
- ‘Wanneer het oogsttijd is, zal Ik tegen de maaiers zeggen: ‘Wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het. Breng dan het graan bijeen in mijn schuur’ (Matth.13:30).
- ‘De oogst staat voor de voltooiing van deze wereld’ (verg. Matth.13:37-43).
Het opvallende van het leven op aarde is, dat het een ontwikkelingsproces doorloopt. Dit in tegenstelling tot het leven in de geestenwereld, dat niet verbonden is met de stof. Engelen liggen niet in de wieg! Voor hen geldt: ‘Toen u geschapen werd, waren zij (de talenten en de geestelijke gaven) gereed’ (Ez.28:13).
De zaaier

In Marcus 4:26-29 spreekt Jezus over een boer die zaad uitstrooit. Na dit werk gaat hij naar huis, rust uit en staat de volgende morgen op. Dit gaat zo een aantal dagen door. Intussen komt het zaad op en groeit, zonder dat de mens iets van dit mysterie begrijpt: ‘De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar en dan het rijpe graan in de aar. Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst’ (Marc.4:26-29).
Heel duidelijk past Jezus dit rijpingsproces toe op de ontwikkeling van de mens in de geestelijke wereld, want Hij merkt op: ‘Zo is het Koninkrijk van God’. In Johannes 3:8 spreekt Hij ook van de onbegrijpelijke weg die God met de ‘uit de geest geboren’ mens gaat. Hij vergelijkt hem met de wind: deze ‘blaast, waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt of waar hij heengaat: zo is iedereen, die uit de geest geboren is’. Deze levensweg, deze groei, deze voortgang en deze ontwikkeling, blijven een mysterie, maar zijn en worden wel werkelijkheid (Joh.3:8).
De schepping

Nadat God in zes scheppingstijdperken de aarde formeerde, rustte Hij op de zevende dag. Wat wordt hiermee bedoeld? God heeft een plan met zijn werken en in de schepping heeft Hij alles gelegd wat nodig is om zijn gedachten te realiseren. Wat God erin gelegd heeft, komt eruit. De mens heeft Hij gecreëerd met een doel: dat zich een menselijke geest zou ontwikkelen met wie Hij contact kan hebben en die met Hem de heerschappij zal delen in de onzienlijke en in de zienlijke wereld. Dit plan laat God nooit los. Hij realiseert het door een groeiproces. Zoals de boer ervan overtuigd is dat het goede, geselecteerde zaad, royale vrucht zal opleveren, zo gelooft ook God in het werk dat Hij geschapen heeft. Dit is zijn ‘rust’ en als wij onvoorwaardelijk geloven in het bereiken van het doel, gaan wij in tot de geloofsrust, zoals God ook tot rust gekomen is van zijn werken (Hebr.4:10). Dit geldt voor álle dagen en niet alleen op zondag, maar ook op een drukke donderdag in een eindeloze file!
Gods eeuwig plan
De woorden die bij de schepping uit Gods mond gegaan zijn en die zijn gedachten vertaalden, zullen niet leeg en zonder nut tot Hem terugkeren, maar zullen doen wat Hem blij maakt en dat doen, waarvoor Hij ze gezonden heeft (Jes.55:11). In zijn plan was zelfs het Lam (Jezus Christus en geen drie-eenheid) aanwezig, dat de schuld van de mens zou verzoenen en deze generatie is er sinds het begin van de wereld (Op.13:8).
Bij de woorden ‘oogsttijd’ en ‘voltooiing van de wereld’ of letterlijk: volheid van de aeonen of eeuwen, is ook sprake van een ontwikkelingsproces. Zoals het graan zijn groeifasen heeft van halm, van aar en van het volle koren in de aar, zo doorloopt de schepping tijdperken die naar een volheid gaan. Zo werd in de volheid van de tijd, (eu kairos), dus aan het einde van het oude verbond, de Zoon van God geboren (Gal.4:4). Die gebeurtenis was tegelijkertijd de inleiding tot een nieuw tijdperk, dat van de gemeente van Jezus Christus.
Ook in deze nieuwe aeon zit een ontwikkeling. Zij eindigt bij de openbaring van de zonen van God en met de terugkomst van Jezus Christus. Dit laatste is weer het begin van een nieuw tijdperk, waarin de schepping door middel van de zonen van God tot herstel gebracht wordt, terwijl satan gebonden is voor duizend jaar (Rom.8:19; Op.20:2). Na dit tijdperk komen de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Daarin worden ook alle rechtvaardigen van het oude en velen van het nieuwe verbond, vervuld met de Geest van God, zodat tenslotte ‘God is alles in allen’ (1 Cor.15:28). Het hele verlossing- en reddingsplan heeft tot resultaat de volmaakte geestelijke mens, die aan het beeld van de verhoogde Heer gelijkvormig is.
Het experiment van God met de duivel

