
De oorsprong van de maaltijd, die Jezus vierde, ligt in het Joodse Pascha. Dit was een feestdag waarop Israël haar verlossing uit Egypte herdacht (Ex.13:3), dus een soort bevrijdingsdag. Op die dag at men overal in het land de Pascha-maaltijd. Toen Jezus dit Pascha voor de laatste keer vierde met zijn leerlingen om de bevrijding van toen te herdenken, begon Hij over een nieuwe bevrijding: de bevrijding door de Zoon, die echt vrij maakt (Joh.8:36).
De Israëlieten waren slaven geworden in Egypte. Toen God het volk hoorde roepen om hulp, beloofde Hij het te brengen naar een beter land. Na tien vreselijke plagen liet farao de Israëlieten eindelijk gaan (Ex.7-12). Vlak vóór de exodus moest in ieder huis een lam geslacht worden, het bloed ervan aan de posten en bovendorpel van de deur gestreken en ongezuurd brood worden gegeten (Ex.12). Toen kon de reis beginnen naar het beloofde land. Wat een dag! Natuurlijk moest die dag niet vergeten worden:
- ‘Blijf dit gedenken’, zei Mozes (Ex.13:3,5,8-10). ‘En als één van uw kinderen later vraagt: ‘Waarom doen wij dit?’, zeg dan: ‘Omdat God ons met sterke hand bevrijd heeft uit de slavernij van Egypte’.

Nu weten we, dat het lam dat toen geslacht moest worden, naar Jezus wijst (1 Cor.5:7). Het moest daarom een gaaf, mannelijk, volgroeid dier zijn, een zuiver beeld van Hem. Maar waar wijst Egypte op? Egypte symboliseert het natuurlijke leven, dat Godvijandig is. Zoals farao zich opstelde tegenover de God van Mozes, zo gaat het verlangen van het vlees in tegen de Geest: ze staan tegenover elkaar (Gal.5:17). ‘Egypte’ probeert met alle middelen te voorkomen, dat Gods volk wordt verlost uit haar invloedssfeer. Waar het uiteindelijk om gaat bij de bevrijding uit Egypte zegt God heel nadrukkelijk:
- ‘Laat mijn Zoon gaan, om Mij te dienen’.
Het gaat dus niet alleen om redding, maar om volledige verlossing. Hij roept zonen uit ‘Egypte’, die Hem zullen dienen. Die roep is van alle tijden. Hij riep Jezus uit ‘Egypte’ (Op.11:8). Later zou Hij weer anderen roepen, via de nieuwe en levende weg: door Jezus’ vlees en bloed. Met welk doel? Om hen te maken tot een uitverkoren, koninklijk, priesterlijk en heilig volk, dat de Vader dient in vrijheid, in geest en in waarheid (Ef.2:5; 2 Petr.2:9).
Het Pascha-lam

Er werd dus een lam geslacht. Wat voor offer was dat, er waren immers heel veel soorten offers? Brandoffers wijzen op Jezus’ vrijwillige opoffering (Lev.1), spijsoffers op zijn manier van leven (Lev.2). Dankoffers en vredeoffers getuigen van zijn gerichtheid op en zijn vrede met de Vader (Lev.3). Al die offers waren voor God een liefelijke reuk (Lev.1:9). Daarnaast zijn er ook zondoffers en schuldoffers (Lev.4 en 5). Men denkt vaak, dat het Pascha-lam een zondoffer was, omdat er staat dat Jezus het Lam van God is, dat de zonden van de wereld wegneemt (Joh.1:29). Maar bij het Pascha gaat het niet om vergeving van zonden, maar om verlossing uit ‘Egypte’.
Zondoffers werden gebracht in de tabernakel en later in de tempel, maar het bloed van het Pascha-lam streek ieder aan zijn eigen deur. Men at het lam in zijn eigen huis, zodat de eerstgeborene bleef leven en men uit Egypte werd geleid (Ex.12:7).
- ‘Uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen’ (Hos.11:1).
Het gaat dus om geestelijke volwassenheid, om zoonschap. De eerste, die door de Vader volledig uit ‘Egypte’ werd geroepen, was Jezus van Nazareth (Matth.2:15). Hij kreeg macht over al het natuurlijke van Zijn mens-zijn (Joh.17:2). Hij baande de weg en is nu dé Weg (Joh.14:6). Hij verlost door Zijn vlees en bloed alle uitverkorenen van elke vorm van ‘Egyptische’ slavernij (Ex.4:22-23; Rom.7:24,25).
