet om te komen, hadden zij bij zich. Zij hadden op het kritieke moment olie bij zich om hun lampen brandende te houden. Zij verwachten niet dat de bruidegom zou komen om hen vóór de verdrukking weg te halen, maar ze rekenden erop dat hij midden in de nacht (beeld van grote, geestelijke duisternis) zou komen en dat zij hem dan met brandende lampen tegemoet zouden gaan. Zij bezaten de olie van het geloof in het héle Woord van God. In de onzienlijke wereld werden zij steeds sterker, hoewel hier naar buiten uit weinig van te zien was. Innerlijk werden zij strijdvaardiger, zodat de satan tenslotte met meer tot hen kon doordringen.

De wijze meisjes kenden de belofte: ‘Wie overwint, hem zal Ik maken tot een zuil in de tempel van mijn God en hij zal daar niet meer uit gaan’ (Op.3:12). Dat hadden ze in eigen leven ervaren. Zij konden steeds beter de aanvallen van de satan weerstaan.

Slapen

De periode van ‘slapen’ is niet spectaculair en naar buiten opvallend. Tijdens dit ‘slapen’ maakt de gemeente in de hemelse gewesten haar proefwerken en haar tentamens, zodat zij aan het einde van de dag met goed gevolg examen kan afleggen. Uiteindelijk zullen de zonen van God geopenbaard worden, bij hen schijnt hun lamp helder ‘in het middernachtelijke uur’. Het Woord van God zal dan duidelijk in de zichtbare wereld gerealiseerd worden (Op.11:1-11). Johannes beschreef in de Openbaring deze rusttijd op aarde:

  • ‘Daarna zag ik vier engelen staan aan de vier hoeken van de aarde, die de vier winden van de aarde vasthielden, zodat er geen wind zou waaien over de aarde’ (Op.7:1).

Nu is er nog uiterlijke rust en is het verschil tussen wijzen en dwazen niet duidelijk zichtbaar. Het is het tijdperk vóór de storm die over de aarde losbreekt en waarin God bezig is de gemeente te verzegelen met Gods Geest, die aan het ‘einde van de dag’ zal zorgen voor een reserve van geloof en kracht. Veel kinderen van God hebben in deze ‘rust’ wel een zware geestelijke strijd te voeren. Levend in de wereld vol wetteloosheid, moeten zij nu al bewijzen dat zij vast staan in het geloof, zodat zij ‘waardig zullen worden geacht om te staan voor Mensenzoon’ om later met hun Heer op de troon van God over al de werken van zijn handen te kunnen regeren. Het is nu de tijd dat het geloof beproefd en het geduld geoefend wordt, want door geloof en geduld erven zij de beloften (Hebr.6:12).

Wanneer Petrus spreekt over deze ‘onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis’ dus het ingaan in de bruiloftszaal, zegt hij:

  • ‘Wees daarom blij, ook al wordt u nu voor een korte tijd – als het nodig is – te maken krijgt met allerlei verzoekingen. Zodat de beproeving van uw geloof – die van groter waarde is dan die van goud, dat vergaat en door het vuur beproefd wordt – mag blijken te zijn tot lof en eer en heerlijkheid, bij de openbaring van Jezus Christus’ (1 Petr.1:6,7).
  • Jacobus zegt: ‘Heb geduld, broers en zussen, tot de Heer komt. Wees net zo geduldig en hou moed, want de Heer zal spoedig komen.’ Hij spreekt hier over de vroege en de late regen, waarop de geduldige landman wacht (Jac.5:7,8).

>>>>>