
Jezus beschuldigde de wetgeleerden in zijn dagen dat zij de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen, die van de kennis, weggenomen hadden (Luc.11:52). Schriftgeleerden en Farizeeën sloten het Koninkrijk van God voor de mensen die naar hen luisterden. Zij kregen wel onderwijs, maar geestelijk kwamen zij niet verder. De Schriftgeleerden en Farizeeën gingen zelf ook niet dit dit Koninkrijk binnen, maar ze verhinderden tegelijkertijd ook hen dit dat wel probeerden (Matth.23:13). Hun godsdienst was op de zichtbare wereld gericht; op het onderscheiden van rein en onrein voedsel, op het houden van de sabbat, op ceremonieën in de tempel, op het dragen van bijzondere kleding, gebedsriemen en kwasten, op het uitspreken van lange gebeden. Jezus veroordeelde deze uiterlijke religie en vergeleek de geestelijke leiders van zijn tijd met gepleisterde graven, die van buiten wel schoon schijnen, maar die van binnen (beeld van de onzienlijke mensenharten) vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid zijn (Matth.23:27,28).
Aardgerichte kerkelijke dwalingen

Zo zijn de dwalingen in onze tijd ook vaak aardsgericht. De Jehova’s getuigen spreken regelmatig(!) over een snelle ondergang van de mensheid in een aards Armageddon. Zij kennen dus geen strijd in de hemelse gewesten, maar tegen vlees en bloed. Zij zeggen ook dat het overgrote deel van hun leden die hemelse bestemming niet zullen bereiken. Zij hebben deze geestelijke wereld voor hun aanhangers afgesloten en ontkennen tegelijkertijd de eeuwige straf in de vuurpoel, dus de eeuwige scheiding van de vijanden van God en van al het goede dat bij Hem hoort. Ook verwerpen zij het gebruik van de geestelijke gaven. ‘De trouwe en verstandige slaaf van Jehova’ vindt wonderen en tekens, die de boodschap moeten volgen, niet meer nodig. Let ook op hun strakke aardse organisatievorm waarbuiten geen verlossing en redding is.

De Zevendedagsadventisten leggen het accent op het vieren van een oudtestamentische sabbat uit het tijdperk van de schaduwen. Zij willen geen verandering van wankele dingen die slechts gecreëerd zijn om de hemelse dingen uit te beelden (Hebr.12:27). De Mormonen hebben een godheid van vlees en bloed: ‘De Vader is een persoonlijk wezen met een vaste vorm en met lichaamsdelen! Zelfs Gods Geest heeft Zich volgens hen in lichamelijke gedaante geopenbaard.
Waar men de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen niet meer gebruikt, werd de religie van de massa, zoals in de rooms-katholieke kerk, gericht op het bouwen van machtige kathedralen, op gewijde altaren, op allerlei kunstuitingen en op beelden, op een priesterdom, op riten en wijdingen, op zang, muziek en wierook die de zintuigen strelen en de aardsgezinde mens imponeren. Wij denken daarbij niet alleen aan uiterlijke vormen maar ook aan dwalingen als babybesprenkeling en erfzonde.
Veel kerkmensen hebben maar een beperkt beeld van de hemel. Zij vatten de beeldspraak uit de Openbaring letterlijk op: Zo spreken ze over gouden straten met gouden huizen, waarin zij eenmaal met hun aardse (gelovige) familieleden zullen wonen. Zij spelen daar met overgave op een gouden harp of blazen op een gouden fluit, al missen zij hier iedere muzikaliteit. Zij begrijpen niet dat het woordje ‘goud’ slechts de uitdrukking is van geestelijke zuiverheid en reinheid. Als wij de inrichting van de hemelstad op deze manier letterlijk moeten nemen, zouden wij als liefhebber van de natuur de voorkeur geven aan de eeuwige jachtvelden, waarvan de Indianen droomden. Het wonen in een concrete gouden stad zou voor ons een verschrikking zijn. Als geestelijke mensen zoeken wij echter net als Abraham een geestelijke stad, waarin de geestelijke tempel van God zich bevindt.
De apostel Johannes moest schrijven:
- ‘Maar dit heb ik tegen u: u hebt de liefde (voor het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen) van vroeger opgegeven. Bedenk van welke hoogte u gevallen bent. Breek met het leven dat u nu leidt en doe weer als vroeger’ (die in verband stonden met uw wandel in de hemel en met de kracht van Gods Geest) (Op.2:5).