Deze groei naar het volmaakte wordt echter tegengewerkt door de satan, de oude slang. Op de weg van het leven probeert hij immers de mens het voortgaan te belemmeren door zijn hiel te vermorzelen, maar wij weten dat in deze strijd de zonen van God hem uiteindelijk de kop zullen vermorzelen. De uitslag staat voor ons dus vast.
In zijn ontwikkelingsplan experimenteert de Schepper met de geesten van leugen, zonde, ziekte en dood, die van boosheid en van wetteloosheid. Hij heeft immers de leviathan geschapen om ermee te spelen en zijn schepping te louteren, zodat zij tot het schoonste en hoogste resultaat gevoerd wordt (Ps.104:26). In de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe worden wij met dit ontwikkelingsproces geconfronteerd. Er is een oogsttijd, dit wil zeggen dat het kwade en het goede volledig in dit tijdperk geopenbaard worden. Het zal dan blijken dat wat uit God geboren is, de overwinning zal behalen op wat door de duivel erin gebracht werd.
Wij zijn in de rust van God, als wij vasthouden aan de waarheid dat – ondanks alle krachtsinspanningen van de satan – onze Heer toch zijn werk in ons voltooien zal. Wij verwachten dus een periode waarin zowel het kwade als het goede tot volle rijpheid komt. De Bijbel spreekt in dit verband over ‘de dag van de Heer’ of gebruikt de woorden ‘in die dagen’. Dan zal de geestelijke duisternis op de wereld overal voel- en tastbaar zijn, maar tegelijkertijd zal het licht van Gods genade in zijn volk helderder schijnen dan ooit te voren in de reddingsgeschiedenis. De profeet sprak over deze slotfase van ons tijdperk:
- ‘Sta op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de Heer. Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de Heer, zijn luister is boven jou zichtbaar’ (Jes.60:1,2).
- Ook Joël zag dit tijdperk en profeteerde: ‘Daarna zal het gebeuren: Ik zal mijn geest uitgieten over alle mensen, profeteren zullen uw zonen en uw dochters, uw ouderen zullen dromen begrijpen, uw jonge mannen zullen visioenen zien. Zelfs over de dienaars en de dienaressen giet Ik mijn geest uit in die dagen. Ik zal wonderen doen in de hemel en op de aarde: bloed, vuur en zuilen van rook. De zon zal veranderen in duisternis, de maan in bloed, voordat de dag van de Heer komt (Joel 2:28-32).
Geduld

