Jezus Christus en de wetten van de Sinaï

Scheppingswetten

Wanneer God aan het einde van de scheppingsperiode Zijn werk overziet, constateert Hij dat alles zeer goed is. Hij is er in geslaagd zijn eeuwige gedachten in het geschapene tot leven te brengen, zodat alles wetmatig functioneert en zich kan ontwikkelen. Het licht plant zich voort met een vastgestelde snelheid. De hemellichamen wentelen zich in onveranderlijke banen als een precisie-uurwerk. Elk kristal bezit een bepaalde ligging van zijn atomen. Er zijn wetten van zwaartekracht en er is een kringloop van het water uit de beken die naar de zee stromen (Pred.1:7). Waar het leven zich met de stof verbonden heeft, is ook een vaste cyclus te zien. De plant ontspruit, bloeit, draagt vrucht en sterft. Het zaadje is geprogrammeerd volgens vaste wetten. Een mosterdzaadje levert geen eik.

Het dierenleven kent de hogere wetten van het gevoelsleven, maar in de mens gebeurt de realisatie van het plan van God op het hoogste niveau. Naast zijn natuurlijk lichaam heeft de mens ook een geestelijk lichaam van een hogere orde. De geest van de mens houdt bij hem het lichaam in stand en is in staat dit te ontwikkelen en te onderhouden. Hij regelt de temperatuur en brengt bij een verwonding het herstelmechanisme in werking. Het denken, spreken en het tijdsbegrip zijn alle van een hogere dimensie. De vrucht in de moederschoot bergt in zich de wetten van de stofwisseling, de gevoelsuitingen, de voortplanting en van de mogelijkheden om een geestelijk wezen te worden.

Zo is ook het verlangen naar gemeenschap met de Schepper ingeschapen. Het hart is immers onrustig, totdat het rust vindt in Hem. Zonder kennis van God is er geen vrede.

Paulus tot de Grieken op de Areopagus

  • ‘Uit één mens heeft Hij de hele mensheid gemaakt, die hij over de hele aarde heeft verspreid; voor elk volk heeft hij een tijdperk vastgesteld en hij heeft de grenzen van hun woongebied bepaald. Het was Gods bedoeling dat ze Hem zouden zoeken en Hem al tastend zouden kunnen vinden, aangezien hij van niemand van ons ver weg is’ (Hand.17:26-28).

Niet alleen de liefde tot de Schepper, maar ook de ethische wetten ten opzichte van de naaste zijn ingeschapen. God wil immers in de mensheid als één geheel wonen en daarom moeten de mensen op elkaar zijn afgestemd. Zij moeten elkaar liefhebben en zuinig op elkaar zijn: de ouders ten opzichte van het kind en het kind ten opzichte van zijn ouders en ieder mens ten opzichte van zijn naaste.

De ingeschapen wet is machteloos gewórden

Door de zondeval is alles veranderd. De wetten van God werden verduisterd en raakten verloren. De mensen kenden de ingeschapen wetten van God niet meer. Daarom waren ze ook niet zuinig op hun naaste. Zo waren Kaïn en Lamech typen van allen die vol geweld waren. God kon de mensen daarom niet meer bereiken. Ze waren nutteloos gewórden (en niet van nature)! Deze algehele wetteloosheid werd de oorzaak dat de wetteloze geweldgeesten tijdens de zondvloed vrij spel kregen. Met het gezin van Noach begon God echter opnieuw. Maar ook bij Noachs nakomelingen verdween het ethisch gevoel.

Abraham naar het beloofde land

Toen zocht God weer naar een rechtvaardig en wetmatig mens en Hij vond Abraham. Deze werd door Hem afgezonderd om een volk voort te brengen dat de gerechtigheid op aarde zou bewaren en wiens hart naar God uitging (Gen.18:19). Dit volk zou een hechte eenheid moeten vormen. Na een 400-jarig verblijf in Egypte bleek dat het uitverkoren volk alle wetmatigheid in zijn leven had verloren.

Mozes door de zee

Toen vond God de man Mozes die Hem gehoorzaamde, die hoorde en deed wat zijn geweten hem voorschreef. In de woestijn bleek duidelijk dat de meerderheid van het volk zijn door God gegeven gezondheid en vrijheid niet op prijs stelde. Het was een hardnekkig en ontevreden geslacht dat terug verlangde naar Egypte, waar het in slavernij leefde.

