Het Paaslam is geslacht

Jezus’ bloed heeft macht in de onzichtbare wereld

In de Paasnacht komt de door de Egyptenaren uitgelokte toorn van God, over hen. God geeft daarom zijn eigen volk de opdracht om een lam te slachten en het bloed van dit dier aan de deurposten en bovendorpel van hun huizen aan te brengen. Moeten zij hun deuren dan niet zorgvuldig afsluiten als de verderver rondgaat om alle eerstgeborenen te doden? Moeten de Israëlieten geen hermetisch af te sluiten huizen maken om de laatste vijand van de mens te weerhouden?

Nee, het bloed rondom de deur houdt het kwaad buiten de hutten van Gods volk. Er treden die nacht geestelijke wetten in werking en het bloed van het geslachte lam blijkt een onoverkomelijke versperring te zijn voor de duivel en zijn demonen: ‘Er is een wet van de Geest van het leven die vrijmaakt van de wet van zonde en dood’ (Rom.8:2).

Oud en nieuw zuurdeeg

Deze kracht van het bloed gold alleen voor hen die hun huis van iedere zuurdesem hadden gereinigd en die gegeten hadden van het Paaslam. Zo is er ook overwinning op en bescherming tegen de bewerkers van ziekte, zonde en dood voor iedere opnieuw geborene, die besneden is van hart en die zijn vertrouwen alleen stelt op het Woord van God en het offer van Jezus Christus. Wie het bloed van het Lam aan de posten van zijn levenshuis heeft, geeft daarmee aan dat het Paaslam voor hem geslacht is, dat hij het vergoten bloed aangenomen heeft, daardoor van zijn zonden gewassen en nu gereinigd is van het kwaad. Satan en zijn demonen hebben geen recht meer op hem en zelfs de dood heeft zijn aanspraken verloren (Hebr.2:14,15).

Het Lam aan het kruis

Jezus Christus was het onberispelijke en vlekkeloze Lam van God. Hij is dit tot het einde toe gebleven. Zijn innerlijke mens heeft geen enkele verbinding met het rijk van de duisternis gehad. Hij was immers gehoorzaam tot de dood. In de hof van Gethsémané werd Hij rechtstreeks door demonen van de duisternis aangevallen, maar Hij bleef in verbinding met God, Zijn Vader. Hij bleef Zijn wil volgen (Joh.10:17,18). Ook toen de demonen tot Hem kwamen door gebruik te maken van mensen als Herodes, de soldaten en de ‘geestelijke leiders’, bleef Hij zonder zonde. Men kon Hem niet laten zondigen, niet in woorden, niet in daden. Toen Hij leed, dreigde Hij niet en toen Hij gescholden werd, schold Hij niet terug. De overste van de wereld met zijn horden kwamen op Hem af en vonden niets in Hem. Hij bleef het schuldloze Lam. Zo gaf Jezus zijn leven vrijwillig over aan satans demonen in de hemelse gewesten. Zij vielen de Gekruisigde aan. De psalmist drukte dit uit in beelden van het natuurlijke leven:

  • ‘Veel stieren hebben mij omringd, buffels van Basan hebben mij omsingeld; zij sperren hun muil tegen mij open – een verscheurende, brullende leeuw. Want honden hebben mij omringd, een bende boosdoeners heeft mij omsingeld’ (Psalm 22:13,14,17).

Grote duisternis kwam over Hem op Golgotha. Alle demonen van de kosmos streken op Jezus neer, niet één uitgezonderd. De dichte duisternis in de natuurlijke wereld was een gevolg van wat er gebeurde in de hemelse gewesten. De verbinding met de Vader door Gods Geest werd verbroken en Hij werd eenzaam en van God verlaten. Zonde en ziekte vielen op Hem en alleen als mens, als laatste Adam, moest Hij staande blijven. Niet het aan God gelijk zijn (geen drie-eenheid) kon de schuld van de wereld betalen, maar alleen de vlekkeloze, reine mens.