Het gaat hier over een ontwikkeling in 2 richtingen: de gemeente van Jezus Christus bereikt haar hemelse bestemming en tegelijkertijd worden allen, die de waarheid niet liefhebben, gedemoniseerd. Duisternis, bloed en vuur zijn namelijk beelden van de vernietigende werking van satans demonen. De apostel Jacobus benoemt het groeiproces van de ware gemeente, als hij schrijft:
- ‘Heb dus geduld, broers en zusters, tot de komst van de Heer. Zie, de landman wacht op de kostbare vrucht van het land en heeft geduld, totdat de vroege en late regen erop gevallen is’ (Jac.5:7).
De vroege regen is de uitstorting van Gods Geest in de eerste christengemeenten en de late regen is beeld van het werk van Gods Geest in ‘de laatste dagen’. Voor ons geldt de Joëlsprofetie de belofte: ‘En u, kinderen van Sion, jubel en verheug u om de Heer uw God, want Hij geeft u de leraar van de gerechtigheid en laat de regen voor u neerkomen; herfstregen en voorjaarsregen, zoals voorheen. De dorsvloeren zullen vol koren liggen de perskuipen lopen over van most en olie’ (Joel 2:23,24). Jezus sprak in gelijkenissen, maar wij zien dat ook de profeten, door dezelfde Geest geïnspireerd, in beelden spraken.
Een gevaarlijke dwaling

In dit verband wijzen wij op een gevaarlijke dwaling. Er zijn mensen die leren dat niets de komst van de Heer meer in de weg staat. ‘De Heer kan vannacht komen!’ zeggen zij met nadruk. Hun dwaling houdt dus geen rekening met het bovengenoemde ontwikkelingsproces, waarbij de gemeente van Jezus Christus betrokken is. Zij gaan uit van een schokeffect, dat buiten de gelovigen om tot stand komt. Zij menen dus, om in het beeld van onze gelijkenis te blijven, dat de hemelse landman plotseling en onverwacht de sikkel zet in planten die nog maar net uit de grond gekomen zijn. Wie deze dwaling gelooft, vindt het om met Gods Geest te zijn. Daarom zijn allen, die geloven in een plotselinge opname en de daaruit voortgekomen aardse Israëlaanbidding, grote vijanden geworden van het plan en het doel van God.
De aardse Israëlaanbidding

De mensen die inzetten op het behoud van het aards Israël, gaan ervan uit dat het troostboek van de gemeente in de eindtijd, de Openbaring, na hoofdstuk 4, niet meer van belang zijn voor de gemeente. De visioenen van Johannes zeggen hen niets, want de gemeente is immers dan al opgenomen? Daarmee wordt ook het rijpingsproces geloochend: ‘Wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten en wie onrein is zal nog onreiner worden. Wie goed doet zal nog meer goeddoen en wie heilig is zal nog heiliger worden’ (Op.22:11).
Jezus zei echter over de verwachting dat Hij ieder ogenblik zou kunnen terugkeren en niets zijn komst in de weg zou staan: ‘Let op, laat je niet misleiden. Want er zullen velen komen die mijn naam gebruiken en zeggen: ‘Ik ben het’, of: ‘De tijd is gekomen’, volg hen niet!’ (Luc.21:8). Paulus verwierp ook deze dwaling met de woorden: ‘Laat u niet misleiden, op welke (vrome) manier ook (misschien door profetieën als: de Heer komt spoedig), want eerst moet de afval komen en de mens van de wetteloosheid zich openbaren’ (2 Thess.2:2,3). Er is hier sprake van de Apocalypsis van dé mens van de wetteloosheid.
Dit alles vinden we terug in deze gelijkenis: Het onkruid gaat zich openbaren en het wordt rijp, maar ook de tarwe. De traditionele kerken gaven weinig aandacht aan deze ontwikkeling, maar de fans van het aardse Israël hebben door de dwaling ‘dat niets de terugkomst van de Heer meer in de weg staat’, de deur naar het Koninkrijk van de hemelen hermetisch afgesloten. Zij zijn liever bezig met het nationaal herstel van een natuurlijk nageslacht van Abraham dan met de geestelijke ontwikkeling van de gemeente van Jezus Christus.
Het doel bereikt – De bruiloft van het Lam

