
- ‘Dit alles zei Jezus in gelijkenissen tot de menigten en zonder gelijkenissen zei Hij niets tot hen’ (Mattheus 13:34).
Jezus sprak vaak in beelden en allegorieën. Hij probeerde op deze manier bepaalde basiswaarheden van het geloof in God, van de infiltraties van demonen en van zijn lijden en sterven te verduidelijken. Ook paste hij deze manier van lesgeven toe bij het spreken over schuldvergeving, het eindoordeel en nog zoveel andere geheimen van het Koninkrijk van de hemelen. Hij zei: ‘Waaraan is het Koninkrijk van God gelijk en waarmee zal Ik het vergelijken? Het is gelijk aan…’ (Luc.13:18).
De leerlingen waren bevoorrecht, omdat Jezus hun ook de verklaring van de gelijkenissen gaf (Luc.8:10). Zij zeiden tot Hem:
- ‘Waarom spreekt U tot hen in gelijkenissen? Hij antwoordde hun en zei: Omdat het u gegeven is de geheimen van het Koninkrijk van de hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven’ (Matth.13:10,11).

Toch kostte de omschakeling van denken naar deze nieuwe wereld enorme geestelijke inspanning. Maar zij hadden de belofte van Johannes 1:52: ‘Voorwaar, Ik zeg jullie, je zult de hemel open zien.’ Dit betekende dat het gordijn dat de onzienlijke wereld voor hen verborgen hield, weggeschoven zou worden. Zij zouden als burgers worden ingeschreven in de stad van God. Jezus beloofde hun dat zij de sleutels van het eeuwige, onzienlijke Koninkrijk zouden ontvangen. Zij zouden kennis, wijsheid en inzicht krijgen in de wereld van de geesten.
Jezus gebruikte onophoudelijk beelden uit de natuurlijke wereld, zodat zij hierdoor de geestelijke zouden verstaan. Zo sprak hij over de hemelse Vader, wiens huis veel kamers telde. Hij wees daarbij op de doop met Gods Geest die de gelovige mens tot een tempel van God zou maken, want ‘Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen’ (Joh.14:23). Over deze manier van lesgeven merkte Jezus bij die gelegenheid op: ‘Dit heb Ik in beelden (of allegorieën, een bijzondere vorm van beeldspraak), tot u gesproken’ (Joh.16:25).
Uit de vraag van Thomas: ‘Wij weten niet, waar U heengaat, hoe weten wij de weg?’ en uit de opmerking van Filippus: ‘Heer, toon ons de Vader en het is ons genoeg’, bleek duidelijk dat de realiteit van de onzienlijke wereld nog maar een vaag begrip was. Hun gedachten bleven nog steeds op het zichtbare, aardse vlak hangen. Wanneer Petrus belijdt: ‘U bent de Christus, de Zoon van de levende God!’ heeft hij de heerlijkheid van Jezus in de onzienlijke wereld herkend en de Heer prijst hem hiervoor. Petrus zei hier immers mee dat Jezus de gezalfde Koning en Priester was in de hemelse gewesten.
Maar toen Jezus over zijn lijden, dood en opstanding sprak, zag deze leerling de noodzakelijkheid hiervan niet in en zijn reactie was: ‘Dat zal God tegenhouden, Heer, dat zal U niet gebeuren!’ Jezus spreekt Petrus hierop aan en Hij bestraft de satan, die hem zo aardsgericht deed denken (Matth.16:13-23). Men moet geest hebben en de functies van de geest, zoals geloof, kunnen gebruiken om de onzienlijke wereld te kunnen verstaan. Wanneer iemands geest gebonden is, bijvoorbeeld door leugengeesten, zal hij niet in staat zijn het Koninkrijk van God binnen te gaan. Zo waren veel Farizeeën en Schriftgeleerden immers verleugend door de vader van de leugen, satan zelf.