De mens Jezus is in de grootste beproeving en onder de grootste verdrukkingen overwinnaar gebleven en kon daarom zijn bloed geven tot een verzoening van de zonde van de hele wereld. Hiermee bewees God dat de nieuwe schepping in staat was overwinnaar te zijn over alle demonen van de duisternis. De laatste vijand, de Dood, viel Hem aan en scheidde zijn lichaam van ziel en geest. Maar Jezus’ laatste woorden waren: ‘Het is volbracht’ en ‘Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest’ (Lucas 23:46). Zijn ongeschonden ziel was onafscheidelijk verbonden met zijn geest, die overging in de handen van de Vader, want zijn werken volgden Hem na!

Het dodenrijk met zijn afgrond

In de ziel vindt men de neerslag van de verbinding die de menselijke geest heeft. Hetzij met God, hetzij met de demonen en de werken die uit dit contact zijn voortgekomen. Zo zijn er in de nog nooit bekeerde mens (en dat zijn er velen) ‘schatten van dood en toorn.’ Het zijn de slechte vruchten die door de nog nooit bekeerden verzameld zijn.

In de gereinigde ziel echter, verzamelt men schatten van het leven én van de hemel; de vrucht van Gods Geest. Het zijn de goede vruchten, zoals een goede boom die voortbrengt. Het zielenleven van Jezus had alleen goede vruchten voortgebracht. Daarom kon gezegd worden dat zijn ziel niet door het dodenrijk werd vastgebonden. De dood kon Hem onmogelijk vasthouden. Alle ongerechtigheid was op Hem aangelopen, maar Jezus was naar de innerlijke mens blijven staan en door de druk van satan niet afgeweken van het pad van de gerechtigheid. Zo heeft Hij aan het kruis de demonische geesten ontmaskerd en hen overwonnen. De nieuwe schepping ging niet onder. Ook de macht van de dood werd aan het kruis geopenbaard. Haar invloed ging zover, dat zij scheiding kon maken tussen lichaam en innerlijke of geestelijke mens. Maar zelfs het lichaam van Jezus is na de dood niet tot verdere ontbinding gekomen: ‘Zijn vlees heeft geen ontbinding gezien’ (Hand.2:31).

De kostbare parel

In de zichtbare wereld stroomden het water en het bloed naar de aarde. Het oude verbond leert dat het bloed de drager en het symbool is van de ziel en het leven. Zoals het bloed uitgestort werd op de aarde en dit besprenkelde, zo ging Jezus Christus in het hemelse heiligdom om zijn ziel neer te leggen op het verzoendeksel. Jesaja zei al dat Hij zijn ziel uitgestort had in de dood. Dit vergoten bloed, dat een symbool was van de eeuwige werkelijkheid, was het wettig betaalmiddel voor de schuld van de hele wereld en krachtiger tot reiniging dan het bloed van stieren en bokken. Ieder die door het geloof ermee in aanraking komt, wordt erdoor gereinigd en beveiligd tegen satan en zijn demonen.

De opstanding tussen de doden uit

Zoals de overste van deze wereld op deze aarde niets in Jezus gevonden had, zo ook kon de overste van het dodenrijk (Dood hemzelf), niets in Hem vinden waardoor hij Hem gevangen kon houden. Ook daar was Jezus overwinnaar:

  • ‘Hij verbrak de weeën van de dood, omdat het niet mogelijk was, dat Hij door Dood werd vastgehouden’ (Hand.2:24; Hebr.2:14,15). Zoals Hij op aarde een blijde boodschap gebracht had, zo heeft Hij dit ook gedaan in de Hades aan de geesten in de gevangenis (1 Petr.3:19).

Zoals Hij op de aarde de werken van de satan verbroken had, zo heeft Hij in het dodenrijk de sleutels van Dood en dodenrijk aan zijn vorst ontnomen. Jezus heeft in deze korte tijd niet geslapen! Toen gaf de Vader getuigenis aan zijn Zoon door de scheiding tussen lichaam en innerlijke mens op te heffen en het lichaam door de kracht en de werking van Zijn Geest weer met de ziel en de geest te verbinden.

