5. Toename van licht en duisternis

<<<<<

Niet alleen de tarwe uit deze gelijkenis komt tot volle rijpheid, maar ook het onkruid. Tegenover de waarheid staat de dwaling. Ook de dwaling nadert het eindstadium. Tegenwoordig spreken velen over ‘de tekens van de tijd’. Zij zoeken deze meestal in de zichtbare wereld. Zij wijzen op natuurrampen als aardbevingen, overstromingen en orkanen. Zij spreken over veranderingen aan de zon, maan en sterren en zij letten op het bulderen van de zee en branding (Luc.21:25). Zij houden zich op oudtestamentische wijze bezig met de zichtbare, hoorbare en tastbare dingen en verwachten daarin steeds meer superlatieven te beleven. Omdat men echter nooit weet, wat de grootste aardbeving, de ergste ramp en de zwaarste orkaan is, weet men nog steeds niet precies wanneer het einde ‘het nabij en voor de deur is’.

De vrouw en de draak

Het Nieuwe Testament houdt zich echter bezig met de onzienlijke wereld, het Koninkrijk van de hemelen. Jezus zegt dat dit overeenkomt met iemand die goed zaad op zijn akker zaait, terwijl de duivel er onkruid tussen zaait. De tekens van de eindtijd vinden dus hun oorsprong in de geestelijke wereld. Het wankelen van de hemelse machten, het bulderen van zee en branding zijn daarom tekens in de onzienlijke wereld. Openbaring 12 noemt als teken in de onzienlijke wereld ‘de vrouw’, dat is dus de gemeente. Daarnaast zag Johannes in diezelfde geestelijke wereld het teken van de draak, de duivel. De laatste brengt door middel van de geest van de antichrist(enen) het onkruid tot volle rijpheid. In zijn brieven aan de Thessalonicenzen behandelt de apostel dit dubbele rijpingsproces.

De Parousia en de antichrist

De gemeente komt tot de volmaaktheid. De Heer plaatst bij Zijn terugkomst een gemeente voor zich die stralend, zonder vlek en rimpel (Ef.5:27). Op die dag wordt Hij gezien in al zijn heiligen (2 Thess.1:10), maar deze ‘dag van de Heer’ komt tegelijkertijd met de toenemende wetteloosheid. Het woord van de waarheid wordt dan ook steeds meer losgelaten. Paulus spreekt over de komst van de zoon van het verderf, dé mens van de wetteloosheid (Op.13:11,12). Het eindstadium van de gemeente van de antichrist beschrijft Paulus in 2 Thessalonicenzen 2:9-12: ‘De antichrist zorgt ervoor dat zij de leugen geloven, zodat allen geoordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar plezier hebben gehad in ongerechtigheid… Zij missen ‘de liefde tot de waarheid’.

Dit onkruid van de dwaling ‘zijn de zonen van de satan’, zegt Jezus (Matth.13:38). Let erop dat de apostel in 2 Thessalonicenzen 2 niet spreekt over tekens in de natuurlijke wereld. Hij brengt ‘de komst van de Heer en onze (zichtbare) vereniging met Hem’, niet in verband met het natuurlijke Israël, de Verenigde Staten of China, of met natuurrampen die aan de dag van de Heer vooraf zouden moeten gaan. De Heer zelf zei dat de eindtijd overeenkomt met de dagen waarin Noach leefde. Men zal eten, drinken, trouwen en ten huwelijk geven. Dit gaat dan gewoon door.

Ook oorlogen, hongersnoden en rampen zijn er altijd geweest en zullen er tot het einde blijven. Daarom zullen de spotters, die blind zijn voor de geestelijke ontwikkelingen, terecht opmerken, dat er in de natuurlijke wereld geen veranderingen te zien zijn: ‘want sinds de vaderen gestorven zijn, blijft alles zo, als het van het begin van de schepping af geweest is’ (2 Petr.3:4). De eindtijd is echter de climax van de geestelijke ontwikkelingen, waarin goed en kwaad als wit en zwart duidelijk tegenover elkaar komen te staan en die zijn afsluiting vindt in een gigantische geestelijke worsteling, waaruit de zonen van God overwinnend tevoorschijn komen, namelijk uit de slag van Armageddon in de hemelse gewesten. In de oogsttijd regeren in de afgevallen kerk de dwaling en de leugen. Langs deze weg nestelen de wetteloze machten zich ‘in de tempel van God’, in de mens, die God zich als woning uitgekozen heeft.

En al het groene gras verbrandde

In de laatste dagen zien we dat het al het groene gras, de jeugd, verbrandt: zij wordt een prooi van de machten van de duisternis. Dit is te zien in de manier van leven van de jeugd:

  • jonge mensen zijn bang om iets belangrijks te missen (FOMO),
  • ze ‘sieren’ zich met tatoeages,
  • ze worden hysterisch door het bezoeken van de vele festivals,
  • ze moeten verplicht een keuze maken over hun gender,
  • kortom ze worden voortgejaagd en de wetteloosheid ligt daarbij op de loer.

Johannes schrijft hierover:

  • ‘En de zeven engelen die de zeven bazuinen hadden, gingen zich klaarmaken om op de bazuin te blazen. En de eerste engel blies op de bazuin en er kwam hagel en vuur, vermengd met bloed en dat werd op de aarde geworpen. En het derde deel van de bomen verbrandde en al het groene gras verbrandde’ (Op.8:6,7). 

