
- ‘En jij, mijn kind, zult Profeet van de Allerhoogste worden genoemd, want je zult voor de Heer uit gaan als zijn wegbereider; om zijn volk te leren hoe ze gered kunnen worden door de vergeving van hun zonden, dankzij de innige barmhartigheid van onze God. Zo ziet God naar ons om, het Licht en de Opgang uit de hoogte; het zal schijnen voor wie zitten in duisternis en in de schaduw van de dood, het zal onze voeten naar de weg van de vrede leiden’ (Lucas 1:76-79).
Dit is een deel uit de lofzang van Zacharias. Het was in de tijd dat Jezus geboren zou worden. De geboorte van Jezus Christus is verbonden met licht, Hij is het Licht. Jezus, de Zóón van God (en geen 1/3 verzonnen godheid), geeft ons het evangelie van Licht. Paulus noemt het het evangelie van de heerlijkheid van Jezus Christus.
Vol verwachting en hoop
Er waren in die tijd veel mensen die grote dingen verwachten. Er was a.h.w. een kleine gemeente die regelmatig bij elkaar kwam om God (Jezus’ Vader) te aanbidden en hun hoop en verwachting voor de toekomst uit te spreken om zich daarin te bemoedigen. Die mensen daar waren mensen op leeftijd, denk aan Anna, zij was 84 jaar en ze ging bij de anderen staan om de Heer te loven en te prijzen (Luc.2:36).

Als je ouder wordt, moet je niet steeds achterom kijken. Het is veel beter om dan – net als Anna – vooruit te kijken, vol verwachting over wat de Heer nog allemaal gaat doen. Anna en de anderen verwachtten de verlossing en bevrijding uit Jeruzalem. Zij waren geestelijke mensen, ze verwachtten de bevrijding uit de machten van de duisternis. Zo verwachtte Simeon, ook op leeftijd, dat God zijn volk gaat vertroosten. God zal de pijn van de innerlijke mens wegnemen. Van Simeon lezen we dat Gods Geest op hem was (Luc.2:25). Deze mensen zagen al uit naar de grote Trooster, Gods Geest, zodat het goede voor het kwade in de plaats zou komen. Deze mensen zagen uit naar dat wegdoen van alle ellende.
God is enkel goed

Ook Zacharias was al oud. Hij zegt dat God omziet naar Zijn volk! Hij is daar blij mee, want God heeft Zich ontfermd en zál Zich ontfermen. Hij roemt de innerlijke barmhartigheid van God, want God is enkel goed, uit Hem kan geen kwaad voortkomen (Jac.1:17). God geeft aan de mens de mogelijkheid om zonder angst te leven en verlost te worden uit de handen van de vijanden. Die verlossing is er niet pas ná je dood, maar die is er nu al: alle dagen van ons leven (vers 75). Dat is de realiteit in ons leven, we kennen geen angst in ons leven, we weten dat we niet om zullen komen. Elke dag mogen we zien wat we uit Gods hand ontvangen, al het goede komt van Hem.
Er komt redding voor het volk: het doel van God wordt bereikt: de mens van God volkomen toegerust tot alle goede werken (2 Tim.3:16,17). We zijn geen zondaars tot onze dood, want Jezus geeft ons de kracht om met hulp van Gods Geest al onze vijanden onder onze voeten te krijgen. Vijanden in elk formaat, al is het maar in de vorm van een pakje sigaretten of een fles whiskey. God wacht er op tot al onze vijanden door ons onder de voet gelopen en overwonnen zijn.
De mensen rondom Jezus’ geboorte zagen uit naar de Redder, Jezus Christus. Johannes de Doper was gekomen om het volk te vertellen van de komende verlossing. Hij zegt met Habakuk:
- ‘Al blijft het uit, geef het wachten niet op, want komen doet het beslist en het komt niet te laat. Wie in zijn hart niet deugt, kwijnt weg, maar de rechtvaardige blijft leven door zijn geloof in Jezus Christus’ (Hab.2:3,4).
Er gaat wat gebeuren. Dat is het mooie van het verwachtingspatroon van een kind van God: Er gaat altijd nog iets gebeuren dat al het andere overtreft. Er komt wat nieuws en het nieuwe is altijd beter. In het Oude verbond hebben mensen zich aan deze beloften vastgehouden en aan de volgende generaties doorgegeven, zoals Abraham die het aan zijn zaad heeft gegeven. Deze mensen hebben geloof gehad en zijn in dat geloof gestorven. Zij hebben voor hun tijd de raad van God gediend. Dat willen wij ook doen.
Als de gemeente een nieuwe tijd in gaat, gaat God weer spreken. Over Johannes de Doper wordt gezegd: ‘Jij zult een profeet van de Allerhoogste zijn’. Ook Anna, Simeon, Zacharias en Maria geven Gods woorden door. Er werd gezongen dat God de machtige van de troon heeft gestoten en de eenvoudige wordt verhoogd (Luc.1:52). Wat een geloof hadden zij, terwijl er alleen maar een klein jongetje geboren was. Bij het ingaan van een nieuwe tijd komt alles in beweging, ook in de geestenwereld als er grote wonderen gebeuren.
Josef en Maria vluchten naar Egypte vanwege de moordenaar Herodes