Jezus had een lichaam zoals wij: ‘een vlees aan dat van de zonde gelijk’ en niet in een zondig vlees, zoals de noorse broedertjes leren. Dit vlees was voor Hem het raakveld geweest, waardoor Hij in contact kon komen met demonen van zonde en ziekte, die het menselijk leven bedreigen. Deze occulte geesten waren op allerlei manieren op Hém aangevallen om Hem te verzoeken en te verleiden. Maar zijn innerlijke mens was zo verbonden met God, dat deze onbeschadigd uit de strijd kwam. Na Zijn dood ontving Hij een verheerlijkt lichaam, waarbij de uiterlijke verschijning volkomen harmonieerde met zijn innerlijk wezen: een geestelijk lichaam dat functioneerde naar geestelijke wetten.

Voor Jezus was de eindfase bereikt. Het eeuwige koningschap was ontvangen en Hij besteeg de troon van zijn vader David (Hand.2:31). Deze troon was een afschaduwing geweest van de troon van God (1 Kron.29:23). Nu zit de mens Jezus Christus op de troon van God en in de geest zien de opnieuw geboren en Geestvervulde christenen Hem daar met eer en heerlijkheid gekroond. Hij is de eerste van veel broers en zussen en zijn lijden, sterven en opstanding hebben tot doel veel zonen en dochters tot heerlijkheid te leiden en ook als overwinnaars te doen zitten op zijn troon (Op.3:21).

Deel hebben aan zijn lijden en opstanding

Het eerste waaraan een mens (die zich bekeerd heeft!) deel moet hebben, is aan het bloed van Jezus. Ieder die gelooft dat zijn schuld betaald is op grond van het vergoten bloed en dat zijn ziel erdoor gereinigd is, ontvangt het kindschap van God. Zo iemand kan zonder besef van schuld tot de Vader gaan (Hebr.10:22). God belooft daarop de doop met Gods Geest. Door deze Geest geleid en gesterkt, mag hij naar de innerlijke mens leven in de hemelse gewesten. Maar hij is nog in deze wereld en daarom zal hij verdrukking hebben. Want zoals de overste van deze wereld Jezus heeft verdrukt en geprobeerd heeft te verleiden, zo zal satan ook ieder kind van God proberen te beïnvloeden. Dit is ‘de gemeenschap aan het lijden van Jezus Christus’. De apostel zegt:

  • ‘Ik ben verzekerd, dat noch dood, noch engelen, noch machten, noch heden, noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer’ (Rom.8:38,39).

Ieder die in zijn woorden blijft, kan de demonen van de duisternis weerstaan en hen overwinnen door de kracht van Gods Geest. Hoe meer het einde van de tijden nadert, hoe intenser de demonen uit de afgrond zullen aanvallen. Hoe groter de verdrukkingen zullen zijn, hoe groter ook de stroom van Gods Geest die Gods kinderen zal vervullen: ‘Als wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn heerlijkheid’ (Rom.8:17). Er is een kracht die sterker is dan de ontbindende macht van zonde, ziekte en dood. Het is de kracht die Jezus uit de doden heeft opgewekt: ‘Als wij samengegroeid zijn met wat gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn met wat gelijk is aan zijn opstanding’ (Rom.6:5). Ware christenen beginnen op te staan met hun innerlijke mens, maar ook hun sterfelijk lichaam heeft deel aan de opstandingskracht van Jezus:

  • ‘En als de Geest van Hem, die Jezus uit de doden opgewekt heeft in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door de Geest, die in u woont’ (Rom.8:11).

Wetteloze demonen hebben geen recht op kinderen van God, want zij zijn gekocht, betaald en vervuld met Gods Geest door Jezus Christus. Zij moeten dan ook met de demonen geen compromis sluiten, want deze ploerten horen niet bij de nieuwe schepping. Daarom bestrijden kinderen van God de zonde, de ziekte en de dood tot het uiterste. En wie volhardt tot het einde zal behouden worden. Door de kracht van Jezus’ opstanding zijn de opnieuw geboren christenen, overwinnaars. Ja meer dan overwinnaars en zij zullen komen tot de opstanding tussen de doden uit (Fil.3:11), waarna zij aan Jezus gelijk zullen zijn, want zij zullen Hem zien zoals Hij is (1 Joh.3:2)!