8. Dag en uur onbekend

<<<<<

‘Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen’ Matth.24:35.

De onzichtbare en de zichtbare wereld zullen, wanneer alles gebeurd is, enorme veranderingen ondergaan. De structuur van de hele schepping zal dan volkomen veranderd zijn. Er staat: ‘want wat er eerst was, is voorbij.’ ‘Hij die op de troon zat zei: ‘Alles maak Ik nieuw!’ (Op.21:4,5). De tegenwoordige hemel en aarde zullen voorbijgaan, zoals de winter of de duisternis. Niet bedoeld wordt, dat zij zullen verdwijnen, maar dat de oude schepping niet te vergelijken is met de herboren, nieuwe schepping. Aarde en hemelen zullen wankelen, maar wat Jezus gesproken heeft, zal gebeuren. Zijn woorden zijn alleen vast en worden vervuld, voordat dit einde komt. Wie de uitspraken van Jezus loslaat en gaat zien op omstandigheden, raakt in de war en verliest iedere zekerheid. ‘De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid’ (1 Joh.2:17). Alleen het Koninkrijk van God is onwankelbaar (Hebr.12:27).

‘Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken, ook de hemelse engelen en de Zoon niet, alleen de Vader weet het’ 36.

Het plan van redding en herstel is van de Vader uitgegaan. Hij ziet nauwkeurig toe, hoe alles tot ontwikkeling komt. In de schepping en in de herschepping berust niets op hocus pocus. Alles heeft een ontwikkelingsgang en komt tot rijpheid en tot volle ontwikkeling. Daarom mogen wij de hoop tot het einde toe resoluut vasthouden en hoeven we ons niet bang te laten maken door de dingen die komen gaan. Wij zien naar de heerlijke toekomst, zoals een kind al groeiende en lerende uitziet naar de volwassenheid, zonder dat dit hem bang of onrustig maakt. Er komt een nieuwe volheid van de tijd, maar hiervoor geldt:

  • ‘Het is niet jullie zaak om te weten wat de (tijdloze) Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze dingen zullen gebeuren’ (Hand.1:7).

Tijden en gelegenheden

  • ‘Heer, gaat u dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen?’ Hij antwoordde: ‘Het is niet jullie zaak om te weten wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze dingen zullen gebeuren’ (Hand.1:6,7).

Niemand kent het tijdstip, waarop de strijd in de hemelse gewesten voor de gemeente beëindigd is. Niemand weet in verband met het onderwerp dat Jezus behandelt (namelijk de ontwikkeling van de ware en de valse kerk) wanneer de uiteindelijke beslissing valt en de goeden van de bozen gescheiden worden. Niemand kan dus de dagen aftellen. Ook de geest van de profetie moet wat betreft tijd en tijdstippen, dit loslaten, want noch de engelen noch de Zoon zijn ervan op de hoogte. Ook de duivel weet het ogenblik niet, wanneer hij gebonden wordt en in de afgrond opgesloten (Op.20:1,2). Hij weet alleen dat hem een beperkte tijd rest. Het berust op een dwaling om, uitgaande van de getallensymboliek in de Apocalypsis, berekeningen te maken over de eindtijd. Ook zij die vertrouwen op de uitspraken van zogenaamde charismatische personen met profetische gave, vergissen zich. God alléén weet waar het einde van de weg is. Waar Hij zijn gedachten over deze dingen niet geopenbaard heeft, weet ook het vleesgeworden Woord van God, Jezus Christus (Joh.1:1) die aan het hart van de Vader is, hier niets van.

De zondvloed als beeld

Het woord zondvloed betekent grote vloed. Zoals eenmaal de wateren de aarde massaal bedekten en de mensen omkwamen, zo zal in de eindtijd een vloed van vuur of van demonen over de aarde komen, namelijk de grote verdrukking. Vanuit de hemelse gewesten, waar satan zijn macht uitoefent en vanuit de afgrond van het dodenrijk en waar Apóllyon de supervisie heeft, zullen Satans demonen de aarde overstromen. Zoals in Noach’ s tijd de sluizen van de natuurlijke hemel en de kolken van de grote waterdiepten geopend werden, zo zullen in de eindtijd de sluizen van de geestelijke hemel en de sluizen van de geestelijke afgrond opengaan. De massa’s leden van de ontrouwe kerk zullen tegen deze frontale aanval van dwaling, leugen, ziekte en zonde niet bestand zijn en zij komen in deze wateren om. Maar zoals Noach in gehoorzaamheid aan God zijn voorbereidingen getroffen had en met zijn gezin in de ark behouden werd, zo zal ook de ware gemeente die gedoopt is met Gods Geest en in gehoorzaamheid leeft naar het Woord, tegen deze zondvloed van vuur bestand zijn en behouden worden.

