De terugkomst van Jezus

De ontmoeting met Hem in de lucht

De Parousie, of de komst van Jezus Christus, is voor de opnieuw geboren en Geestvervulde christenen het belangrijkste onderwerp van de eindtijd. In het bijzonder voor de toekomstige generatie. Dan staan de ontslapenen op tussen de doden uit. De gelovigen die dan nog op de aarde zijn, ondergaan naar het lichaam zo’n verandering, dat het opgenomen of geabsorbeerd wordt in het geestelijk lichaam (1 Cor.15:52). Met dit verheerlijkte lichaam gaan deze laatsten, Jezus tegemoet in de lucht. De gemeente zal dan voor altijd volmaakt met Hem verenigd zijn.

Armageddon, de plaats waar de troepen samenkomen

De terugkomst van Jezus Christus valt voor zijn gemeente samen met de climax van de strijd in de hemelse gewesten, waarvan de apostel Paulus in Efeziërs 6:12 spreekt. Het centrum van de strijd is dan Armageddon. Dit woord betekent: de plaats waar de troepen samenkomen, namelijk die van de antichrist en die van Christus. Dit bij elkaar brengen van de legers van vriend en vijand wordt door de apostel Johannes als volgt voorspeld: hij zag drie onreine geesten uitgaan:

  • ‘Geesten van duivelen die tekens doen, die uitgaan naar de koningen van de hele wereld, om hen te verzamelen tot de oorlog op de grote dag van de almachtige God. Zie, Ik kom (voor de onwetenden) als een dief.
  • Gelukkig is hij die wél waakt en zijn kleren bewaart, zodat hij niet naakt wandelt en zijn schaamte niet gezien wordt (vanwege het ontbreken van het kleed van de gerechtigheid). En Hij (onze komende Heer Jezus Christus) verzamelde hen (zijn rechtvaardige volk) op de plaats die in het Hebreeuws genoemd wordt Armageddon’ (Op.16:14-16).

Wat betekent het woord lucht?

Allereerst is er de vraag: wat houdt het in als men volgens 1 Thessalonicenzen 4 de Heer tegemoet gaat in de ‘lucht’? Alle mensen zijn immers door de dampkring omringd en men ontmoet de medemensen altijd in dit onzichtbare mengsel van gassen. Moet men dan als een vogel wegvliegen of zich boven de kerkspitsen verheffen? Moet men denken aan laaghangende wolken of aan cirruswolken van kilometers hoogte? Zulke natuurlijke uitleggingen kunnen de opnieuw geboren christenen niet bevredigen, want het gaat bij de terugkomst van de Heer over volkomen geestelijke mensen die in een verheerlijkt lichaam zijn en die het Hoofd van de gemeente, Jezus Christus, zullen ontmoeten. Het advies van de apostel geldt ook in deze zaak: ‘Bedenk de dingen die boven zijn’. Het woord ‘boven’ ziet op het Koninkrijk van God, waar Christus is (Col.3:1,2).

Beeldspraak over geestelijke zaken

De woorden ‘lucht’ en ‘boven’ zijn beelden uit de natuurlijke wereld, waarmee de dingen van de geestelijke wereld worden vergeleken, net als bijvoorbeeld met de woorden ‘licht’ en ‘duisternis’. In Efeziërs 2:2 gebruikt Paulus de uitdrukking ‘de heerser over de machten in de lucht.’ Het Griekse woord ‘aër’ (vergelijk het met het Engelse woord ‘air’ of lucht) wordt ook in verband met de terugkomst van de Heer genoemd. Paulus denkt bij deze heerser aan de satan, die door Jezus enkele keren met ‘overste van deze wereld’ wordt aangeduid (Joh.12:31; 14:30; 16:11). Als ‘overste van de demonen’ oefent hij macht uit in dat deel van de onzienlijke wereld dat in het bijzonder in betrekking staat met de aarde en de mens (Matth.9:34). Overste van de lucht is een goede vergelijking, want de lucht hoort wezenlijk bij de aarde en bij de mens. 