Wat de leerlingen betreft, na zijn opstanding opende de Heer hun verstand, zodat zij de schriften zouden kunnen begrijpen. Zij kregen verlichte ogen van het hart zodat zij de realiteit van de geestelijke wereld konden zien. Filippus vroeg aan de eunuch: Verstaat u ook wat u leest? Men begrijpt de periode van de schaduwen, de beloften van de oude profeten, de ceremoniën en wetten van het oude verbond alleen, als men de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen hanteert. Dan ziet men de geestelijke betekenis van de tabernakel, het Aäronitische priesterschap, de offers, het aardse Jeruzalem, de berg Sion, de natuurlijke natie Israël en van de volken die om dit oude verbondsvolk gegroepeerd waren. Het onder de wolk zijn, de doortocht door de Rode Zee, het manna dat uit de hemel neerdaalde, het water uit de rotssteen, de afgoderij van het volk in de woestijn, hun kalverendienst en hoererij, kortom de hele historie van Israël is ons tot voorbeeld geschreven (1 Cor.10:11).
- Men moet dus de Schriften van het oude verbond transponeren naar de hemelse gewesten, dus vergeestelijken, om ze in hun volle waarheid te kunnen verstaan. Ditzelfde principe geldt ook voor de uitleg van de gelijkenissen die Jezus zonder verdere toelichting ons meegaf.

De uitdrukking in onze tijd: “Men moet lezen wat er staat, geloven wat er staat en dan zal men ontvangen wat er staat…”, is typerend voor de natuurlijke of ongeestelijke mens. Men gooit hiermee immers de deur van het Koninkrijk van de hemelen in het nachtslot. Ook de menigte tot wie Jezus sprak, was niet in staat de gelijkenissen over te zetten, doordat zij nooit geleerd hadden geestelijk te denken. Voor de verantwoordelijke leiders in Jezus tijd gold de verschrikkelijke conclusie:
‘Maar wee u, Schriftgeleerden en Farizeeën, u huichelaars, want u sluit het Koninkrijk van de hemelen toe voor de mensen. Immers, u gaat er niet binnen en degene die probeert binnen te gaan, laat u niet toe daarin te komen’ (Matth.23:13).
De leiders waren zelf geestelijk blind en doof en hun verstand hield zich alleen bezig met de dingen van deze aarde. Zij hielden ook de menigte op dit niveau, zodat deze geen kennis kon krijgen van de hemelse gewesten. Voor wie de sleutels van het hemelrijk gebruikt, geldt:
- ‘Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden’ (vers 12).
Nieuwe vergezichten

Wie het principe van de leer van Jezus over het Koninkrijk van de hemelen aanvaardt, heeft in zijn gedachtewereld geen plafond. Hij krijgt steeds nieuwe vergezichten en er zijn geen grenzen meer. Met deze vernieuwing van denken stijgt de mens omhoog en beweegt hij zich in de geestelijke realiteit. Hij leert aan de hand van de beelden uit de zienlijke wereld of uit de gelijkenissen, het onzienlijke verstaan. Uit de natuurlijke schepping leert hij de wetten en de gedachten van God ook voor de onzienlijke wereld begrijpen.
Van Jezus Christus wordt gezegd: ‘De laatste Adam werd een levendmakende geest’ (1 Cor.15:45). Zijn boodschap wekte de geest van de mens op om zich in het Koninkrijk van de hemelen te bewegen. De leer van Jezus maakt dus geestelijke mensen. Wie deze grondgedachte verwerpt en de fundamentalistische of letterlijke beschouwingen van de Schriftgeleerden overneemt, zal ook tot een religie in de zichtbare wereld komen, net als zij. Dan houdt men zich bezig met kwesties hoe fanatiek men de zondag of de sabbat vieren moet, men gaat een overdreven waarde hechten aan liturgieën, muziek, organisatievormen, soepjurken en petjes, of het geld neemt in de boodschap een te grote plaats in.
Men probeert het buitenste van de drinkbeker te reinigen door zich druk te maken over kleding en kapsel. Men straft het vrome vlees door onthoudingen, door het ‘doden van eigen ik‘ door het normale en natuurlijke leven geweld aan te doen. Men vlucht in allerlei activiteiten en zendingsdrang, maar tenslotte zal blijken dat men geen tijd en wil heeft om het hemelse leven op de eerste plaats te stellen. Zo betrekt men de zoveelste orthodoxe wijk in het kolossale Babylon, dat ‘levensruimte’ geeft aan allen die in hun ‘dienst van God’ de aarde niet kunnen loslaten.