Ongezuurd brood
Met het Pascha begon ook het feest van het ongezuurde brood (Ex.12:17). Jezus zegt nadrukkelijk, dat Zijn leerlingen voor dát brood zó moesten bidden: ‘Vader, geef ons heden ons dagelijks brood’ (Matth.6:11). In het Grieks staat ‘epiousios’-brood, een woord dat in die taal maar één keer is gebruikt, alleen door Jezus dus. Epi betekent op, ousios is van komen. Hij zegt dus eigenlijk: ‘Vader, geef ons heden het op ons komende brood’. Hij zegt niet, dat wij moeten bidden om brood van de bakker, maar om hemelbrood in ons hart. En Hij zegt: ‘Dat brood ben Ik. Wie Mij eet, zal leven’ (Joh.6:50-51). Over de betekenis van gezuurd of ongezuurd is Paulus duidelijk:
- ‘Ook ons Pascha-lam is geslacht: Christus. Laten wij feest vieren, niet met oud zuurdeeg, of met zuurdeeg van slechtheid en boosheid (Grieks: poneria=laagheid), maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid’ (1 Cor.5:6-8).
Oud zuurdeeg is aardsgerichte godsdienstigheid, dat waarde hecht aan oudtestamentische rites in het nieuwe verbond. Zoiets is laag, niet uit God, zegt Paulus (Gal.5:8-9). Ook Jezus waarschuwde voor zuurdeeg, voor dat van de Sadduceeën en Farizeeën (Lucas 12:1). De ideeën van de Sadduceeën waren pertinent on-Bijbels. Ze geloofden o.a. niet in de opstanding en het bestaan van engelen. Het bovennatuurlijke was voor hen taboe, hoe godsdienstig ze ook waren. Maar de Farizeeën waren wel zuiver in de leer, zó zuiver, dat Jezus Zijn leerlingen opdroeg om te doen wat ze zeiden (Matth.23:3). Hun zuurdesem was niet hun te lage kennis, maar hun huichelarij: wat ze zeiden was goed, maar ze hielden zich er zelf niet aan (Matth.23:3).
In alle haast bakten de Israëlieten dus ongezuurd brood en namen dat mee op reis (Ex.12:8,15,34). Ze mochten het dus niet eerst laten gisten met oud zuurdeeg. Dat is nu precies wat iedere volgeling van Jezus moet doen: meteen op reis gaan en nieuw eten tot zich nemen. ‘Doe het oude zuurdeeg weg’. Verlossing van Egypte komt alleen als we elke lage interpretatie en gewoonte achterlaten en voortaan alleen het ongezuurde brood van reinheid en waarheid eten. God geeft het nieuw, als brood uit de hemel, elke dag (Joh.6:51). God bepaalde dus toen, dat men het lam moest eten met ongezuurd brood. En nu zegt Jezus:
- ‘Wie Mij eet, heeft leven en hem zal Ik opwekken’ (Joh.6:54-55).
Jezus’ verlangen naar Zijn laatste Pascha

Op de avond van het Pascha werd er overal in Jeruzalem door tienduizenden mensen de Pascha-maaltijd gebruikt, met brood en wijn. Voor Jezus zou het de laatste keer zijn. Hij zei: ‘Ik heb vurig verlangd dit Pascha met jullie te eten, voordat Ik moet lijden’ (Lucas 22:15). Waarom? Omdat Zijn vlees en bloed de vervulling zouden zijn van het brood en van de wijn, dat ze toen aten en dronken. ‘Doe dit tot om Mij te gedenken. Denk niet meer alleen aan de verlossing uit Egypte van toen, maar denk vanaf nu aan Mij. Ik maak vrij van het ‘ware Egypte’, door Mijn vlees en bloed (Joh.8:36). Hij verhoogde de oude rituelen voor Zijn leerlingen dus tot een nieuwe, persoonlijke, dagelijkse actualiteit:
- ‘Hij nam een brood, dankte en brak het, gaf het hun en zei: Dit is Mijn lichaam, dat voor jullie gegeven wordt. En deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed voor jullie. Denk voortaan aan Mij’ (Lucas 22:19-20).
Wat moeten de leerlingen toen gedacht hebben? Dachten ze: ‘Neemt Hij nu ons belangrijkste feest af? Vindt Hij de bevrijding van toen uit Egypte dan niet belangrijk meer? Is dit wel waar? God droeg ons toch op het Pascha te vieren?’
