2. Zicht op de vreselijke geschiedenis van de kerken

<<<<<

Wanneer Jezus zijn evangelie over deze wereld laat verspreiden, is Hij als een mens die goed zaad in de aarde zaait, waaruit een goede plant tevoorschijn komt. De eerste christenen waren navolgers van Jezus. Zij spraken zoals Hij, deden zoals Hij en droegen de smaad van het evangelie zoals Hij. Heel het leven en de leer van Jezus Christus hebben de nieuwe mens op het oog, die naar het beeld van God geschapen is tot ware gerechtigheid en heiligheid en geschikt tot alle goede werken. Daarom brachten Zijn leerlingen het evangelie van redding en verlossing, ze genazen de zieken en dreven duivelen uit. Zo maakten zij het Koninkrijk van God tot een realiteit op aarde.

Een Griekse geleerde uit de tweede eeuw moest dit ook erkennen. Hij schildert het leven van de eerste christenen als volgt:

  • ‘Zij verbreken geen huwelijksband en leggen geen vals getuigenis af; zij eigenen zich geen hun toevertrouwde goederen toe en wensen niet te ontvangen, wat niet van hen is. Zij eren hun ouders en doen goed aan hun naasten en ze oordelen rechtvaardig. Zij nemen hun onderdrukkers voor zich in en maken hen tot vrienden en hun vijanden doen ze goed. Hun vrouwen zijn rein, o keizer, als jonkvrouwen en hun dochters zijn zacht en hun mannen onthouden zich van alle onreinheid op grond van de hoop op de komende vergelding die in de andere wereld gebeuren zal. Op grond van de liefde die zij hebben voor de slaven en de slavinnen en de kinderen van dezen, die sommigen bezitten, onderwijzen zij dezen, opdat zij ook christenen worden. Wanneer dezen christenen geworden zijn, noemen zij hen broers, zonder enig verschil te maken. Zij aanbidden de vreemde goden niet, maar wandelen in alle nederigheid en goedheid en leugen wordt bij hen niet gevonden. Zij hebben elkaar lief; de weduwen vergeten zij niet en zij bevrijden de wezen van degenen die hun kwaad doen. Wanneer zij horen dat een van hen gevangen is, of onderdrukt wordt vanwege de naam van hun Messias, maken zij allen zijn zaak tot de hunne en als het mogelijk is hem te bevrijden, bevrijden zij hem. Als er een onder hen is, die gebrek lijdt en arm is en zij zijn niet welgesteld, vasten zij twee of drie dagen, zodat zij de armen iets te eten kunnen geven. Iedere morgen en op alle ogenblikken denken zij aan Gods weldaden aan hun bewezen, loven en prijzen zij Hem en danken Hem voor eten en drinken’.

Het zaad dat Jezus Christus in de wereld gestrooid had, was goed zaad. Het was hemels zaad, vanwege de kracht van het Koninkrijk van God. De heidenen wisten dat het christendom het hele bestaande staatkundige en burgerlijke leven grondig ging veranderen. De volgelingen van Jezus vormden in die dagen een bewuste en onbuigzame oppositie tegen de macht van satan op het gebied van zonde, ziekte en gebondenheid. Daarom waren zij onder de heidense godsdiensten een aparte groep. Een religie meer of minder deed er niet toe in het grote Romeinse rijk, maar deze kinderen van het Koninkrijk vormden de goede akker van de hemelse Landman in het grote imperium. Zij waren de vrucht van de Mensenzoon.

Deze beschrijving van de eerste christenen is wel mooi vergeleken met de ontrouw van de kerken tegenwoordig, maar toch is dit geen doel waar wij naar streven. Wij streven naar de volkomenheid in de zienlijke en in de onzienlijke wereld. Wij zien uit naar een toekomst waarin de zonen van God, die het beeld van Jezus Christus gelijkvormig zullen zijn, geopenbaard worden. De gemeente in de eindtijd zal niet alleen in het natuurlijke leven tot voorbeeld zijn, maar zij zal bovenal geschikt zijn om de laatste fase van de strijd in de hemelse gewesten te winnen, namelijk de slag van Armageddon.

Het groen wordende veld, waarop de pas ontsproten halmen begonnen te groeien, bood een prachtig gezicht, maar: ‘de landman wacht op de kostbare vrucht van de akker’ (Jac.5:7). Helaas, bij het opkomen van het koren heeft de vijand echter zijn slag al geslagen. Het begin van het geheim van de wetteloosheid was in de dagen van Paulus al begonnen en Johannes zegt dat in zijn tijd veel antichristenen waren opgestaan (2 Thess.2:7; 1 Joh.2:18). Dezen begonnen toen ook te ‘groeien’. De kerkgeschiedenis toont aan dat al vanaf het begin de visie op de onzienlijke wereld verdween. Zo wordt de gemeente van Efeze al gewaarschuwd: ‘Bedenk van welke hoogte u gevallen bent’ (Op.2:5). Jezus Zelf had voorspeld dat er een tijd zou komen dat allen zouden insluimeren, zowel wijze als dwaze maagden. Doordat de mensen ‘sliepen’, dat wil zeggen geen inzicht hadden in de geestelijke wereld en dus ook geen onderscheid bezaten in het wezen van goed en kwaad, kon de duivel zijn slag slaan.

