
Eén van de gaven van Gods Geest die de gelovigen in het nieuwe verbond kan ontvangen, is de onderscheiding van geesten. Hij leert inzien, dat niet alles wat uit de onzienlijke wereld komt, van God is. Toen een demon Saul overheerste en hem zelfs tot moord aanzette, spraken men over ‘een boze geest van God’ (1 Sam.16:15, 23; 18:10 en 19:9). In 1 Kronieken 21:12 wordt gezegd dat een engel van God in het hele gebied van Israël verderf bracht. ‘Ook stuurde God een engel naar Jeruzalem om dood en verderf te zaaien’ (vers 15). Deze pestziekte verwekkende engel hoorde net als alle ziektemachten tot de legioenen van Apollyon, de verderver, de koning van de afgrond.
Veel kerkmensen menen dat bij een ziekte geen macht hoeft te worden gebonden of uitgeworpen. Dit komt, omdat zij de ziekte niet verbinden aan de beïnvloeding van het rijk van de duisternis. Toch verbinden zij haar wel aan een bovennatuurlijk ingrijpen, wanneer door hen gezegd wordt, dat de ziekte ons uit Gods Vaderhand toekomt. In bovengenoemde geschiedenis zien wij, dat wanneer de Heer de verderfengel een halt toeroept bij de dorsvloer van de Jebusiet Ornan, deze ziekte zich niet verder verspreidt. Wanneer Paulus, de apostel van de Heer, pijn en moeite ondergaat, wanneer hij gekweld wordt, spreekt hij niet over een engel van de Heer, maar over een engel van satan, die hem met vuisten sloeg (2 Cor.12:7). Als de satan hem voortdurend kwelt, weet hij dat God dit toelaat. Deze apostel strijdt tegen de satan en zijn leger. Hij onderscheidde duidelijk wat er aan de hand was.
De dood van Herodes
Totaal anders was dit, toen Herodes sterven moest, ‘omdat hij God de eer niet gaf’. Dan komt de toorn van God over hem en hij wordt aan de ontbindende en destructieve machten overgegeven. Hier is geen precisering nodig, omdat van Godswege een oordeel voltrokken wordt. Er staat:
- ‘Onmiddellijk werd Herodes geveld door een engel van de Heer omdat hij God niet de verschuldigde eer had bewezen, en door wormen aangevreten blies hij de laatste adem uit’ (Hand.12:23).
Onderscheiding van geesten is nodig om te zien, dat deze ‘engel van de Heer…’ en die bij de dorsvloer van Ornan tot een heel ander rijk hoorden dan de engel van de Heer, waarvan in hetzelfde hoofdstuk in Handelingen geschreven wordt, dat hij Petrus uit de gevangenis verloste. De laatste was immers uitgezonden om één te dienen die de redding ontving.
De verlamde in het badhuis

Ook in Johannes 5 wordt van ‘een engel van de Heer…’ gesproken. Deze daalde neer in het badwater te Bethesda en beroerde het water. Wie er na de beweging van het water dan het eerste inkwam, werd gezond, wat voor ziekte hij ook had. Dit verhaal doet ons denken aan ‘heilige’ plaatsen zoals Lourdes, waar het natuurlijke, geneeskrachtige water verbonden wordt aan de bovennatuurlijke verschijningen van geesten van gestorven heiligen. In Bethesda was niet Jezus de dokter, maar genezing kwam als gevolg van het feit dat – in de chaos van rennende zieken – de sterkste, de brutaalste en de man met de meeste vriendenhulp het won. Wie echt gezond wil worden, zal daarom moeten breken met elke vorm van occultisme en zijn genezing van de Heer verwachten. Daarom zei Jezus later tot de man:
- ‘U bent nu gezond; zondig daarom niet meer, anders zal u iets ergers overkomen’.
Occultisme – Zonde tot de dood

Wij geloven niet dat Jezus met deze waarschuwing bedoelde dat de man, die bijna veertig jaar ziek geweest was, nog een ergere ziekte zou kunnen krijgen. Ook geloven wij niet dat hier gedoeld werd op een bepaalde zonde uit het verleden, die oorzaak van zijn ziekte geweest zou zijn. Veronderstel dat deze man vijftig jaar oud was; dan zou hij daar als verlamde gelegen hebben om iets dat hij als twaalfjarige jongen gedaan had? Het ‘ergere’ zat in het feit, dat hij zich opnieuw zou inlaten met een vorm van occultisme, wat als zonde tot de dood hem voor eeuwig verloren zou doen gaan.
Satan als engel van het licht
Speciale aandacht en onderscheid is nodig om die demonen van satan te herkennen, die zich voordoen als een engelen van het licht. Zij brengen de mens niet in de eerste plaats tot zonde, maar spiegelen hem geluk voor. Wij zagen dit al bij het badwater van Bethesda. Wij zien dit ook bij het optreden van Simon, de tovenaar, die zichzelf ‘iets groots’ noemde en waarvan men in Samaria zei, dat hij ‘de grote kracht van God was’ (Hand.8:10).
Eén weg