Natuurlijk wisten ze in hun hart, dat het waar wás. Hij was de Messias, de Christus, de Zoon van de levende God (Matth.16:16). Hij maakte de ceremonie zinvol met woorden van eeuwig leven. Hij gaf aan het feest inhoud. Jezus stelde dus geen nieuwe ceremonie in, zoals vaak wordt gedacht en geproduceerd (Matth.26:26). Het was niet Zijn bedoeling om Joodse rituelen te vervangen door christelijke. Hij deed iets veel belangrijkers: Hij gaf Joods-wettische rituelen en gebruiken hun ware betekenis. Israël herdacht met uiterlijke tekens de bevrijding uit een aards land. Maar Jezus bevrijdt de mens uit het domein van het vlees, uit het ‘lichaam dat beheerst wordt door de dood’ (Rom.7:24). Hij zei: ‘Ik ben nu jullie Pascha-lam. Vanaf nu moeten jullie Mij eten’. Als we dat doen, worden we bevrijd van de slavernij van het vlees en groeien wij tot geestelijke volwassenheid. Dan gaat na het oude verbond het nieuwe gelden (Hebr.10:9). Dan is voor ons de geestelijke realiteit gekomen.
Natuurlijk en geestelijk
De Joden van toen dachten dat Jezus hun religie ondermijnde. Maar kwam Hij niet met iets beters? Hij gaf immers voor de schaduw de realiteit. En is een schaduw niet tweedimensionaal, laag en plat, doods? Het is als met foto’s. Op een foto kun je zien, hoe iemand eruit ziet. Het is maar een plaatje van de driedimensionale persoon. Zo verhoudt zich ook het oude verbond tot het nieuwe. Het oude verbond is volmaakt in het afschaduwen van het nieuwe, als een fotoalbum. Alles ervan is schaduwbeeld van geestelijke realiteiten, niet die realiteiten zelf (Hebr.10:1). Eerst ‘oude’, historische wetten en rituelen, die vervangen worden door ‘nieuwe’, actuele, geestelijke realiteiten (1 Cor.15:46). Zo verhouden de tekens van brood en wijn (bij het Pascha, maar ook bij het avondmaal) zich tot het eten van de Heer. Eerst het oude, dan het nieuwe. En voor wie in nieuwheid leert leven, heft Hij het oude op om het nieuwe steeds reëler te maken. Zo maakt Hij alles nieuw in wie Hem volgt waar Hij ook gaat (Op.21:5).

Vaak lezen we dat men Jezus niet begreep (Joh.10:6). Dat kwam niet omdat Hij niet goed onder woorden kon brengen wat Hij bedoelde. Het kwam omdat Hij anders was, van boven. Zijn toehoorders waren van beneden, in aardse schaduwen van Joodse religie, maar Hij was met Zijn geest in het hemelse, bij God (Joh.8:23). Het volk baseerde zich op menselijke traditie, Hij baseerde zich op God. Zij verlangden Israëls bevrijding van de Romeinen, maar Hij keek uit naar de bevrijding uit ‘Egypte’. Hun ogen zagen de pracht van de tempel van steen, maar Jezus zag het huis van de Vader in mensen (Matth.24:1). Dus wie Hem wil volgen, moet zijn hoofd opheffen en denken zoals Hij dat deed: denken aan de dingen die boven zijn (Col.3:2).
Traditie en waarheid
Israël verwierp Jezus en Zijn boodschap. Zij namen Hem niet aan. Ze hadden liever de zichtbare tradities uit de wet van Mozes dan de geestelijke vervulling ervan. Dat was de hoofdreden waarom ze Hem eenvoudig niet wilden begrijpen. Als men denkt wijzer of nederiger zijn dan de Joden in de tijd van Jezus, maakt men een grote fout. Het is echt niet zo bijzonder om te geloven dat Jezus de Messias is: het is immers al eeuwen lang verteld. Het gaat er om dat we geloven én het oude loslaten en het nieuwe denken vastpakken. De blinde kenners van de Bijbel zeggen: ‘Het oude is prima. Sola Scriptura: alleen de schrift! Men heeft dat nieuwe helemaal niet nodig’ (Lucas 5:39). Maar Jezus zegt:
- ‘U zegt, dat u rijk bent, dat u alles hebt wat u wilt en niets meer nodig hebt. Maar u beseft niet hoe ongelukkig u bent, hoe armzalig, berooid, blind en naakt. Daarom raad Ik u aan: koop van Mij goud (wat duidt op het hemelse, op wat uit God is) en koop zalf voor uw ogen!’ (voor de genezing van uw visie, Op.3:17-18).