‘De oogst is de voltooiing van de aeonen (eeuwen)’, zei Jezus. In Openbaring 19:7 staat: ‘De bruiloft van het Lam is gekomen en zijn vrouw heeft zich klaar gemaakt’. De gemeente heeft dan haar volkomenheid bereikt. In verband met de dag van de Heer schreef Paulus: ‘Op die dag komt Hij om te worden geprezen door al de zijnen, om te worden geëerd door allen die tot geloof gekomen zijn – ook door u, want u hebt ons getuigenis aangenomen’ (2 Thess.1:10). Gods Geest werkt reinigend in de gelovigen, waarna zij opgroeien in de genade. Men zal immers met verwondering de ontplooiing van deze geestelijke mensen zien: hun kennis, wijsheid, kracht, liefde tot de waarheid en de gerechtigheid en ook hun onderlinge liefde tot dienstbetoon en opbouw.
Jezus had beloofd dat Hij terug zou komen door Gods Geest en dat Hij met de Vader op deze manier woning in zijn volk zou maken. In het huis van de Vader zijn veel kamers, want dit evangelie van het Koninkrijk van de hemelen zal over de hele aarde gebracht worden. Mensen zullen gedoopt worden met Gods Geest, dat is met de levensgeest van het lichaam van Christus. Dan komt het einde, namelijk de volle en rijke vrucht. Christus ‘in ons’ is de hoop van de heerlijkheid. Wanneer Zijn werk in de gemeente voltooid is, kan Hij ook in de zichtbare wereld met al de zijnen terugkomen. Wij wijzen in verband met de rijpe oogst in de laatste dagen op 1 Thessalonicenzen 5:23,24, waar Paulus zegt:
- ‘Dat de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen zal en dat heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zal zijn bij de komst (Parousia of tegenwoordigheid) van onze Heer Jezus Christus. Hij die u roept is trouw en zal het ook doen’.
De Bijbel zegt duidelijk dat God door middel van zijn Woord en Geest het voorgestelde doel bereiken zal. Nogmaals schrijft de apostel:
- ‘Daarom bidden wij altijd dat onze God u deze roeping (dat God in u verheerlijkt wordt, omdat het beeld van zijn Zoon in u te zien is) in ere doet houden. Dat Hij u door zijn kracht (van Gods Geest in u), de vaste wil geeft het goede te doen en u door uw geloof al het mogelijke tot stand laat brengen. Dan zal door de genade van onze God en van de Heer Jezus Christus de naam van onze Heer Jezus door u geprezen worden en u door Hem’ (2 Thess.1:11,12).
Zelf zei Jezus dat Zijn komst of tegenwoordigheid in de harten van zijn volk zou zijn als de bliksem, die van het oosten komt en licht tot het westen (Matth.24:27). In de geestelijke duisternis van de eindtijd zal de ware gemeente het licht doen uitstralen en dit zal over de hele aarde merkbaar zijn. Het licht van de wereld wordt in de zonen van God geopenbaard. Om een beeld van een andere gelijkenis te gebruiken: de lampen van de wijze maagden zullen een helder licht verspreiden in de donkere nacht. Wanneer de duisternis toeneemt, wanneer de grote verdrukking over de hele aarde gaat, zal de spanning dit bliksemlicht voortbrengen.
De vijgenboom
Tenslotte gaf Jezus in zijn toespraak op de Olijfberg nog een beeld:
- ‘Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer er aankomt. Zo moeten jullie ook weten, wanneer je dat alles ziet, dat het einde nabij is’ (Matth.24:32,33).
Ook deze uitspraak van Jezus wijst op een groeiproces. Zoals de levensgeest in de boom de stimulans geeft tot het ontwikkelen van nieuwe spruiten, zo gaat Gods Geest, de ‘Levensgeest’ van het lichaam van Christus, de leden van de gemeente tot nieuw leven brengen. Ook deze heerlijke belofte voor de eindtijd schuiven velen voor zich uit en passen haar toe op een natuurlijk, ongelovig nageslacht van Abraham, dat de voet gezet heeft in het aardse Kanaän. Wij zoeken echter met alle aartsvaders een beter vaderland, namelijk dat boven is (Hebr.11:14-16). Het druist namelijk tegen alle nieuwtestamentische inzichten in, dat Jezus met ‘nieuw leven’ het nationale ontwaken van een van God en zijn Zoon vervreemd volk bedoeld zou hebben.