Als teken hiervan komt Herodes in de zichtbare wereld in beweging nu Jezus Christus komt. Drie occulte magiërs uit het oosten vertellen dit aan de Romeinse opperknecht en deze probeert daarom Jezus Christus te vermoorden.
- Wat doen wij? Verwachten wij ook grote dingen van God? Zien we er naar uit? Naar het herstel, de heling, de redding?
Wij leven ook midden in een ontrouw kerkvolk, toch mogen we hopen op en geloven in de bevrijding. Niet een bevrijding van problemen in ons land, we geloven niet in een bevrijdingstheologie. Wij geloven in een innerlijke bevrijding. De mens zelf moet innerlijk bevrijd zijn. De kerken kenmerken zich door het ontbreken van een hoopvolle verwachting voor de mensheid, men leeft daar in permanente duister. Men spreekt niet over een ware bevrijding, men zit vol negatieve gedachten. Maar Jezus is gekomen als het Licht van de wereld en geeft ons hoop voor de toekomst. Wij houden ons vast aan de belofte uit Jesaja 60:2:
- ‘Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Heer (het Licht) opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden’.
Wij geloven in het herstel van de gemeente van Jezus Christus. Wij hebben een boodschap voor de wereld, die gered zal worden door de gemeente. De zuchtende schepping ziet uit naar het openbaar worden van de zonen van God (Rom.8:19).
Uitzien naar de komst van de Heer

Wij verwachten de komst van de Heer om in de Zijnen geopenbaard te worden, als Hij komt om op die dag verheerlijkt te worden in al zijn heiligen en met verbazing gezien te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn (2 Thess.1:10). De wereld zal zich verbazen als ze Jezus herkennen in de Zijnen, zij zien in hen Zijn beeld, Zijn kracht en ontferming. Wij zien uit naar die totale verlossing. Wij zien niet uit naar de dood, want dat is geen verlossing. Wij hebben nu al het eeuwige leven. Jezus Christus is het Leven; Hij verlost ons en wij krijgen dat eeuwige leven nu, hier op aarde. Wij zullen de dood zelfs niet zien, bij ons sterven blijven we doorleven. Hoe ouder iemand wordt, hoe heerlijker dit gegeven is.
In de kerkganger die dit mooie allemaal voor zich uitschuift tot na de dood, heeft God geen plezier. De kerkganger denkt dat dit allemaal weggelegd is voor de verre toekomst. Dit vooruitschuiven betekent dat zo iemand geen geloof voor zichzelf heeft. Maar wij verwachten de parousie van Jezus Christus, als Hij bij ons komt met Zijn engelen. Dat geloof van de mensen rond Jezus’ geboorte willen wij overnemen. Zij hadden dat principe in zich dat zij de beloften van God aangrepen. Zij geloofden in het Licht en het leven, in de kennis van de redding, in de vergeving van de zonden.
De Opgang uit de hoogte

De Opgang uit de hoogte zal naar ons omzien en Hij blijft naar ons omzien. De Opgang is die stralende Zon, die niet voortkomt uit de aarde, uit de duisternis, uit het domein van de duivel, maar de Opgang komt uit de hoogte, uit de hemelse gewesten. De Opgang komt daar vandaan, waar wij ons burgerschap hebben, ons leven en daar waar we onze schatten verzamelen. Zodra we ons van ons leven daar bewust zijn, krijgen we deel aan de beloften van redding, verlossing, genezing en vinden we vrede. Dat ligt allemaal besloten in de vergeving van onze zonden. Dat is één en al genade, dat God door Jezus Christus en Zijn vrijwillige kruisdood, de wereld met zichzelf verzoende. Wij hoeven geen enkele inspanning daarvoor te leveren, wij hebben een wetsvrij evangelie, maar er wordt alleen gelóóf van ons gevraagd. Wij zijn met Hem verzoend, alsof er nooit iets tussen God en ons ingestaan heeft. Alles is vergeven en vergeten; er is weer gemeenschap met God.
Voor God gekocht en ook betaald aan satan, die macht over mensen had