De ‘overste van de lucht’ bepaalt vaak de bedorven ‘atmosfeer’ die er op aarde bij de mensen is. Zijn ‘luchtmacht’ wordt gevormd door de geesten die nú aan het werk zijn in de kinderen van de ongehoorzaamheid’: zijn demonen én de helpers op aarde, zeer slechte mensen (2 Petrus 2). Vergelijk ook ook het grote wereldfeest wanneer de 2 getuigen worden vermoord (Op.11:10).

Strijd tegen de demonen van satan in de lucht

In Efeziërs 6:12 staat dat de leden van de gemeente hun strijd niet moeten voeren tegen bloed en vlees, maar tegen satans demonen in de hemelse gewesten. Paulus bedoelt in het bijzonder hiermee dat deel of dat gewest van het Koninkrijk van de hemelen, dat bij de aarde hoort en dat vergeleken kan worden met de lucht:

  • De Statenvertaling: ‘tegen de geestelijke boosheden in de lucht’.
  • De Leidse vertaling: ‘met de boosaardige geesten in het luchtruim’.
  • De Canisiusvertaling: ‘tegen de boze geesten in de lucht’.

Burgers van het koninkrijk van God

De volgelingen van Jezus hebben hun geestelijk burgerschap echter niet in de lucht, maar in de hogere gewesten en wel in het Koninkrijk van God, te vergelijken met het luchtledige van het universum. De aarde ligt immers wel onder de vloek, dat wil zeggen dat zij overgegeven is aan satans demonen, maar dit geldt niet voor het heelal. Bij de strijd tegen de demonen van satan verheffen de burgers van het rijk van God hun harten of innerlijke mens en nemen zij hun positie in. Dan vallen zij de vijand van bóven aan, want deze moet onder hun voeten zijn als beeld van onderworpenheid. Daarom spreken zij de vijand ook aan in de taal, zoals Gods Geest die in hen is geeft uit te spreken.

De Heer tegemoet in de lucht

De achtergeblevenen worden samen met de opgestane gestorvenen op of liever ín wolken weggevoerd, de Heer tegemoet in de lucht. Opnieuw is er sprake van een beeld. Wanneer het water op de aarde verdampt, stijgt het onzichtbaar omhoog en vormt dan wolkenformaties. Het is een mooie vergelijking van de innerlijke mens van de gelovige die deel uitmaakt van een rijk in de hemelen. Denk hierbij aan een grote wolk van getuigen, die er bij de komst van Jezus zal zijn (Hebr.12:1). De gestorvenen die zijn opgestaan en zij die op de aarde achterbleven, worden dan verenigd tot één wolk: ‘Toen zag ik dit: een witte wolk en daarop zat iemand die eruitzag als een mens. Hij had een gouden krans op zijn hoofd en een scherpe sikkel in zijn hand’ (Op.14:14). De oogst van de aarde is dan geheel rijp, zowel het onkruid als het tarwe. De Mensenzoon heeft zijn strijdbare leger verzameld om de antichrist met zijn leger op het terrein van de duivel te verslaan.

Uit de hemel geworpen

Jezus zei tegen de 72 uitgezonden leerlingen, die bij hun terugkeer met blijdschap getuigden, dat zelfs de boze geesten zich aan hen hadden onderworpen:

  • ‘Ik zag de satan uit de hemel vallen. Zie, Ik heb u macht gegeven om slangen en schorpioenen te vertrappen en tegen het hele leger van de vijand; en niets zal u enig kwaad doen’ (Lucas 10:18,19).

Wie over de demonen wil heersen en ze bij zichzelf of anderen wil uitdrijven, zal zich bewust moeten zijn van zijn macht en niet van zijn aangeprate ónmacht. Hij zal bij het priesterlijke geslacht moeten horen en van Koninklijke huize moeten zijn. Hij zal in het geloof zeggen: ‘Ik ben een koning, ik overwin’ (1 Petr.2:9). Hij kán ook de vijand overwinnen, omdat hij meerder en sterker is, want: hoe kan iemand het huis van een sterke binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden?’ (Matth.12:29). De Geest van God zal hem daartoe krachtig bijstaan en helpen.

