2. Jezus’ laatste Pascha

Bij Zijn laatste Pascha zei Jezus drie belangrijke dingen: ‘Dit is Mijn lichaam’, ‘dit is Mijn bloed’ en ‘doe dit tot Mijn gedachtenis’. We zullen die uitspraken nu nader bekijken.

  • ‘Dit is Mijn lichaam, Mijn vlees’

Al eerder had Jezus gezegd: ‘Als u Mijn vlees niet eet en Mijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u. Wie dat wel doet, heeft eeuwig leven en hem zal Ik opwekken’ (Joh.6:53-56). M.a.w.: Jezus doet waarachtig leven en groeien. Wie Hem eet, wordt opgewekt uit de doodsfeer van ‘Egypte’ om te kunnen leven. Hoe we Hem eten is niet onder woorden te brengen. Het gaat ons verstand te boven. ‘Uw wegen zijn niet Mijn wegen. Mijn wegen zijn hoger dan uw wegen, zegt God’ (Jes.55:8-9). Geestelijke kennis komt door openbaring, niet door denkwerk. God openbaart iets in ons en áls Hij dat doet, begrijpen we dat meestal pas veel later met ons hoofd. Om het ware brood nieuw te kunnen eten in Zijn koninkrijk, moeten wij dus van boven zijn, opnieuw geboren uit Woord en Geest. Wat uit de mens is, is menselijk en wat uit Gods Geest is, is geestelijk (Joh.3:3-6). Zonder een geestelijk vernieuwingsproces komt niemand tot geestelijke kennis.

Niemand komt tot geestelijk leven door alles over de Bijbel te kennen, hoe nuttig die ook is. Wie Hem eet, zal leven (Joh.6:53-57). Door het ware brood te eten nemen we toe in wijsheid, in grootte, van pasgeboren kind tot geestelijk volwassene. Pas dan kan de Vader ons aannemen tot Zijn zoon en ons tot erfgenaam maken (1 Cor.13:11). Dat proces is te vergelijken met onze natuurlijke groei. Baby’s hebben moedermelk nodig (1 Petr.2:2). Kleuters moet je helpen met eten. Kinderen kunnen zelf niet bepalen, wat het beste voor hen is. Paulus is er erg duidelijk over:

  • ‘Broers, ik kon niet tot jullie spreken als tot geestelijke mensen, maar als tot vleselijke, nog onmondige gelovigen in Christus.’
  • ‘Melk heb ik jullie gegeven, geen vast voedsel, want dat konden jullie nog niet verdragen.’ 

En aan de Efeziërs schrijft hij:

  • ‘God heeft apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars gegeven om de heiligen toe te rusten, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij de volle kennis van de Zoon hebben bereikt en volgroeid zijn tot de mannelijke volwassenheid van Christus. Kijk, dán zijn wij geen onmondige kinderen meer, die stuurloos ronddobberen en met elke wind van leer meewaaien’ (Efeze 4:11-14).

Deze taken zijn dus bedoeld om op te voeden. Daarom staat er het woordje ’totdat’. Opnieuw geboren christenen voeden geestelijke kinderen op ’totdat’ ook zij zich weten te voeden bij de Bron. Het is vreselijk als wij kinderen zien verhongeren, maar het is ook triest als kinderen klein worden gehouden met melk en nooit aan het ware brood toekomen (Hebr.5:12,14). Het is nog erger als zij worden verhinderd om bij de Bron te komen (Matth.19:14).