Als in de dagen van Noach

‘Zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het zijn wanneer de Mensenzoon komt. Want zoals men in de dagen voor de vloed alleen maar bezig was met eten en drinken, met trouwen en uithuwelijken, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging, en zoals men niet wist dat de vloed zou komen, totdat die kwam en iedereen wegnam, zo zal het ook zijn wanneer de Mensenzoon komt’ 37-39.

De gesteldheid van de harten van de leden van de afvallige, ongeestelijke kerken komen overeen met die van de tijdgenoten van Noach. Zij probeerden in hun rationalisme en materialisme alleen het natuurlijke leven in stand te houden en te cultiveren (eten, drinken en trouwen). Echt geestelijk leven wordt bij hen niet meer gevonden. Dan spreekt de Heer over dat ‘geslacht’:

  • ‘Mijn Geest zal niet altijd twisten met de ontrouwe, weerspannige kerken, omdat haar leden enkel vlees zijn’.

Zoals Noach zijn voorbereidingen trof om gered te worden uit de grote catastrofe, zo bereiden ook de opnieuw geboren kinderen van God met het enige Bijbels Fundament, zich voor. Het is de tijd van de komst van de Mensenzoon, zijn ‘parousia’, of tegenwoordigheid. Naar de profetie van Joël wordt Gods Geest dan met grote kracht uitgestort in de zonen en dochters van God. Het is de tijd dat de Heer in zijn gemeente gezien wordt: in haar gehéél gestalte krijgt: ‘Christus in u, de hoop van de heerlijkheid’. Haar leden bereiken het doel van het plan van God, de volkomen volwassenheid van de innerlijke mens. In de gemeente van de eindtijd zal gezien worden hoe Gods inwonende Geest de leden gelijkvormig maakt aan het beeld van de Mensenzoon.

Noach bouwde in het open veld en op droge grond op Gods bevel de ark. Dit was zo’n aanstootgevende onderneming dat allen, die hem bij dit werk observeerden, medelijdend het hoofd schudden. Zo is ook deze voorbereiding van de kinderen van God een dwaasheid in de ogen van het grote Babylon. Deze dwaalkerk haat dit jagen naar het doel van de volmaaktheid. Zij belijdt daarbij ook nog dat wij ‘allen’ zondaar blijven tot de dood (hun geliefde boekje). Zij aanvaardt ook niet voor hen die geloven, dat de Heer aan de Vader een gemeente zal voorstellen zonder vlek of rimpel. Zij gelooft niet en duldt niet, dat de ware gemeente het voorgestelde doel bereikt. Zij merkt de opkomende vloed van satan niet, maar is vandaag zelfs zijn grootste, aardse helper.

De zonen van God worden echter openbaar en dan is de ark klaar, dat is het beeld van de ware gemeente van Jezus Christus. In zijn gelijkenissen zei de Heer dat in de oogsttijd tot de maaiers gezegd zal worden: ‘Breng het koren in mijn schuur’ (Matth.13:30). Meestal voegt men in zijn gedachten vóór het woordje schuur het bijvoeglijke naamwoord ‘hemelse’. Het resultaat van zulke bijvoegingen is dan, dat men zo’n tekst van haar kracht berooft en vervaagt tot iets ondefinieerbaars. Gods schuur is het beeld van de gemeente net als de ark waarover in onze tekst gesproken wordt. Zoals de ark langzamerhand vorm kreeg in de dagen van Noach, zo wordt de gemeente in de eindtijd zichtbaar in de wereld.

Aangenomen of verlaten?

‘Dan zullen er twee op het land aan het werk zijn, van wie de een zal worden meegenomen en de ander achtergelaten. Van twee vrouwen die samen aan de molen draaien, zal de ene worden meegenomen en de andere achtergelaten’ 40,41.