De natuurlijke godsdienst houdt veel kerkmensen zo bezig, dat zij tenslotte iedere vorm van geestelijk denken gaan verliezen, want wat zij bezitten, zal hun ontnomen worden. Voor wie niet opgroeit in de geestelijke wereld, maar zijn denken met de natuurlijke dingen blijft bezighouden, geldt:
- ‘Ik weet uw werken, dat u de naam hebt dat u leeft, maar u bent dood. Wees wakker en versterk het overige dat dreigde te sterven’ (Op.3:1,2).
Wie Jezus volgen wil, hoeft zijn verstand niet in te leveren, maar hij moet het juist goed kunnen gebruiken. De eis is immers dat de mens God zal liefhebben met heel zijn verstand. Domheid is een gebondenheid, waarvan door de kracht van Gods Geest verlossing mogelijk is. Met dommen bedoelen wij hier natuurlijk geen mensen, die niet of weinig gestudeerd hebben, maar hen die niet logisch of zuiver kunnen denken; dit is namelijk een absolute voorwaarde om de schriften te kunnen verstaan. Alles wat God spreekt, is logisch, ordelijk en harmonisch. Hij zegt nooit iets dat innerlijk tegenstrijdig is. Hij spreekt noch onduidelijk noch verward.
Het denken van veel kerkmensen wordt in verwarring gebracht en is dikwijls afgeremd. Zulke mensen zijn te vergelijken met een fietser die zwaar moet trappen, doordat het remblokje op het wiel drukt. Het is de satan die deze wanorde en remmingen veroorzaakt. Het verstand moet immers functioneren in dienst van de geest van de mens en in die van Gods Geest. Beiden moeten het kunnen gebruiken. Domheid is evengoed een handicap als doofheid en blindheid. Zij maakt het immers ook onmogelijk om de dingen van de zienlijke wereld te verstaan. De communicatie met God of met de medemens wordt door domheid en verwarring belemmerd. Daarom herstelt Jezus de mens ook naar zijn natuurlijke leven. Hij maakt hem gaaf en gezond, want God wil ‘het goede, het welgevallige en het volkomene’ (Rom.12:2). Dit is dan ook het antwoord aan hen die menen ‘dat men Gods wil niet kan kennen…’
Nu is het mogelijk dat men een goed verstand heeft, maar de Bijbel spreekt ook over mensen die onvoldoende geest bezitten (Mal.2:15). Niet alleen het lichaam en de ziel moeten zich ontwikkelen, maar ook de geest moet groeien, want men moet leren om geestelijk te leven en te denken. De grote menigte in Jezus dagen was niet bij machte om de betekenissen van de gelijkenissen te verstaan, omdat zij niet geleerd had het verstand op de geestelijke wereld te richten. Natuurlijk begrepen de meeste toehoorders de verhalen wel, maar zij waren niet in staat de gelijkenissen in een hogere dimensie te projecteren. Voor de ongeestelijke of natuurlijke mens gelden de woorden: ‘Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten’ (Jes.55:9). De ongeestelijke mens denkt alleen in de natuurlijke wereld, maar Gods gedachten bewegen zich ook in een andere sfeer. De (natuurlijke) mens ziet aan wat voor ogen is, maar de Heer ziet het hart aan (1 Sam.16:7). Hij rekent dus met de onzienlijke en innerlijke mens die bij de geestenwereld hoort.
In Mattheüs 13:13-15 staat: ‘Dit is de reden waarom Ik in gelijkenissen tot hen spreek: omdat zij ziende blind en horende doof zijn en niets begrijpen. In hen komt deze profetie van Jesaja tot vervulling:
- ‘Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben. Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden zij gesloten, zodat zij met hun ogen niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen en zich bekeren. Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou Ik hen genezen’.