Dit vallen uit de hoge, dit aardsgerichte principe vinden wij ook in de aardse Israëlaanbidding, waarbij men aan de natuurlijke kinderen van Abraham bijzondere beloften en een bijzondere positie toekent. Zij houdt zich bezig met een aards Jeruzalem, dus met een stad waar men Christus niet vindt en daarmee niet met het hemelse Jeruzalem. Het Nieuwe Testament waarschuwt echter:
- ‘Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is’ (Col.3:1,2).
De ouden zoals Abel, Henoch en Abraham hadden nog enige kennis van de onzienlijke wereld. Van hen wordt getuigd dat zij zich bezig hielden met de dingen die boven zijn. Zij allen zochten een hemels vaderland en verwachtten de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is (Hebr.10:15; 11:1,2).
Dwalingen in de onzienlijke wereld

Opmerkelijk is dat de dwaling over de zielenslaap nog steeds aanhangers heeft. Men beweert dat de ziel na het sterven er niet meer is. Zij zou dan volkomen dood zijn. Jehova’s getuigen, Zevendedagsadventisten, maar ook gereformeerden en zelfs mensen die zich evangelisch noemen leren: “Sterven is: ophouden met leven in elke vorm…”. Wanneer iemand slaapt, houdt hij echter niet op met leven: zijn uiterlijke mens blijft slechts werkeloos, maar ziel en geest leven door. Dit is een beeld van het ontslapen of beginnen met slapen. Bij het sterven wordt het lichaam afgelegd, maar de innerlijke mens leeft voort. De Bijbel leert dat de innerlijke mens van de christen nu al (tijdens zijn leven op aarde) overgeplaatst is naar het Koninkrijk van God. Daar heeft het een plaats gekregen in de hemelse gewesten in Christus Jezus (Ef.2:6). De innerlijke mens van de gelovige is echter al opgewekt tot een nieuw leven. Hij is ‘in Christus’ die Zich ‘het leven’ noemt.

Zo zijn er meer dwalingen die de mens in de onzienlijke wereld brengen. Denk aan spiritisme, yoga, astrologie, magnetisme. Wie zich hiermee inlaat, komt wel in de hemelse gewesten, maar aan de verkeerde kant van de kloof waar Christus niet is. Al deze vormen van occultisme werken namelijk met de krachten uit het rijk van de duisternis, hoe mooi en beschaafd zij zich ook mogen voordoen.
De apostel Johannes zegt:
- ‘Wij zijn uit God; wie God kent, luistert naar ons: wie niet uit God is, luistert niet naar ons… Hieraan onderkennen wij de Geest van de waarheid en de geest van de dwaling’ (1 Joh.4:1-6).
Dit is geen arrogantie van Johannes. Zijn uitspraak berust op het principe van kennis over het Koninkrijk van de hemelen en het hanteren van zijn sleutels. Wie gedoopt is met Gods Geest, krijgt steeds meer inzicht in de geestelijke wereld.
Dogma’s boven de Bijbel

Wie onderscheiding van geesten bezit, ziet dat er in de kerken veel dogma’s (dwalingen) gehanteerd worden, die niet op de Bijbel gebaseerd zijn. Sterker nog: de dogma’s zijn on-Bijbels. Dit kan ook niet anders als men het leggen van het enige Bijbelse Fundament niet ziet als het belangrijkste in het leven van een gelovige. Het enige Bijbelse Fundament wordt aangetast en op die manier zijn er allemaal dwalingen binnengeslopen.
In de kerken wordt niets geleerd over het plan van God: het volkomen herstel van de mens, zodat hij – nu al – volmaakt kan worden, en eenmaal op de troon van God zal zitten en met Hem zal regeren over al de werken van diens handen. De satan haat dit beeld en inspireert in plaats daarvan dat de kerkganger ‘het eigen ik doden moet’. Wanneer dit gebeurt, heeft de satan vrij spel, omdat alle verzet geweken is. Wanneer de wil van de mens verbroken is, wordt hij een speelbal van de demonen. De ware gelovige hoort echter zijn wil te koppelen aan de wil van God en zich dus met zijn hele hart te richten op het goede; Gods Geest wil in harmonie met de menselijke geest samenwerken.

Hieraan gekoppeld is de leer over de erfzonde. De mens is slecht en blijft slecht. De mens zal zondaar blijven tot zijn dood. Deze verschrikkelijke dwaling leidt tot vrome geesten, die hard willen werken voor hun behoud door allerlei wetten en wetjes. Hoewel zij zichzelf dwingen zich te houden aan allerlei voorschriften (zondags’heiliging’, kleding, rituelen etc.), weten zij ook dat zij nooit volmaakt zullen worden. Daar streven zij dan ook niet naar. De gewilde nederigheid is echter één en al Godslastering, want zij negeren de enkel goede God en het offer van Jezus Christus.
Er zijn nog veel meer dogma’s die de kerkmensen van de weg van de waarheid afbrengen. Denk bijvoorbeeld aan de babybesprenkeling en de dwaling van de uitverkiezing. Sommige mensen in de rooms katholieke kerk denken dat zij zich los moeten maken van het natuurlijke leven en zonderen zich af in kloosters. Maar op die manier bereiken ook zij de volmaaktheid niet.
Opvallend is dat de vroomheid – binnen en buiten de kerk – alleen maar dient tot eigen bevrediging. In de Bijbel staan geen voorbeelden van het ‘godvruchtige’ monnikenleven. Ook wordt de mens in de Bijbel geen ‘deurmatje’ genoemd. Al deze vernederingen gaan rechtstreeks in tegen het plan van God met de mens. Hij heeft ons immers bestemd tot koningen en priesters, tot een uitverkoren en verheven geslacht. Hij baant voor de mens de weg vanuit de duisternis naar het licht, vanuit de macht van satan tot de troon van God. Het streven naar dit koningschap houdt in, dat men door de kracht van God overwinnaar wordt over zijn vijanden, de demonen in de hemelse gewesten.
Hemelse roeping