De tijd komt dat de Heer scheiding zal maken tussen hen van wie de wandel in de hemel is en hen die aardsgezind zijn. Er zijn mensen die in het natuurlijke leven nauw aan elkaar verbonden zijn, maar het front van God stoort zich niet aan aardse bindingen. De scheidslijn ligt in de onzienlijke wereld. Wie aan de kant van God staat en in Christus de uitverkorene is, wordt gered. Wie de wereld liefheeft en bij de mensen gezien wil worden en niet ingepast is in het plan van God, gaat verloren.

De voorhof prijsgegeven

Aan de ene kant van de kloof geldt: de een zal aangenomen worden tot zoon van God en aan de tegenovergestelde kant: de andere zal achtergelaten worden. Het woord ‘achtergelaten’ wordt ook vertaald door ‘verlaten’. In Mattheüs 23:38 wordt hetzelfde woord ook vertaald door ‘prijsgegeven’: ‘Zie, uw Huis wordt aan u prijsgegeven’ (Vert. Brouwer). Zij die in de eindtijd niet vervuld zijn met Gods Geest en zich niet geheel op de hemel georiënteerd hebben, worden verlaten of prijsgegeven aan Satans demonen. Wie met de Canisiusvertaling leest: ‘De een wordt opgenomen, de ander achtergelaten’, kan denken aan het opnemen in de ark of in de schuur, beelden van de gemeente. Opgenomen als gastvriend, zoals het Griekse woordenboek zegt. De overigen worden achtergelaten om aan het vuur (de demonen) te worden prijsgegeven. In Lucas 17:34 staat nog in dit verband:

  • ‘Ik zeg u, in die nacht zullen er twee in één bed zijn, de een zal aangenomen, de ander achtergelaten worden’.

Hier is sprake van de nauwste band die er in het menselijke leven bestaat. Deze is niet alleen natuurlijk, maar ook geestelijk, want het mensenhuwelijk is gebaseerd op geestelijke en morele wetten. Wie bijvoorbeeld de huwelijksband breekt, geeft blijk geen voldoende geest te bezitten (Mal.2:15). Zelfs de band van lichaam, ziel en geest is niet sterk genoeg om de getrouwden voor eeuwig bij elkaar te houden. Daarvoor is alleen beslissend het één-geest-zijn met de Heer. Wij wijzen erop dat men uit onze tekst niet lezen moet, dat van ieder echtpaar één aangenomen en één achtergelaten zou worden. Echtparen, die samen op één bed zijn en samen willen staan voor de Mensenzoon, zullen beiden worden aangenomen tot zonen (en dochters!) van God.

Wees waakzaam

‘Wees dus waakzaam, want u weet niet op welke dag uw Heer komt’ 42.

De zondvloed kwam voor de ongehoorzamen als een dief in de nacht en maakte een einde aan een tijdperk van geweld en willekeur. Er was heerszucht en een zoeken naar eer en macht. Omdat men geesteloos was, heerste het recht van de sterkste, zoals in de dierenwereld. Ook verzadigden zij zich aan wat de aarde te bieden had. In de brief van Judas wordt dit soort mensen als type gesteld voor de leden van een afvallige kerk:

  • ‘Dezen zijn schandvlekken bij uw liefdemaaltijden, zij die zonder schroom samen feesten om zichzelf te weiden…, wandelende naar hun begeerten, maar hun mond spreekt hoogdravend, als zij om hun eigen voordeel de mensen in hun gezicht vleien’.

Henoch en Noach

De ongeestelijke leiders geven gewetenloos toe aan hun perverse lustgevoelens, net als vandaag op grote schaal gebeurt. Zij zijn vol vrome praatjes, spelen graag in op de gevoelens van de massa en willen door deze vooral geëerd worden, what’s new? Tegenover hen staan mannen als Henoch (zij zochten hem) en Noach, die boodschappers van de gerechtigheid genoemd worden. Dezen leefden door het geloof in de woorden van God. Zij hielden rekening met de dingen die zij niet zagen. Noach werkte aan zijn behoud door het maken van de ark. De mensheid had echter nergens erg in, want zij leefde als de inwoners van Sodom in valse rust (Lukas 17:29,30). Nadat Noach in de ark gegaan was en de Heer de deur achter hem en de zijnen gesloten had, gingen nog zeven dagen voorbij, zonder dat iets gebeurde. Wat een week van geloofsbeproeving!