Er is dus nogal wat verschil in beleving als het gaat om het eten van de Heer. Het hangt af van onze geestelijke groei (1 Cor.13:11). Verreweg de meeste kerkmensen doen dat met uiterlijke tekens. Zij proclameren zo de dood van Christus (1 Cor.5:7). Dat kan een goed begin zijn, als men maar beseft dat het er uiteindelijk om gaat Jezus te eten en te drinken, elke dag. Opnieuw geboren christen beleven elke dag de inhoud en betekenis van de maaltijd van de Heer. Zij ‘eten’ dagelijks Zijn ‘vlees en bloed’. Als zij geen behoefte hebben aan een zichtbare ritueel in een kerkgebouw, krijgen ze meestal met veel onbegrip te maken. Zij worden aangeklaagd, terwijl Jezus hun hele leven is en niet alleen op zondag. Paulus schrijft immers: ‘Zo vaak u dit brood eet en de beker drinkt, getuigt u van de dood van de Heer, totdat Hij komt’ (1 Cor.11:26). Hij is al in hun harten gekomen om maaltijd met hen houden en zij met Hem (Op.3:20).

Jezus voedde Zijn leerlingen jarenlang. Ze waren Zijn geestelijke kinderen. Toen zei Hij: ‘Ik ga tot de Vader en dat is beter voor jullie’. Beter? Ja, Zijn menselijke verschijning zou plaats maken voor een hemelse. Hij zou hen als Jezus van Nazareth verlaten en Gods Geest zou vernieuwend in hen terug te keren én in talloze andere leerlingen (Hand.1 en 2). Ze zouden allemaal uitgroeien tot geestelijke volwassenheid door de inwonende Geest van Zijn Vader (Joh.16:5-33). Als mens was Zijn weg gaan beter voor hen dan Zijn blijven. Paulus volgde hetzelfde patroon, hoewel op een ander niveau. Hij bleef maar drie jaar in Efeze en ging toen verder. In Corinthe gaf hij na achttien maanden de gelovigen de kans om zonder hem door te groeien. Johannes zegt:

  • ‘Wat u betreft: Zijn zalving is blijvend op u, u hebt geen leraar nodig. Zijn zalving leert u alles naar waarheid, zonder leugen en bedrog. Blijf daarom in Hem’ (1 Joh.2:27).
  • In het nieuwe verbond geldt dus: ‘Niet langer zal ieder de ander leren en zeggen: Ken de Heer. Allen zullen zij Mij kennen, van de kleinste tot de grootste’ (Hebr.8:11).

Dát is de roeping: Hem als levend Woord te ‘eten’ en Hem te leren kennen in harmonieuze en directe gemeenschap. In het oude verbond geldt: ‘Wie dat doet, zal leven’. De wetten en regels kwamen toen nog van buitenaf. Maar in het nieuwe verbond luister je naar Zijn stem. Daar geldt: ‘Wie Mij eet, zal leven’. Ook nu leven veel kerkmensen nog steeds vanuit de wetten en regels van het oude verbond. Zij hebben geen levende band met hun god. De traditie en de dogma’s bepalen hun ‘blijheid’ in het geloof. Daarom is de viering van het Avondmaal een dor en droog gebeuren in veel kerken. Er is geen leven en geen groei!

Het is goed dat Gods schapen in gemeenten door mensen worden opgevoed in de gerechtigheid. Maar het is een misverstand, dat zij altijd in ‘schaapskooien’ moeten blijven (Joh.10:3-4). Er zijn maar weinig voorgangers die hun schapen de vrijheid buiten de schaapskooi gunnen. Johannes de Doper deed dit wél: hij wees zijn leerlingen op het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt (Joh.1:29,36). ‘En twee van zijn leerlingen hoorden dat en gingen Jezus volgen’ (Joh.1:37). Deze twee, Andreas en Johannes, werden leerlingen van Jezus.

  • ‘Dit is Mijn bloed’

Jezus’ tweede uitspraak was: ‘Dit is Mijn bloed’. Hij ‘nam een beker, dankte en zei: Drink allen daaruit, want dit is het bloed van Mijn verbond’ (Matth.26:28). Waarom sprak Jezus over ‘bloed van Zijn verbond’? Hij bedoelde dit: zoals God Zich aan Israël verbond met de belofte het uit Egypte te verlossen door het bloed van een lam en het te brengen naar een beter land, zo geef Ik Mijn bloed in een nieuw verbond. Daarbij belooft Hij de Zijnen te verlossen van ‘Egypte’ en hen te doen leven in een nieuw land: in het koninkrijk van God. Bloed duidt hier op het gevoels- en zielenleven. God had al tot Noach gezegd: ‘Vlees met zijn ziel, zijn bloed, mag u niet eten’ (Gen.9:4). Want bloed in vlees wijst op zielsgevoel, dat vaak wordt aangezien voor geestelijk leven. En dat kan God niet accepteren.