‘En ik verbaasde mij met grote verbazing’

Wanneer de apostel Johannes op Patmos in visioenen de verwoestende werking van de dwalingen ziet in het grote Babylon, de moeder van de geestelijke hoererij en van de gruwelen van de aarde, is hij net zo verwonderd als de slaven van de zaaier in deze gelijkenis. In Openbaring 17:6 wordt gezegd dat de apostel zich verbaasde met grote verbazing. Hoe was het mogelijk dat zo’n verborgenheid nooit aan het licht kwam? In wat voor een Egyptische duisternis woonden de kinderen van God, dat zij dit mysterie van de ongerechtigheid niet konden ontraadselen? Het gebeurde doordat zij geen kennis hadden van de geestelijke wereld, noch van het Koninkrijk van de hemelen. De gemeente van Christus kan echter – met hulp van Gods Geest – de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen hanteren. Zij ziet scherp en helder wat een geraffineerd spel de duivel al de eeuwen door gespeeld heeft.

De gruwelen van de aarde

Door het leugenachtige werk van de satan kwamen in de tijd van Constantijn de Grote en van Augustinus in de kerk ook ‘de gruwelen van de aarde’, de vervolgingen van de kinderen van God. De grote Landman had wel gezegd: ‘Laat ze samen opgroeien tot de oogst’, maar de ongehoorzame leiders wisten het beter. Zij sloegen deze waarschuwing in de wind en begonnen alvast met het uittrekken van het onkruid. De grote ‘kerkvader’ Augustinus zocht naar argumenten om zijn ‘medebroeders’, die de waarheid liefhadden, te vervolgen en af te slachten. De vraag: ‘Wilt u dan dat wij al die valse tarwe eruit trekken?’, heeft hij voor zichzelf met een ‘ja’ beantwoord.

Het verschrikkelijkste ogenblik in de hele kerkgeschiedenis was toen Augustinus het beginsel opstelde: ‘cogite intrare!’ (Dwing ze om in te gaan), ontleend aan Lucas 14:23. Hij noemde zichzelf een christen, maar hij volgde Jezus niet na, die bij Maria van Magdala zeven duivelen uitwierp en haar zo tot zijn volgelinge maakte. Hij dreef niet demonen uit zoals Jezus, die de bezetene van Gadara verloste van het demonenlegioen en zo de satan dwong zich te onderwerpen. Nee, Augustinus wilde dwingen door menselijk geweld en met het zwaard van de vervolging in de hand. Daarbij maakte hij geen onderscheid tussen goed en kwaad! De zon van het evangelie hield op te schijnen en het werd in de kerken een duistere nacht.

Het bloed van de martelaren

Vanaf Augustinus trok de kerk het zwaard. De van bloed druipende beulen, die in de middeleeuwen hun woede op de ketters koelden, konden zich op de autoriteit van Augustinus beroepen en ze deden dit dan ook! Ook de reformatoren, waaronder Calvijn, hadden geen inzicht in de hemelse gewesten. In plaats van demonen uit te werpen om zo vrij baan te maken voor het Koninkrijk van God, streden zij tegen vlees en bloed. Wij denken aan de protocollen van Genève in 1545 en de houding van Calvijn in de heksenprocessen. De 34 zogenaamde pestzaaiers zouden zalf, bereid uit de uitwerpselen van de duivel, op de klinkers voor de woningdeuren hebben gesmeerd en op deze manier de pest in de stad hebben gebracht.

Voordat zij verbrand werden, hakte men bij de vrouwen de rechterhand af en de mannen werden met gloeiende tangen gemarteld, waarbij hun lichaam opengescheurd werd (‘Misère en grootheid van Calvijn’ door dr. N. J. Hommes). Zo werd de geschiedenis van de kerk er een van bloed en tranen, van onrecht en geweld en van het ombrengen van miljoenen levens die dierbaar waren in de ogen van God. In plaats van het onkruid uit te trekken, heeft men het koren met handenvol eruit gerukt.