Wanneer de apostel Paulus bij Filippi op een dag met zijn vrienden naar de gebedsplaats gaat, ontmoeten zij een slavin, die steeds riep: ‘Deze mensen zijn dienaars van de allerhoogste God en vertellen u hoe u gered kunt worden, terwijl er maar één weg tot God bestaat, dé weg en niet één (!) van de vele valse wegen’ (Hand.16:17). Wij kunnen ons voorstellen dat een zendeling in een heidens land in zo’n situatie denken zou: ‘Dit is een wonder van de Heer. God zelf heeft al harten klaargemaakt om de weg voor het evangelie te openen. Dit kan alleen maar van God zijn, want de duivel zegt zo iets niet’. Paulus heeft echter onderscheid van geesten en drijft deze waarzeggende geest in de naam van Jezus uit.
Vrome geesten

Zo zijn er mensen, die zeggen: ‘Ik kreeg het in mijn hart om dit of dat te doen’. Zij denken dat iedere gedachte, die van buitenaf in hun hart gelegd wordt, van God komt, omdat zij deze uit de onzienlijke wereld ontvangen. Wij wijzen er echter op, dat ook demonen ons gedachteleven proberen te beïnvloeden en dat vooral ‘vrome’ geesten moeilijk te onderscheiden zijn. Wat meende Petrus het goed met zijn Meester, toen hij Deze apart nam en onder vier ogen bestrafte met te zeggen: ‘God verhoede het, Heer! Dat zal u zeker niet gebeuren!’ (Matth.16:21) Maar de Heer onderkende deze demon, die met vriendelijke woorden het reddingsplan wilde verijdelen. Jezus keerde zich af en zei:
- ‘Ga terug, achter mij, satan! Je zou me nog van de goede weg afbrengen. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen’.
Job en zijn ‘vrienden’

- ‘Kan een mens zich gedragen zoals God het wil, kan iemand zonder smet zijn voor zijn schepper?’
Een duidelijk voorbeeld van een ‘vrome’, misleidende geest vinden we in Job 4:12-21. Het merkwaardige van dit gedeelte is dat, voor zover wij konden nagaan, er geen uitlegger is die deze geest herkend heeft. Elifaz vertelt daar dat een woord heimelijk tot hem doordrong, toen hij ‘s nachts, terwijl de gewone mensen sliepen, aan het mediteren was. In dit nachtelijk uur ontving hij visioenen. Hij zag een geest voorbijglijden en ging er vanuit, net als de latere commentators, dat hier een heilige engel van de Heer verscheen. Hij kwam immers uit de onzienlijke wereld naar een vroom en ernstig mens, maar die geen onderscheiding van geesten bezat. Deze geest bezorgde hem kippenvel. Vaag en onduidelijk staat deze gedaante voor hem, een typisch kenmerk van ‘vrome’ demonen. Later zou Johannes schrijven: ‘Zij hadden haar als vrouwenhaar’ (Op.9:7-10), dat wil zeggen: zij waren gesluierd; dus niet duidelijk zichtbaar. Elifaz hoort een fluisterende en ‘dierbare’ stem, die in zijn hart twijfel zaait: ‘Kan een mens zich gedragen zoals God het wil, kan iemand zonder smet zijn voor zijn schepper?’ Job mag immers niet zeggen, dat hij een rechtvaardige is:
- ‘Vrome’ geesten willen, dat de mens zich met hén identificeert en niet met God.
- Hij moet ‘zondaar blijven tot de dood…’
- Hij heeft op zijn best ‘een klein beginsel…’
- Het blijft bij ‘een ernstig voornemen…’, zouden dit soort geesten later zeggen.
Maar God had gezegd: ‘Zoals hij is er niemand op aarde: hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad’ (1:8). Deze ‘heilige engel’ gaat verder met zijn valse argumenten, waarvan de Schrift zegt: ‘Leringen van boze geesten’:
- ‘Zelfs in zijn dienaars stelt God geen vertrouwen, ook bij zijn engelen bespeurt hij nog gebreken…’
God wordt hier in zijn schepping aangetast. De engelen, die Hij geschapen heeft, zouden niet deugen, terwijl de psalmist zegt: ’Prijs de Heer, u die zijn engelen en dienstboden bent, sterke helden die doen wat Hij zegt, gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt’ (Ps.103:20).
De mens is in het oude verbond eigenlijk niet meer dan een mot, die men tussen licht en donker dooddrukt, vervolgt deze demon. Maar het nieuwe verbond, dat de onzienlijke wereld onthult, spreekt van de mens als erfgenaam van God, als koning en priester, die het beeld van de Zoon gelijkvormig wordt en die dezelfde werken mag doen als Jezus. Later zei de Heer tegen Elifaz:
- ’Ik ben kwaad op jou en je twee vrienden, omdat jullie niet juist over mij hebben gesproken, zoals mijn dienaar Job’ (42:7).
De vrienden van Job hadden wel contact met de onzienlijke wereld gehad en stemmen gehoord, maar dat was allemaal van de vijand. Alleen de voorbede van de rechtvaardige Job redde hun het leven. Alleen zij, die door Gods Geest geleid worden, zijn kinderen van God en staan in de waarheid. Daarom waak en bid dat u niet in verzoeking komt en niet van de rechte weg afraakt!