Jezus goot Zijn bloed uit in de dood (Jes.53:12, nephesh=ziel). Hij weigerde Zich te laten leiden door menselijke gevoelens en behoeften van de ziel. Hij legde dat alles af (Joh.10:17-18). Hij richtte Zich zó op God, dat Diens gevoelens ervoor in de plaats konden komen. Hij leerde meeleven en bewogen zijn als de Vader (Joh.17:2). Zo werd Zijn gevoelsleven nieuw. Het kwam niet uit het vlees voort, maar uit God. Dat is het bloed dat Hij ons aanbiedt te drinken. Dat moet vreemd geklonken hebben in de oren van de leerlingen. Zij mochten immers niets eten waarin bloed zat, laat staan bloed drinken (Lev.17:10-16).

Petrus zegt later dat ‘ook wij onze ziel aan de Schepper moeten overgeven, steeds het goede doende’ (1 Petr.4:19). Onze ziel met alle gevoelens moeten wij uitgieten en het nieuwe bloed van Jezus (de gevoelens en verlangens uit God) indrinken. Zo worden we door het Lam verlost van de oude vleselijk-zielse gezindheid van Egypte en blijft de eerstgeborene in ons leven. We worden dan werkelijk vrij en losgekocht van de aarde door Zijn ‘bloed’ (Joh.8:36, Op.14:3). Zo krijgen wij steeds meer deel aan de hemelse natuur en kan de heerlijkheid van het nieuwe Jeruzalem ook in ons neerdalen uit de hemel van God (Op.21:10).

  • ‘tot Mijn gedachtenis ….., telkens als jullie die beker drinken’

Dit is Jezus’ derde uitspraak tijdens Zijn laatste Pascha. Paulus citeert die woorden met een aanvulling: ‘Doe dit telkens als jullie die beker drinken. De eerste gelovigen leefden in een overgangstijd. Van het Joodse volk eiste of verwachtte Jezus niet dat zij radicaal en meteen nieuw zouden kunnen denken. Het is een geleidelijk proces. De apostelen bleven de wet houden, naar de tempel gaan om de Joodse feesten te vieren, ze leerden geleidelijk ook de vervulling ervan. Ook Paulus hield zich aanvankelijk nog aan uiterlijke dingen om Joodse of zwakke broers niet te ergeren (Hand.18:18, 20:16). Maar hun denken werd uiteindelijk vernieuwd. Paulus schreef later:

  • ‘Laat niemand u iets voorschrijven op het gebied van eten en drinken, het vieren van feestdagen, nieuwe maan of sabbat. Dit alles is slechts een schaduw van wat komt. De werkelijkheid is Christus!’ (Col.2:16).
  • Aan de Galaten schreef hij: ‘U houdt u echt aan vaste feestdagen, maanden en seizoenen en jaren? Ik vrees, dat al mijn inspanningen voor u volkomen zinloos zijn geweest’ (Gal.4:10-11).

Het ging hem dus uiteindelijk niet om de zichtbare tekens. Tekens op zich geven geen leven, maar wel het eten en drinken van Jezus!

  • ‘Laten we daarom niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, het onzichtbare eeuwig’.

Jezus zegt niet hoe vaak we brood en wijn moeten eten en drinken om Hem te herdenken. Tijdens de viering van het Pascha stonden de Israëlieten klaar om direct Egypte te verlaten. In het nieuwe verbond moeten ook wij daarom bereid zijn direct te vertrekken en Jezus’ vlees te eten en Zijn bloed te drinken. Op die manier laten we Egypte achter ons en zijn we losgekocht van de aarde, tot eer van God, de Vader.