De bedoeling van de wetgeving

Tijdens de woestijnreis bedacht God een ‘middel’ om de verwaarloosde, ingeschapen wet weer terug te brengen in de harten van zijn volk. Hij gaf het volk de wet op de Sinaï, in het bijzonder de tien geboden die Hij zelf op twee stenen tafels schreef. In Deuteronomium 5:22 staat, dat God daar niets aan toevoegde. Zo voegde Hij bijvoorbeeld aan zijn woorden geen strafbepalingen toe. De burgerlijke en maatschappelijke wetten vormden de wet van Mozes. Zijn voorschriften waren overeenkomstig de ‘zwakke en arme wereldgeesten’, dat zijn de samenwerkende menselijke geesten die bijvoorbeeld door middel van de overheden met strafwetten vrede en rust proberen te bewaren (Gal.4:9). Zij hadden géén eeuwigheidswaarde, zoals de kerkbewoners, iedere week, jaar in jaar uit, wél fanatiek promoten.

  • ‘De wet is erbij gekomen met het oog op de overtredingen, tot de komst van het nageslacht (Jezus Christus) op wie de belofte betrekking heeft. Ze is uitgevaardigd door engelen door tussenkomst van een bemiddelaar’ (Gal.3:19).

De ceremoniële wetten waren uitbeeldingen van de gedachten van God m.b.t. het herstel. Deze werden van Godswege geïnspireerd en bleven geldig tot de tijd van Christus, de Hersteller (Hebr.9:10). Zo zei God tegen Mozes dat hij de tabernakel moest bouwen naar het voorbeeld dat hem vanuit de onzienlijke wereld was getoond (Hebr.8:5). De tien ‘woorden’ brachten de ingeschapen wet in herinnering. Daarom was deze wet niet te moeilijk en niet te ver weg, ‘maar dit woord is zeer dicht bij u, in uw mond en in uw hart om het te volbrengen’ (Deut.30:11-15). Bij de natuurlijke mens is deze wet in het verstand en bij velen ook in het hart:

  • ‘Wanneer toch heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, hoewel zonder wet, zichzelf tot wet; immers, zij tonen, dat het werk van de wet in hun harten geschreven is’ (Rom.2:14,15).

Het volk moest over de wet nadenken en ermee bezig zijn. Zo zou het verstand en het hart veranderen en de menselijke geest zou daardoor weer kunnen leven, dus opnieuw de drager worden van de wet van God. Zo had God het bedoeld, maar bij het tuchteloze volk was het geweten dichtgeschroeid. De psalmist klaagde: ‘Och, had mijn volk zich naar mijn raad gedragen’. Paulus schreef later: ‘Wij weten dat de wet goed is, als iemand haar wettig toepast’, dus ermee bezig is met zijn verstand en hart (1 Tim.1:8). Daarom kon de profeet David ook van zichzelf zeggen: ‘Ik heb verlangen om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste’ (Ps.40:9). Staat er ook niet van Zacharias en Elisabeth dat zij beiden rechtvaardig voor God waren en leefden naar alle geboden en eisen van de Heer, onberispelijk’ (Luc.1:6)?

De wet is toegevoegd

Goddelozen en zondaars verzwaren echter door hun ongehoorzaamheid en de verharding van hun hart, hun oordeel. In Galaten 3:19 staat dat de wet erbij was gevoegd, totdat het Zaad zou komen waarop de belofte sloeg. De wet is een hulpmiddel geweest om de ingeschapen wet tot leven te brengen, maar het heeft gefaald. Het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor de meeste mensen ten dode te zijn (Rom.7:10). De wet had dus een negatief effect bij de gebonden mens, omdat ze geen rekening houdt met satans demonen en ook geen kracht bezit om de gevallen engelen te weerstaan of uit te drijven. Met het Zaad, Jezus Christus, zou ook de tijd van het herstel aanbreken. Dan zouden de ceremoniële wetten in Hem vervuld zijn, want ze zijn met hun eten en drinken en wassingen slechts bepalingen voor het vlees, opgelegd tot de tijd van het herstel.

Liefde tot God en de naaste

Het belangrijkste, de rode draad van de ingeschapen wet, is liefde tot God en liefde tot de naaste. Het allereerste wat Johannes de Doper, Jezus en later ook Petrus op de Pinksterdag en Paulus duidelijk maakten, was dat de mens zich tot God moest bekeren. Dan is de ingeschreven wet geen vreemd element meer in het leven, want de bevrijde mens is ‘geschapen’ om goede werken te doen (Ef.2:10). Dit zal zijn naaste dan ten goede komen.

Allereerst waarschuwt God de mens dat deze geen andere goden (demonen) zou hebben. Er is immers maar één goede God die de mens liefheeft. De sabbat was aan de mens gegeven, zodat hij niet altijd bezig zou zijn met de natuurlijke dingen. Hij zou tijd krijgen om zijn aandacht te richten op God en diens wet. Iedereen had daarom een vrije dag, zelfs de slaaf. De heidenen hadden geen sabbat om zich een tijd af te zonderen en zich bezig te houden hoe zij het zondeprobleem in hun eigen leven zouden kunnen oplossen, zodat recht en gerechtigheid in hen zouden overwinnen.