18 eeuwen slaven van satan

Waarom zijn in de voorbij gegane eeuwen zo weinig overwinningen geboekt en waarom zijn de uitdrukkingen ‘overwinnaar’ en ‘meer dan overwinnaar’ uit het spraakgebruik van de kerkgangers verdwenen (de martelaren niet meegerekend)? In Openbaring 12:10 staat dat de duivel de aanklager van de broers en zussen is voor God. Hoe voert hij dag en nacht deze taak uit? Verlaat hij de luchtlaag om voor de troon van God zijn negatieve rol te vervullen? Nee, het gaat veel eenvoudiger. De duivel is de grote misleider en als de vader van de leugen, dé inspirator van de verkeerde gedachten. Wanneer een gelovige in een geestelijke worsteling verwikkeld is, nadert hij tot God in zijn gebed. Hij beweegt zich in het Koninkrijk van God. Maar wat gebeurt er meestal?

  • ‘Ik ben niets, ik kan niets, voor mij is het niet…’

De doorsnee kerkganger gaat zichzelf aanklagen, beschuldigen en verwerpen. Hij wil bewust niet weten dat de satan door hem heen zijn negatieve gedachten aan het spuien is. Hij belijdt (levenslang!) dat hij: 

  • verdoemenswaardig is,
  • hij maakt zichzelf zo klein mogelijk,
  • vergelijkt zich met een worm,
  • een druppel water,
  • deurmatje,
  • de achterkant van een borduurwerkje…’

Hij zucht:

  • ‘Ik ben een zondaar tot de dood toe en de zonde kleeft mij altijd aan. Ik ben niets, ik heb niets en ik kan niets. Van nature ben ik onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Ik ben zelf slecht, want de zonde is een wezenlijk bestanddeel van mijn innerlijke mens; daarom ben ik onmachtig tot het goede’ (Belijdenisgeschriften, Heidelberger, Rome).

Hij belijdt dat hij eigenlijk een medewerker is van de satan en geestelijk aan hem verwant, ja zelfs aan hem ondergeschikt is. Het eeuwenoude zaad van de vrouw belijdt niet de eeuwige vijandschap met de slang, maar zegt: Wij zijn allemaal zondaars…’ Zo’n naamchristen spreekt continu over de kleinheid van de mens, die toch in Gods plan voor de troon is bestemd. Hoe kan God nu ooit met zulke naamchristenen de oorlog winnen? Volgens hun eigen belijdenis zijn ze niet in staat te strijden en zeker niet in staat om te overwinnen. Zij bewaren niet het kleed van de gerechtigheid, maar wandelen naakt en tonen vandaag openlijk hun schaamte. Zij spreken niet uit het geloof maar uit de negatieve ervaring. Ze zijn geen overwinnaars, omdat ze niet geloven wat God zegt.

‘De satan komt en vindt niets in hen’

In de eindtijd zullen echter de zonen van God verschijnen, die volkomen vernieuwd zijn in hun denken. Van hen wordt gezegd:

  • ‘U bent zijn sterk en het woord van God blijft (wél) in u en u heeft de satan overwonnen’ (1 Joh.2:14).
  • Er staat ook: ‘Zij hebben de aanklager overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis’ (Op.12:11).

Deze gelovigen maken opnieuw de grote werken van God bekend (Hand.2:11). Zij vermorzelen de kop van de slang want zij snoeren diens bek dicht met de Woorden van God. Zij laten de demonen niet toe te spreken (Marcus 1:34). Zij belijden: wij zijn rechtvaardig door Zijn bloed. Door de kracht van Gods Geest die in hen is en die hun tot helper is, brengen zij de vijand onder hun voeten. Zij werpen, net als de apostelen, demonen uit in de naam van Jezus. Om die reden is de satan uit de hemel geworpen en is hij neergesmakt op zijn eigen terrein, de lucht. Een christen die in zonde leeft of door dwalingen is misleid, verliest (wanneer hij zich niet bekeert) ook onherroepelijk het burgerschap in de hemel. Het Koninkrijk van God wordt van hem weggenomen en hij valt uit de hemel. Hij kan immers niet meer belijden:

  • ‘Ik ben een burger van een rijk in de hemelen, waaruit ik ook mijn Heer Jezus Christus als Verlosser verwacht, die mijn vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmee Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen (Fil.3:20,21).