Er is geen enkele periode in de kerkgeschiedenis waarnaar wij terug verlangen, waarvan wij zeggen: ‘Zo’n tijd willen wij ook meemaken’. Er zijn in de kerk geen schatten van het verleden overgeleverd, maar als wij terugzien, worden wij geconfronteerd met haar degeneratieproces. De apostel schreef: ‘Mijn vrijheid wordt door zijn geweten toch niet aangetast?’ (1 Cor.10:29). Dat andere geweten, dat ‘vreemde geweten’ zoals de vertaling Brouwer luidt, heette de inquisitie en de vele geestelijke rechtbanken die het onkruid wel wilden uittrekken en zich daarbij schromelijk vergisten. De grote ketterjager Conrad van Marburg schreef: ‘Wij willen honderd onschuldigen verbranden, zelfs als er maar één ketter onder hen is..!’

Is er een excuus voor deze martelingen? Nee!

Men zegt wel eens: deze mensen handelden naar de geest van hun tijd, daarom was hun gedrag ‘acceptabel’. Maar dit klopt niet, zij lieten zich namelijk leiden door de geest van de satan en niet door de geest van Jezus Christus. Geen enkele kerkelijk leider kon toen met de apostel zeggen: ‘Wees mijn navolgers, zoals ik van Christus’ en ‘wat u van mij gehoord en gezien hebt, pas dat toe’. Daarom kan de kerkgeschiedenis nooit onze maatstaf zijn. Zij is in hoofdzaak de historie van Babylon: ‘de grote hoer, die zit aan vele wateren (van valse leringen), met wie de koningen van de aarde gehoereerd hebben’ (Op.17:1,2). Wie vasthoudt aan de leer van de voorvaders, houdt vast aan de tijd van afval en ontrouw op Gods akker.

Op de vraag waarom men het onkruid niet herkende, is het antwoord: men had geen idee hoe de tarwe er eigenlijk uitzag. Men kende de halm, misschien de aar, maar het volle koren in de aar, het duidelijkste herkenningsteken, herkenden zij niet. Wanneer men goed en kwaad wil onderscheiden, moet men allereerst het goede kennen. Jezus zei dat dit pas mogelijk was in de dagen van de oogst. Men kan de dwalingen alleen onderscheiden in het licht van de ‘volheid’ van de tijd. Als men vanaf het begin het goede zaad leert kennen, ziet men direct wanneer er onkruid groeit.

Tegenwoordig is de opnieuw geboren en met Gods Geest vervulde christen een zeldzaamheid. Zeker met het enige, gelegde Bijbels fundament. In de kerken wordt het Bijbels Fundament niet meer gelegd. En zij die zich vandaag evangelische gemeenten noemen, hebben bijna allemaal het eeuwig evangelie losgelaten. De kerkelijke dwalingen zijn ook daar binnen geslopen. Men hoereert volop met allerlei stromingen zoals de bijbelbelten en Rome. Alles onder de mantel van een ‘charismatische oecumene’. Men sluit zelfs volop compromissen met van God losse, politieke partijen. Een afschuwelijke situatie! De opnieuw geboren christen kan het eeuwig evangelie bijna nergens meer brengen, hij wordt om dat evangelie juist intens gehaat.

Sleutels van het koninkrijk van de hemelen

Nogmaals wijzen wij op de kenmerken waarmee satans demonen zich openbaren. Als men steeds de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen wegneemt, heeft men geen inzicht meer heeft in de onzienlijke wereld, waar hij toch zijn burgerschap heeft en wandelen en strijden moet. Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk van de hemelen’ (Matth.16:19). Wanneer wij de dwaling willen herkennen, zullen wij een objectieve maatstaf moeten bezitten. Als dit niet zo is, vervalt iedere zekerheid. Dan zijn wij overgeleverd aan het sentiment, aan bepaalde tradities en denkwijzen. Op die manier kunnen wij nooit de volle waarheid bezitten, omdat het ‘ja’ van de een even krachtig klinkt als het ‘nee’ van de ander.

Wij wijzen er nog op dat met het onkruid, dat door de duivel tussen de goede tarwe gezaaid wordt en eerst bijna niet te herkennen is, niet zonde of ziekte wordt bedoeld die onder de kinderen van God voorkomen. Deze zijn immers gemakkelijk herkenbaar, doordat zij wetteloze werken in de zienlijke wereld zijn. De dwaling echter groeit in de ongeestelijke wereld. Wij zullen daarom de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen moeten hanteren om dwalingen te kunnen ontmaskeren. Een zich christelijk noemende ‘religie’, die zich niet met de geestelijke wereld van het Koninkrijk van God bezighoudt, is geen koren maar onkruid. Leugengeesten werken in de vele valse profeten. Wij kunnen ze alleen onderzoeken met de kennis die wij hebben van de onzienlijke wereld, dus met de schatten die wij door het gebruik van de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen ontvangen hebben. Wanneer een volk geen kennis heeft van de geestelijke wereld, van de wetten die daar gelden en van de plannen die God heeft, gaat het ten onder (Hos.4:6).

>>>>>