
Veel uitleggers hebben moeite met de woorden van Jezus, dat de Mensenzoon 3 dagen en 3 nachten in het hart van de aarde zou zijn. Met ‘het hart van de aarde’ wordt het dodenrijk bedoeld en niet het graf. Het graf, waarin het lichaam van Jezus lag, bevond zich immers in de tuin van Jozef van Arimathéa.
Wanneer ging Jezus het dodenrijk in? Het antwoord is: op het ogenblik toen in Gethsémané de Geest van God van Hem werd weggenomen, dus toen God Hem verliet. Het was het tijdstip dat alle schuld van de wereld op Hem werd gelegd. Hij was toen ‘dood in zonden en misdaden’, want Hij werd ‘tot zonde gemaakt’. Hij stond ook ‘doodsangsten’ uit, die Hij voor die tijd nooit had gekend. Zijn wandel was altijd in de hemelse gewesten geweest, zoals er staat:
- ‘De Mensenzoon, die in de hemel IS’ (Joh.3:13 St. Vert.).
In Gethsémané verkeerde Jezus in de dood. Het is immers mogelijk de dood te ervaren en ‘gekneld te zijn in banden van de dood’, ook al leeft men biologisch nog. Aan het kruis stierf de Heer. Daar werd Hij gescheiden van zijn lichaam, waarna zijn innerlijke mens mét Gods Geest, aan wie Hij zijn eigen geest stervend toevertrouwde, zijn tocht door het dodenrijk begon.
Aan het kruis was Jezus dus in de dood, maar door zijn sterven werd Hij losgemaakt van zijn aardse bestaan. Op zondagochtend was deze overwinningstocht volbracht. De drie dagen waren dus: vrijdag, zaterdag en zondag, terwijl de eerste nacht begon op donderdagavond, de tweede op vrijdagavond en de derde op zaterdagavond. De drie nachten vormen de onderdelen van drie kalenderdagen.