Hij heeft geen opdracht meer voor Armageddon, omdat hij in eigen Armageddon de verliezer is. De Heer zegt tot zo’n onverschillige of ongelovige: ‘Bedenk van welke hoogte u gevallen bent en bekeer u’ (Op.2:5). In de eindtijd zullen de overwinnaars echter zeggen: de overste van de lucht komt tot ons met zijn influisteringen, maar vindt in ons enkel positieve gedachten van God. De satan komt en vindt in hen niets, dus geen enkele aansluiting.

Oorlogsrumoer in de lucht – Opnamesprookjes

De gedachte dat de Heer zijn gemeente plotseling wegnemen zal en dat zij dan ‘op lieflijke wijze ver van het strijdgewoel naar zaliger oorden verplaatst wordt’, is bedacht door een schijnchristendom dat geen inzicht heeft in de strijd in de hemelse gewesten. Men spreekt dan wel over een ontsnappingstheorie, maar die is dan wel in flagrante tegenstelling met wat Paulus in het hoofdstuk over de toekomst van de Heer zegt. Hij wijst daar op drie begeleidende verschijnselen van de parousie: De Heer zal neerdalen op een teken, bij het roepen van een aartsengel, bij de klank van een bazuin van God. In ‘The epistles of St. Paul’ door Conybaere staat: Want de Heer zelf zal neerdalen van de hemel met de oorlogskreet’. De Lutherse vertaling luidt ‘met een veldgeroep’. Letterlijk kan men lezen: in of tijdens een krijgsgeroep. Toen Mozes en Jozua van de Sinaï afkwamen, zei Jozua tot Mozes: ‘Er is een krijgsgeschreeuw in de legerplaats’. Hij vergiste zich echter in dit ‘teken’, want het was het signaal van een feestgedruis. Tijdens dit teken daalden zij beiden af (Ex.32:15-18). De Heer zal van de hemel neerdalen tijdens krijgsgeschreeuw, dat door zijn volk op aarde wordt aangeheven.

Veel eeuwen zijn voorbijgegaan zonder dat kerkmensen oorlog voerden in de hemelse gewesten. Wat wist men van het uitdrijven van demonen, die toch alle ellende op aarde veroorzaken? Wat wist men van een wandel in de hemel, een zich verheffen van de innerlijke mens tot God, om vanuit deze hoge positie de demonen in de lucht aan te vallen? In de tijd van de late regen komen echter de 144.000 verzegelden tevoorschijn (Op.7:1-8), die met de apostolische opdracht uitgaan, namelijk om macht en gezag over de demonen van satan te hebben en om ziekten te genezen. Zij worden uitgezonden om het Koninkrijk van God te brengen en te genezen (Lucas 9:1,2). Deze grote menigte van mannen en vrouwen, die het getal van de apostelen uitdrukken, redden miljoenen uit alle volken, stammen, talen en natiën. Hierdoor komen zij in de grote verdrukking in de tijd van de antichrist, maar zij gaan door met de heilige oorlog en hun krijgsgeroep wordt in de hemel vernomen.

Ten tweede daalt Jezus neer in of tijdens ‘het geroep van de aartsengel’ (Can.Vert.). Niet alleen de aarde, maar ook de hemel wordt bewogen. De heilige engelen beginnen niet met de oorlog, want ze zijn dienaars en wachten het teken af om de heiligen op aarde bij te staan. Eeuwenlang heeft de slang het zaad van de vrouw de hiel vermorzeld, zodat het volk van God slechts moeizaam kon voorttrekken. Nu gaat het echter de strijd aanbinden, met hulp van de hemelse wapenuitrusting en met kracht van omhoog.