De tweede tafel van de wet houdt de liefde tot de naaste in. De mensheid moest immers een hechte eenheid vormen: één volk, één wet en één geloof. Een kind zou daarom zuinig zijn op de goede verhouding met zijn ouders. Hij zou ze eren en gehoorzamen. Men zou zuinig zijn op elkaars leven en daarom niet een medemens doodslaan. Man en vrouw zouden elkaar van harte liefhebben en daarom het huwelijk niet verbreken. Men zou zuinig zijn op de goede naam van de ander en geen vals getuigenis spreken tegen de naaste. Zo zouden bij het overwegen van de wet van de Heer, de gedachten van God van buitenaf in het verstand moeten komen om tenslotte de wet van harte te doen. Zij die de wet beminden en deden, waren de rechtvaardigen naar Gods hart. God had alleen met hen contact. Zij vormden de rest van de mensheid met wie Hij omging en doorging.

De uitspraak in de wet van Mozes: oog om oog en tand voor tand, was niet gegeven als een herstel van de ingeschapen wet, maar stond in verband met de hardheid van hun hart. Men was immers gewend om als wraak meerder letsel toe te brengen. Ook was het in de wet van Mozes geoorloofd dat de wetsovertreder aan zijn vrouw een scheidingsbrief gaf. Dit gebod was echter niet ingeschapen en het was vanaf het begin niet zo geweest (Matth.19:8). Mozes was een ‘man van God’ en zijn zachtmoedige aard vinden wij terug in zijn wetten.

Jezus Christus – Het einde en de vervulling van de tien geboden

Toen Jezus onder het volk optrad, was men wel bezig de wet te bestuderen, maar op een aardsgericht niveau. Tijdens het uitpluizen van de wet kwamen er hele boeken en voorschriften bij, die de gewone man niet kon houden. De onontwikkelde en arme naaste werd daarmee door de leiders afgeschreven en overgegeven aan de boze geesten: ‘De menigte die de wet niet kent, vervloekt zijn zij!’ (Joh.7:49). Het leven naar de wet bestond uit uiterlijkheden:

  • ‘Het nauwgezet geven van tienden, het brengen van offers, het houden van sabbatsvoorschriften en gebruiken. Het lange, vormelijke gebed, de ontelbare ceremoniën, de brede gebedsriemen, grote kwasten en grote zwarte hoofddeksels en UFO’s, hadden een occulte waarde (verg. de 613 mitswot).

Ondanks deze levenloze vormendienst zag de menigte toen al tegen het religieuze establishment op. Jezus sprak niet over het onderhouden van allerlei wetsvoorschriften die niets te maken hadden met de ingeschapen wet. Daardoor zette het volk een vraagteken achter zijn trouw aan de wet. Men meende dat Jezus bezig was de wet en de profeten te ontbinden. Zijn eeuwig evangelie bracht echter zijn toehoorders in contact met God na hun reiniging van zonden. Zijn onderwijs m.b.t. het Koninkrijk van de hemelen – waarin ook zijn wetsbeschouwing was begrepen – was geheel nieuw. Door Hem werd de genade zo reëel, dat men de wet kon houden vanuit een gereinigd hart (Joh.1:17).

God is enkel goed

Jezus bracht een ander Godsbesef en sprak over de enkel goede God. Hij leerde hoe de wet moest worden gehouden en opende de ogen voor de ingeschapen wet. Met Hem was de tijd van het herstel aangebroken. Wie in Hem geloofde en zijn Geest ontvangen zou, werd verlost uit de hand van al zijn vijanden, de wetteloze geesten. Waren deze uitgebannen, dan kon de ingeschapen wet weer functioneren en werd de wet van de Sinaï overbodig. Hij schreef in het nieuwe verbond de wet weer in het verstand en in het hart. Toen ging de belofte in vervulling:

  • ‘Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn, dat Ik in het hemelse Jeruzalem samenbreng’ (Hebr.8:10).

De wet werd vervuld of vervolmaakt, omdat ze geschreven werd op tafels van het hart in de onzienlijke wereld. Later kon de apostel schrijven:

  • ‘Zodat de eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest’ (Rom.8:4).

De wet van de Sinaï was slechts een hulpmiddel, een natuurlijk surrogaat voor de in de geest ingeschapen wet. ‘De wet is de tuchtmeester ‘gewéést’ tot Christus’ (Gal.3:24). Jezus was niet gekomen om de wet af te schrijven, maar haar in alle duidelijkheid en betekenis te doen stralen. Hij was het einde van de wet, dat is haar doel of voltooiing (Rom.10:4). Al in zijn jeugd had Jezus met God en zijn naaste een goed contact, want ‘Hij nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen’ (Luc.2:52).