Uit dit alles concluderen wij dat de oogsttijd, de dag van de Heer en de toekomst van de Heer (Parousia) alle hetzelfde tijdperk aanduiden, waarin zowel graan als onkruid rijp worden. Deze dag van de Heer is tegelijkertijd de tijd van de polarisatie in de kerk. Opnieuw geboren christenen trekken uit Babylon. Zij die bezet zijn met de geest van de dwaling, de geest van de antichrist, ‘gaan van ons uit’. Zij verlaten de gemeente van Christus, omdat het ‘het laatste uur is’. Wanneer de scheiding volkomen zijn en de tegenstellingen aanwijsbaar, zal de hemelse Landman het sein geven de sikkel in het onkruid en in de tarwe te slaan, omdat dan de oogst van de aarde rijp geworden is.

In bundels

  • ‘Dan zal ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen: ‘Wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het. Verzamel daarna het graan in mijn schuur’ (vers 30).

In de oogsttijd komen het koren en het onkruid niet alleen tot rijpheid, maar zij worden ook duidelijk herkenbaar en kunnen volledig van elkaar gescheiden worden. Alle eeuwen door leefden goeden (kinderen van het Koninkrijk) en kwaden (kinderen van de duivel) naast elkaar (zelfs in de kerken). Er is een tijd geweest dat er maar één ‘kerk’ bestond waar bijna alle christenen bij hoorden. Dit duurde tien eeuwen.

In de gelijkenis wordt gesproken om het onkruid te bundelen. Dit is in de kerkgeschiedenis geen onbekend verschijnsel, het is overal te zien. In de religieuze wereld worden dwalingen geaccepteerd en men gaat zich daaromheen groeperen. We noemen hier: het organiseren rondom dwalingen als de babybesprenkeling, de uitverkiezingsleer, de eucharistie, de sabbatsrust op de zevende dag, het boek van Mormon, Roomse dodenaanbidding, de geschriften van de Jehova’s getuigen, de Heidelberger en dergelijke.

Vaak stellen kerken of groepen wel een Bijbelse waarheid centraal, maar daarnaast houdt men veel dwalingen vast. Dit zien wij onder andere bij de baptisten die wel de volwassendoop door onderdompeling erkennen, maar niet de doop met Gods Geest. Bij de pinksterbeweging erkent men wel de doop met Gods Geest, maar niet dat men de opdracht heeft demonen uit te werpen.  Een kind van God kan volgens hen niet gebonden zijn. De maranathabeweging met haar valse toekomstverwachtingen is op het aardse Israël gericht. Geen enkele historische kerk neemt afstand van de vele dwalingen. Op die manier wordt overal het enig Bijbels Fundament aangetast. Dit samen bundelen geeft ons inzicht in de manier waarop de bossen onkruid gevormd worden. Iets wat we duidelijk teug zien in de ‘samen-op-weg’ beweging, ook wel de oecumenische beweging genoemd. Dit bij elkaar verzamelen kan een meer modernistisch aspect, maar ook een orthodoxe of ‘Bijbelgetrouw’ gezicht hebben.

Ook de opnieuw geboren kinderen van God worden uiteindelijk bij elkaar verzameld. Zij aanvaarden de leer van het Koninkrijk van de hemelen, die de christen terugbrengt in eigen land en op eigen bodem, namelijk in de hemelse gewesten. Dit is het evangelie van Jezus Christus dat ook de apostelen brachten en waarmee Paulus onder de heidenen rondreisde. Dit evangelie van het Koninkrijk van de hemelen zal over de hele wereld gebracht moeten worden, voordat het einde komt en dus de volle vrucht ervan gezien wordt (Matth.24:14). En de Landman wacht tot de kostbare vrucht van de akker rijp is, voordat hij het startsein geeft om te oogsten.

De Bijbel is een geestelijk boek en de ontdekking van deze waarheid zal de oprechte christen in de geestelijke wereld brengen. Daar leeft hij, daar strijdt én overwint hij. Hij leeft dus in twee werelden, maar zoekt eerst de onzienlijke wereld van het Koninkrijk van God. Opnieuw geboren christenen maken zich los van de dwalingen die hen aan de aarde binden. Zij kiezen de hoge weg door de hemelse gewesten, die hen voert naar de troon van God. 

Wij wijzen er nogmaals op dat eerst het onkruid bij elkaar verzameld wordt. De gedachte dat de komst van de Heer en de opname van de gemeente de eerstkomende gebeurtenissen zijn die wij moeten verwachten, is daarom on-Bijbels. Deze dwaling leidt de aandacht af van wat werkelijk gebeuren gaat, namelijk dat ‘eerst’ de afval moet komen en de mens van de wetteloosheid zich zal openbaren, dus dat ‘eerst’ het onkruid zichtbaar bij elkaar gebracht wordt (2 Thess.2:3).

Tegenover de samenbundeling van het onkruid in de gemeente van de antichrist, staat het bij elkaar brengen van de goede tarwe in de ware gemeente van Jezus Christus die in de eindtijd zonder vlek of rimpel zal zijn. De ‘schuur’ is hier dan het beeld van deze gemeente, die duidelijk te onderscheiden is van alle andere religieuze samenvoegingen. Haar leden worden door de Heer bewaard om bij zijn terugkomst in een ondeelbaar ogenblik veranderd te worden en onsterfelijkheid aan te doen.

Men spreekt vaak over een ‘hemelse’ schuur. Men bedoelt daar dan meestal mee dat de gemeente verplaatst zou worden naar een ver verwijderd oord, dat de naam ‘hemel’ draagt. Opnieuw geboren christenen zijn echter op aarde al overgezet in de hemelse gewesten en vormen hier al het hemelse of geestelijke Lichaam van Christus. In de eindtijd wordt dit Lichaam dan ook op aarde in al zijn zuiverheid geopenbaard. Men zou dus duidelijker kunnen spreken over een geestelijke schuur, waar geestelijke mensen bij elkaar gevoegd zijn.

>>>>>