De draak vervolgt Jezus’ gemeente

Wanneer de zonen van God de vijand aanvallen zoals Jezus en de apostelen dit eenmaal deden, helpt Michaël, de grote vorst, hen. Dit is de tijd van benauwdheid, zoals er niet geweest is, sinds er volken bestaan (Dan.12:1,2). Deze oorlog is immers geheel geestelijk. In Openbaring 12:7-9 staat in de Canisiusvertaling:

  • ‘Toen barstte een strijd in de hemel los: Michaël met zijn engelen streed tegen de draak; ook vochten de draak en zijn engelen. Maar de laatsten legden het af, er was geen plaats meer voor hen in de hemel. De grote draak werd neer gesmakt, de oude slang, die duivel en satan heet en de hele aarde verleidt; neer gesmakt op de aarde en zijn engelen met hem’.

Elke aanklacht verstomt. Vervolgens staat er: ‘De duivel is tot u neergedaald in grote grimmigheid’. Hij wordt met zijn engelen neergeworpen en trekt zich terug op zijn eigen terrein in de lucht.

‘De laatste bazuin’

Tenslotte speelt de komst van de Heer zich af in of tijdens het blazen van de bazuin van God. In 1 Corinthiërs 15:52 spreekt Paulus over ‘de laatste bazuin’, dat is dan de zevende, zoals geschreven staat in Openbaring 10:7:

  • ‘Maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, is ook het geheim van God voltooid, zoals Hij zijn knechten, de profeten, heeft verteld’.

In de tijd van de late regen overwint het Woord van God in de harten van zijn volk en komen zij als overwinnaars tevoorschijn, want de kracht van God werkt in hen. Dan is de mens van God volkomen en tot alle goede werken volkomen toegerust (2 Tim.3:17). Dan plaatst de Heer de gemeente voor zich, stralend, zonder vlek of rimpel (Ef.5:27). Op deze voltooiing van de zonen en dochters van God ziende, stelde Paulus de komst van de Heer in het kader van de algehele heiliging. In 1 Thessalonicenzen 4:3 schrijft hij:

  • ‘Want dit is de wil van God: uw heiliging’ en hij eindigt zijn brief met de oproep: ‘Onthoudt u van alle soorten van kwaad. En Hij, de God van de vrede, heiligt u geheel en al en geheel uw geest, ziel en lichaam mag bij de komst van onze Heer Jezus Christus blijken in alles onberispelijk bewaard te zijn. Die u roept is trouw; Hij zal het ook doen’.

De gemeente in de eindtijd weerspiegelt de heerlijkheid van de Heer. In haar natuurlijke leven is zij vol reinheid en heiligheid. De Heer wandelt immers tussen de kandelaars om zijn volk voor de grote oorlog toe te bereiden. In de eindtijd wordt geconstateerd: de vrouw heeft zich gereed gemaakt voor de zware eindoorlog, die gevoerd moet worden tegen die andere vrouw, die de zonen van het verderf voortbrengt, de leden van de antichristelijke gemeente.

Voor de ontslapenen geldt óók de voorwaarde dat zij in Christus moeten sterven, dat wil zeggen in de Gezalfde met Gods Geest. Men kan echter niet in Hem sterven, als men niet in Hem geleefd heeft of zich nooit werkelijk bekeerd heeft. Voor de ontslapenen geldt echter:

  • ‘Gelukkig en heilig is hij (niet wordt hij) die deel heeft aan de eerste opstanding’. Zij alleen zullen priesters van God zijn en met Jezus als koningen de duizend jaren regeren (Op.20:6).

In de worsteling om te overwinnen, zullen de zonen van God zich niet laten ontmoedigen en ook niet menen dat zij een hersenschim najagen. Jezus Christus is immers trouw en Hij zal het ook doen, want Hij zal door Gods Geest zijn wetten in hun verstand schrijven. De heiligmaking is een vernieuwing- en vormingsproces waaraan zij zich met plezier wijden. Zij groeien immers naar Hem toe, als zij zich aan de waarheid van zijn woord houden. Daarom bedenken zij graag de dingen die boven zijn, want door zo bezig te zijn, worden zij gestimuleerd om de hoge weg te gaan. Zij waarschuwen, bemoedigen en troosten elkaar dus met deze woorden, die zo nauw verweven zijn met hun eeuwige status in het rijk van God.