In de zichtbare wereld brak Jezus veel wetten. Hij stond zijn leerlingen toe om op sabbat korenaren te plukken. Hij genas een waterzuchtig mens op sabbat en maakte op sabbat slijk om de ogen van een blinde te bestrijken. Hij verklaarde alle eten rein, omdat zij de mens van binnen niet verontreinigen. Hij vergeestelijkte de profetieën en noemde Zichzelf de tempel van God. Hij identificeerde zich met de koperen slang, met het manna uit de woestijn en met de vuurkolom. Hij zaaide geen tweeërlei zaad. Hij was het paaslam. Door zijn evangelie van het Koninkrijk van de hemelen transponeerde Hij de besnijdenis uit de wet van Mozes naar de geestelijke wereld en maakte deze overbodig door de besnijdenis van het hart. Jezus maakte het de mensen in de natuurlijke wereld gemakkelijk, want zijn juk was zacht en zijn last was licht.

De tegenwoordige hemel en aarde zullen vergaan, dit wil zeggen, voorbijgaan, waaronder ook de wereld die in verband staat met de wet van de Sinaï. Alles wordt nieuw, dat is zoals God het heeft geschapen. Voordat het herstel beëindigd is, zal zelfs de kleinste wet van God weer gaan functioneren in de mens en in de schepping. De Joden zochten naar de betekenis van jota en tittel en kwamen daarbij tot allerlei pietluttige voorschriften in de natuurlijke wereld: het vertienen van de munt, de dille en de komijn. Door hun trouw aan de kleine voorschriften ontnamen zij de mens zijn Koninklijke waardigheid en maakten hem tot een slaaf van de wet. Paulus schreef:

  • ‘Het tegenwoordige Jeruzalem is met zijn kinderen in slavernij’ (Gal.4:25).

Jota en tittel symboliseren de kleine geboden. Wie echter in het Koninkrijk van de hemelen functioneert, kan van de ingeschapen wet van God zelfs niet de kleinste wetmatigheid over het hoofd zien. Hemel en aarde mogen voorbijgaan, maar de geboden van Jezus die de onzienlijke wereld betreffen, gaan nooit voorbij. Zij zijn gebaseerd op de grondwet van het leven: liefde tot God en liefde tot de naaste. Deze twee geboden drukken het doel van de wet uit en berusten op eerbied voor de Schepper en respect voor de medemens die naar het beeld van God is geschapen. Het vertienen van de munt, de dille en de komijn is niet zo belangrijk als het oordeel, de barmhartigheid en de trouw (Matth.23:23). Het oordeel is de scheiding tussen goed en kwaad. De barmhartigheid betekent de liefde tot de naaste en de trouw is de loyaliteit van de mens t.o.v. God en zijn naaste.

Waarom was het zonde, wanneer men een kreupel dier offerde (Mal.1:8). Omdat men daardoor liet zien, niets van de symboliek te begrijpen, want het symboliseerde Jezus als het volmaakte Lam van God, dat is het Lam dat God zelf bracht. Hij voorzag Zichzelf van een brandoffer (Gen.22:8). Petrus minachtte dit ‘kleine’ gebod dat Jezus naar Jeruzalem ‘moest’ gaan om te lijden en gedood te worden (Matth.16:21-23). Ook de Emmaüsgangers geloofden niet, dat de Christus ‘moest’ lijden. Veel kerkmensen willen er niet aan dat zij onder veel verdrukkingen ‘moeten’ ingaan (Hand.14:22).

Natuurlijk hoeft men zijn tienden niet meer te geven. Dit gebod hoort immers bij de wet van Mozes. Daarom zondert men voor de dienst van de Heer ‘een ieder naar zijn vermogen’ af (1 Cor.16:2). De ingeschapen wetten van het Koninkrijk van de hemelen zijn als onderdelen van een machine. Er kan geen schroefje worden gemist. Er staat:

  • ‘In alle delen onberispelijk’ (1 Thess.5:23).
  • Ook zei Jezus: ‘niet iedereen, die tot Mij zegt: Heer, Heer, zal het Koninkrijk van de hemelen binnengaan, maar wie de wil doet van mijn Vader, die in de hemelen is’ (Matth.7:21).
  • ‘Wie deze wil doet, namelijk het goede, welgevallige en volkomene en leert, zal groot heten in het Koninkrijk van de hemelen’ (Matth.5:19 en Rom.12:2).

Jezus was de allergrootste in het doen en daarom ook in zijn onderwijs. En wij zijn Zijn navolgers!