In de eindtijd zullen de brengers van de gerechtigheid de kinderen van God tot het uiteindelijke doel van de volkomenheid voeren. Voor hen geldt: ‘Die velen tot gerechtigheid hebben gebracht, zullen stralen als de sterren, voor eeuwig en altijd’ (Dan.12:3). In de laatste ‘opwekkingsbeweging’ zullen drie dingen in hun volheid gevonden worden, die in vorige revivals veelal gemist werden, namelijk waarheid, gerechtigheid en kracht van Gods Geest.

Voorzorgmaatregelen nemen tegen de boze dag

‘Besef wel: als de heer van het huis had geweten in welk deel van de nacht de dief zou komen, dan zou hij wakker gebleven zijn en niet in zijn huis hebben laten inbreken. Wie is dan de trouwe en verstandige knecht, die zijn heer over zijn personeel aangesteld heeft om hun het voedsel in het juiste seizoen te geven? Gelukkig is die knecht die door zijn heer bij zijn komst zo handelend aangetroffen zal worden. Voorzeker, Ik zeg u dat hij hem over al zijn bezittingen zal aanstellen. Maar als die slechte knecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer blijft nog lang weg en zou beginnen de andere knechten te slaan en te eten en te drinken met de dronkaards, dan zal de heer van deze knecht komen op een dag waarop hij hem niet verwacht en op een uur dat hij niet weet; en hij zal hem in stukken houwen en hem doen delen in het lot van de huichelaars; daar zal gejammer zijn en tandengeknars’ 43-51.

In een gelijkenis maant Jezus ons nu tot uiterste paraatheid. Als de Heer van het huis wist, dat men proberen zou bij hem in te breken, ook al was het uur van de inbraak hem onbekend, dan zou hij niet weggegaan zijn en niet zijn gaan slapen. Wakker zijn betekent voorzorgmaatregelen nemen tegen de kwade dag. Het veronderstelt dat men zich wapent tegen de dief, de duivel, die komt om te stelen en te doden. Alleen de doop met Gods Geest en de ontplooiing van de geestelijke gaven kan de mens in de eindtijd behoeden voor een ondergang vanwege de demonische invasie, want daardoor wordt men krachtig in de Heer en in de sterkte van zijn macht.

Fanatiek bezig zijn op aarde, maar niet in de hemel

Wanneer de Heer zegt: ‘In die nacht’, wijst dit in geestelijke zin op zware tijden. De zogenaamde zich ‘christelijk noemende’ heeft zich echter geheel naar de aarde gekeerd. Zijn rusteloze inspanningen nemen hem zo in beslag, dat hij geen tijd heeft voor het Koninkrijk van God en juist niet waakzaamheid is in de hemelse gewesten.

Het komen van de Mensenzoon wijst op zijn parousia. Deze zal onverwacht gebeuren, maar het volk van God wordt opgeroepen zich toe te bereiden. Dan komt de scheiding. Men wordt een prooi van de dief die al het huisraad steelt, dat wil zeggen dat lichaam, ziel en geest in dienst komen te staan van de demonen van satan, óf de gelovige ervaart de tegenwoordigheid van Jezus Christus in zich en hij wordt door de werking van Gods Geest gelijkvormig aan zijn beeld.

Als in de dagen van Noach

In Mattheüs 24 hoorden wij hoe de verwoesting van het aardse Jeruzalem beeld was van de ondergang van de ontrouwe kerk. Allereerst gaat een nooit bekeerd naamchristendom onder, dat geen waarachtig geestelijk leven heeft en geen gedachte kent, aan een opkomende zondvloed van demonische machten. Het enige Bijbels fundament is in geen kerk gelegd. Haar leden zijn als de tijdgenoten van Noach:

  • ‘Etende, drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging en zij niets merkten, voor de zondvloed kwam en hen allen wegnam’.

De wan is in de handen van de Heer en de eerste groep, die er door valt, zijn zij die wereldgelijkvormig zijn en geheel in de natuurlijke dingen opgaan. Het grote Babylon kent geen toebereiding en geen voorbereiding, dus ook geen waakzaamheid. Daarom wordt tijdens het oordeel alle huisraad weggesleept door de dieven en moordenaars uit de hemelse gewesten. Wij zien dit in onze tijd op grote schaal gebeuren!

>>>>>