Wanneer de Heer zijn volgelingen belooft de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen te geven, houdt dit in dat zij geestelijke zintuigen ontvangen, waardoor zij in deze gewesten kennis kunnen verzamelen. Men ontvangt geopende ogen en horende oren om zich te oriënteren en de hand van het geloof om zich de geestelijke realiteit toe te eigenen. Het gevolg is dat het inzicht in de onzienlijke wereld een volkomen structuurverandering in het denken bewerkt. Men werkt voortaan met nieuwe axioma’s. Vanuit de grondwaarheden van het Koninkrijk van de hemelen stijgen de gedachten omhoog en men ziet iedere situatie anders en duidelijker dan vroeger, omdat men de oorzaken ervan verstaat en het wezen van de dingen heeft ontdekt en zich er boven verheft.
Wereldwijde hypnose

Wie deze sleutels mist, zal merken dat hij in onze tijd, waarin de geestelijke duisternis, demonie en wereldwijde hypnose fors toenemen (Op.13:1), zwaar gehandicapt is en dat hij nog verliest, wat hij dacht te bezitten. Over de Farizeeën en Schriftgeleerden zegt Jezus dat zij blind en doof waren. Zij misten ook de hand van het geloof om de leer van Jezus te grijpen. Ook verweet Hij hen dat zij voor de menigte de sleutel van de kennis hadden weggenomen (Luc.11:52). Hun onderwijs was zodanig dat het volk geen enkel inzicht in de hemelse gewesten kon krijgen. Zijzelf konden het Koninkrijk van de hemelen niet binnengaan en die probeerden in te gaan, beletten zij dit door tegen de woorden van Jezus te waarschuwen.
De gelijkenissen die Jezus over het Koninkrijk van de hemelen uitsprak, zijn te vergelijken met de wolk en vuurkolom, waarvan de schaduwkant naar de Egyptenaren en de lichtzijde naar het volk van het oude verbond was toegekeerd. Men zou ze kunnen vergelijken met een vrucht die een kostelijke pit bevat. De een is tevreden met het bewonderen van het mooie vruchtvlees, terwijl de andere de pit zoekt, waarin zich het nieuwe leven bevindt. Wanneer Jezus zijn leerlingen de gelijkenissen verklaart, is dit eigenlijk niets anders dan het openen van hun geestelijke ogen, dus hun verstand, zodat zij de geestelijke strekking kunnen zien. Hun oren waren gelukkig dat zij deze uitleggingen hoorden en hun ogen waren gelukkig, omdat deze een nieuwe visie ontvingen.
Vijandschap

Paulus schreef over het Israël van zijn tijd (en ook van vandaag), dat zij geen begrip heeft van de onzienlijke wereld. Er hing een sluier over de Joodse geest, wanneer de wet en de profeten voorgelezen werden, zodat zij de geestelijke betekenis daarvan niet verstonden (2 Cor.3:14). Het hart, ofwel de innerlijke mens van het Joodse volk was met een vetlaag bedekt, zodat het evangelie van Jezus Christus niet kon doordringen. Het zichtbare was de realiteit: de stenen tempel, de traditie, de inzettingen van de ouden, de overleveringen van de voorvaders, de uitwendige vroomheid door lange gebeden, veel vasten en gewijde kleding. Deze dingen waren kostbaar in hun ogen.
Waarom werd Stefanus gestenigd? Omdat deze leerling van Jezus op grond van de Schriften duidelijk uitlegde, dat de God niet woont in een zichtbaar, gewijd stenen gebouw. Zijn troon of het centrum van zijn heerschappij is de hemel en dit midden van de onzienlijke wereld heeft te maken met de innerlijke mens. God wil zich verbinden met de geest van de mens. Hij zoekt op deze manier een woning in hen en eenmaal zal God zijn alles in allen (1 Cor.15). De Joden konden echter hun hart of innerlijke mens niet tot God verheffen. Hun geestelijke oren waren hardhorend en hun geestelijke ogen waren toegesloten.
Herkennen wij in deze situatie ook niet het naamchristendom van onze tijd? Dit heeft ook geen weet van de hemelse gewesten. Het spreekt wel over het Koninkrijk van de hemelen, maar heeft tegelijkertijd de betekenis als geestelijke of onzienlijke wereld eraan ontnomen en het een natuurlijke en aardse inhoud gegeven.