Wie zijn hemelse roeping wil ontvangen, zal op aarde de gezindheid moeten hebben om anderen te helpen en te dienen. Daarbij wordt er wel om onderscheiding van geesten gevraagd. De opnieuw geboren en met Gods Geest vervulde christen hoeft niet alles maar te accepteren. Dit zou immers betekenen dat alles maar goed gevonden wordt van de mensen om hem heen (buiten het gemeenteleven om). Helpen en dienen past bij een ware christen, maar niet ten koste van het evangelie. De opnieuw geboren christen probeert door zijn leven de ander te winnen voor Jezus Christus. Dat moet voorop staan, is dat niet het geval, dan kan men beter de ander loslaten. Ook hier geldt immers: ‘U zult door allen gehaat worden’.
Dwalingen brengen de mensen naar het grote Babylon, de stad van de verwarring, de grote hoer die zit aan ‘vele wateren’ of religieuze stromingen. De zuivere en gezonde leer van de waarheid brengt hem echter over de hoge weg naar het doel, de gelijkvormigheid aan het beeld van Jezus Christus. Jezus leert ons rekening te houden met de toekomst en niet achterom te kijken. Wij leven in een tijd dat wij uitzien naar het volle koren in de aar. Wij blijven niet stilstaan bij de halm, maar kijken uit naar de vrucht die aan het groeien is. Het geheim van het eeuwig evangelie is dat het vooruitziet naar de tijd van het einde, wanneer het doel bereikt is en de oogst binnengehaald wordt.
- ‘De knechten vroegen aan hun heer: ‘Wilt u dan, dat wij het onkruid verzamelen? Hij zei: Nee, want bij het bijeenhalen van het onkruid zouden jullie ook het koren kunnen uittrekken. Laat beide samen opgroeien tot de oogst’ (Matth.13:28-30).
Betekent dit voor de gemeente van nu dat men de dwalingen dan maar moet tolereren? Zeer zeker niet. Veel mensen worden misleid en zien dit (nog) niet in. De voorganger is daarom – met de oudsten – in de gemeente van Jezus Christus verantwoordelijk voor de gezonde leer. In de naam van de Heer zullen zij als trouwe knechten goed zaad op de akker uitstrooien. Zij zullen moeten verantwoorden aan hun hemelse Opdrachtgever hoe zij de kudde weiden en voedsel geven. Wanneer de volle waarheid gebracht wordt, zullen de ogen van de misleiden geopend worden. Dan zal de geest van de dwaling niet kunnen blijven staan tegenover die van de waarheid. Wanneer men, om een beeld te gebruiken, in een donkere schuur het licht aandoet, vlucht het ongedierte immers naar alle hoeken en gaten om zich te verbergen.

De apostel Johannes schreef over de antichristenen in zijn dagen:
- ‘Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren niet uit ons’ (1 Joh.2:19).
Mensen die vasthielden aan de dwalingen, zijn er dus niet uitgeworpen, maar zij maakten zichzelf van de gemeente los. Als de leiders van een kerk echter zelf dwalingen brengen, worden de kinderen van God die zich aan de waarheid houden, vermaand:
- ‘Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen’ (Op.18:4).
De Woorden van God werken altijd als een tweesnijdend zwaard dat leugen en waarheid van elkaar scheidt. Waar in de eindtijd het heldere licht van Gods woord gezien wordt, door het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen dat gebracht wordt, zullen de dwalingen ook radicaler en sneller ontmaskerd worden. Dit herkennen van de dwaalleraars en hun uitgaan uit de ware gemeente, zal voor het lichaam van de Heer tot een volkomen zuivering leiden, ‘en daaraan onderkennen wij dat het de laatste uur is’. De volle waarheid, waarin ook Gods Geest leidt, werkt oordelend, dat is scheiding makend.
De Bijbel waarschuwt dat de valse geesten vaak in ‘schapenvachten’ en ‘als engelen van het licht’ tot ons komen. Zij lijken tolerant, lief en vriendelijk, maar men heeft in de geestelijke wereld met wolven te doen, die er op uit zijn de kudde te verscheuren. Soms zijn ze zelfs vermomd in het kleed van het eeuwig evangelie en zeggen: ‘Zo zegt Jezus’, terwijl de Heer hen niet gezonden heeft. Voor de gemeente is het van het grootste belang om de waarheid vast te houden, zodat ook deze geesten gemakkelijk ontmaskerd zullen worden.