De innerlijke barmhartigheid van onze God is geweldig groot. God heeft Zijn volk niet verstoten, Hij heeft naar ons omgezien door Jezus Christus, zijn Zoon. God laat Zijn schepping en Zijn schepsels niet los. Toen de duivel viel, werd hij verbannen (Jes.14; Ez.28:12-17), maar God verbant de mens niet. God heeft de aarde aan de (eens gevallen) mensenkinderen gegeven, een teken dat Hij ons niet verstoot. Hij laat echter de mens die níet naar Hem wil luisteren wél los. Hij moét hem wel loslaten. Niemand is verplicht om het paradijs binnen te gaan. Op aarde voeren wij een strijd in de hemelse gewesten tegen de bezetter van de aarde, de satan (Ef.6:12). Wij willen niet alleen de mensen, maar ook de schepping herstellen. Maar dat kan alleen als wijzelf hersteld zijn; als wij leven met God.
Het middelpunt van het evangelie is de vergeving van zonden. Het Nieuwe Testament staat er vol van. Meteen al in Mattheüs 1: ‘U zult Hem de naam Jezus geven, want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden’. Johannes de Doper heeft de weg voor Jezus bereid, zodat Hij zijn volk kon redden van hun zonden. Wij hebben ook een weg bereid, de weg door de wildernis van het aardse denken. Over kerkmensen is zoveel uitgegoten aan dogma’s en theologie, dat ze de eenvoudigste principes van het evangelie niet meer zien: de zonden worden je vergeven door het Lam van God. Ze worden niet weggenomen door naar de tempel te gaan, of door goede werken te doen, nee Jezus is voor onze zonden gestorven als wij ze voor God belijden. Alle mensen zijn in principe goed geschapen, ze mogen – door de opstanding van Jezus – tevoorschijn komen uit de chaos en de duisternis en dit eeuwig evangelie aanvaarden. God is goed, want Hij neemt onze schuld en zonden weg. Waar blijft onze schuld dan?
- ‘Zo ver het westen verwijderd is van het oosten, Zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten, van ons de schuld en zonden weggedaan’ (Psalm 103).
Als we vanuit ons land naar het westen gaan, gaan we naar Amerika. Maar als we in Amerika zijn, zijn we niet in het westen, dus moeten we nog verder reizen. Zijn we aan de westkust van Amerika, dan is het westen nog veel verder en zo gaan we de wereld rond. Zo ver is de schuld dus van ons, God doet de zonden weg, ver weg. En waarom doet Hij dat? Hij kent de geestelijke wereld goed, wij willen ook onderscheiden kunnen wat daar aan de hand is. Jezus wist dat er demonen in het spel zijn die ons van Hem af houden. Hij maakte ons duidelijk dat wij van die vijanden verlost moeten worden. Door de zondemachten van de mens te scheiden, kunnen wij weer vrij voor God staan. Maar dat kan alleen als wij Jezus aannemen, onze zonden belijden en het enige Bijbels Fundament leggen in het leven… Paulus had daar zicht op: ‘Wat ik wil, dat doe ik niet, maar wat ik niet wil, dat doe ik’ (Rom.7:17-19,20). Die machten van de duisternis houden ons af van gemeenschap met God, maar Jezus is gekomen om ons daarvan te verlossen (Hand.10:38).
De camouflage van de satan

De strijd van God is niet met de mens, maar met de satan. Jezus is daarom aan het kruis gestorven, om het loon van de zonde, de dood, vrijwillig te betalen. Jezus was met ons bewogen en heeft ons met God verzoend. Hij is begonnen aan het herstelplan van God.
- ‘Hij doet ons niet meer naar onze zonden en Hij vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden’ (Ps.103).
Het evangelie van Jezus Christus openbaart ons de gedachten van God en ontmaskert de vijand, de duivel. De duivel is een leugenaar, want hij laat ons eerst het kwade doen en vervolgens wijst hij ons als de schuldigen aan. Door zijn camouflage trappen velen in zijn leugens. Maar wie geestelijk kan denken, kan net als Jezus zien wat in de mens is. Daardoor kunnen we ook zien wat onszelf gebonden houdt aan de aarde. Wij hebben het oordeel, zodat we scheiding kunnen maken tussen de man en de macht.
God vergeeft ons. Als tegenprestatie hoeven wij niets anders te doen dat dit aanvaarden. Daarom moeten wij niet bezig zijn met het kwaad van een ander. Wij moeten geen wrok hebben tegen iemand, maar medelijden. Wij hebben leren bidden:
- ‘Vergeef mij mijn schuld, zoals ik vergeef die mij iets schuldig is’ (Matth.6:12). Als gemeente bidden we samen: ‘Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven die ons iets schuldig zijn.’
Dat is een manifestatie van de kinderen van God. De gemeente toont hier de gezindheid van Gods Geest. Dit is mogelijk door de boodschap van het koninkrijk van de hemelen. Als je kunt vergeven, heb je de innerlijke barmhartigheid van God overgenomen, dan ben je naar Zijn beeld en Zijn gelijkenis. Wij spreken daarom ook niet over vergelden, want God vergeeft en eist niets van ons terug. In de kerken leren ze dat een rechtvaardige God zegent en straft. Dit is een grote leugen. Onze God is een enkel goede, vergevende God.
Vergeven is vergeten. In de natuurlijke wereld is de overheid (nog sporadisch) het aangewezen orgaan om te vergelden en te straffen, maar in de hemel, in de geestelijke wereld is er alleen vergeving. Onze strijd is niet tegen vlees en bloed, maar tegen de satan en zijn demonen. Om deze strijd te kunnen voeren is vernieuwing van denken nodig. Dan is alles mogelijk voor degene die gelooft. Zo willen wij leven en laten we het Licht schijnen:
- ‘Op hen die wonen in de duisternis en schaduw van de dood, om onze wandel te richten op de weg van de vrede.’