1. De zaaier en het zaad langs de weg

<<<<<

  • ‘Jezus sprak uitgebreid met hen en vertelde gelijkenissen’ (Matth.13:3).

Alle gelijkenissen hadden te maken met het Koninkrijk van de hemelen, de onzienlijke wereld. Bij iedere nieuwe gelijkenis wees Hij daarop, Hij begon daarom vrijwel altijd aan met de woorden: ‘Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan…’ of ‘komt overeen met…’ Jezus wilde aan iedereen duidelijk maken hoe het in de geestelijke wereld toegaat. Jezus alleen kende de geesten die aan het leven in deze onzichtbare wereld deelnemen. Hij kende hun gedachten, overleggingen en plannen en de wetten waaraan zij gebonden waren. Hij wist wie daar de vrienden, maar ook de vijanden zijn van de mens en wat de wezenlijke oorzaken zijn van goed en kwaad. Hij wist echter ook hoe men vanuit de onzienlijke wereld bevrijd en verlost kon worden en hoe men van de invloed van demonen kon herstellen. Over deze ‘dingen’ of onderwerpen sprak Hij. Hij gebruikte daarbij voorbeelden uit de zichtbare wereld. De eerste vergelijking maakte Hij met de bekende gelijkenis van de zaaier.

  • ‘En Jezus zei: Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien’ (Matth.13:3).

Wanneer in de samenkomst van een gemeente, waar veel boeren en vissers bij horen, visioenen gezien worden, valt het op hoe vaak de diepste waarheden van God op een juiste manier duidelijk gemaakt kunnen worden met beelden die ontleend zijn aan het leven van de boer, de visser of de bouwvakker. Wij verwonderen ons altijd weer over de rijke variatie van geestelijke lessen, waardoor op deze manier broers en zusters vermaand, vertroost en opgebouwd worden.

Aan het meer van Genésareth was de gestalte van de zaaier op de akkers tegen de glooiingen van de heuvels een bekende verschijning. Men kon hem met grote stappen zien lopen over het land, terwijl hij met brede armzwaai telkens de hand opende om het zaad op de akker uit te strooien. Het zaad in deze gelijkenis is de boodschap van verlossing en herstel, het is het woord van het Koninkrijk (Matth.13:19), het centrale begrip van Jezus’ boodschap. Daarom is de zaaier in de eerste plaats Jezus Christus zelf. Men kan zich geen groter, krachtiger en boeiender verteller voorstellen dan onze Heer. De redding is allereerst door Hem gebracht en vervolgens door hen die het gehoord hebben en het ons op betrouwbare wijze hebben overgeleverd (Hebr.2:3).

Dwalingen – Vroeger én vandaag

De akker is in deze gelijkenis een buitengewoon ongunstig terrein. Het is niet de wereld, zoals in vers 37 bij de gelijkenis van ‘het onkruid tussen de tarwe’, maar de innerlijke mens van het hart (vers 19). Het zaad is van hoge kwaliteit en zorgvuldig geselecteerd, maar de akker is zo slecht (na de zondvloed) dat het meeste zaad niet tot zijn doel komt, namelijk vrucht opleveren. Deze gelijkenis toont aan dat een mislukte opbrengst niet aan de deugdelijkheid van het zaad te wijten is, noch aan de deskundigheid van de zaaier, maar aan de mate van gebrek aan ontvankelijkheid van de grond. Jezus bracht immers de goede boodschap en Hij strooide uit met milde hand. Dit legt een verplichting op degenen die in onze dagen in zijn naam uitgaan om de Woorden van God te brengen.

  • Is dit ook ‘het woord van het Koninkrijk’, of is het ander zaad dat geen evangelie is? Of heeft men het ware zaad vermengd met dwalingen en valse leringen, dus met de zaden van onkruid?

Wanneer het goede zaad gebracht wordt – dat is wanneer de leer van het Koninkrijk van de hemelen gebracht wordt zoals Jezus dit deed – is de opbrengst geheel afhankelijk van de gesteldheid van de bodem waarin het valt. God laat immers zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Zijn doel is dat niemand verloren gaat, maar dat allen behouden worden, dus vruchten zullen voort brengen (1 Tim.2:4). Het zaad dat in de natuurlijke wereld op de akker uitgestrooid wordt, is een beeld van het Woord van God, dat door de innerlijke mens in geloof aanvaard of verworpen wordt. Ook het woord zelf hoort bij de geestelijke wereld: het is de drager van de eeuwige gedachten van God en van zijn plan met de mens. Daarom kon Jezus zeggen:

  • ‘De woorden die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen’ (Joh.17:18). ‘Zijn woorden zijn ‘geest en leven’ (Joh.6:63).

Zij brengen de mens in het Koninkrijk van God, aangezien zij zijn gedachten vernieuwen. Zij zijn geest, omdat zij wijsheid, kennis en inzicht schenken in de onzienlijke wereld en doordat zij in de mens wetmatigheid, harmonie en liefde geeft. Deze woorden zullen door allen aanvaard worden die honger en dorst hebben naar de gerechtigheid, zoals de opengeploegde akker wacht op het zaad. De boodschap van het Koninkrijk van de hemelen is uitgegaan ‘overwinnende en om te overwinnen’ (Op.6:2). Het zal over de hele wereld gebracht (uitgezaaid) worden en dan zal het einde (dit is het resultaat) gezien worden (Matth.24:14).

De Woorden van God hebben met natuurlijke zaadkorrels gemeen, dat er kracht en leven in zit. De mens ervaart dit leven als licht, doordat het de wetten van God in hem doet functioneren. Er staat: ‘Het leven was het licht van de mensen’ (Joh.1:4). Waar leven is, is ook geest, want het leven wordt door de geest in stand gehouden. Waar de geest wijkt, volgt de dood. Deze is antigoddelijk en werkt ontbindend en veroorzaakt wetteloosheid en duisternis. God leeft en Hij deelt het leven mee door zijn Woord. Dit woord dat uit God komt, leidt een zelfstandig bestaan en zoekt verbinding met de geest van de mens, zoals het zaad zijn wortels in de grond uitslaat. In degene die het hoort en gelooft, werkt het door en het doet wat God wil en doet ook waarom Hij het zond (Jes.55:11).

Langs de weg

  • ‘Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg en er kwamen vogels die het opaten’ (Matth.13:4).
  • ‘Hoor en begrijp dan nu de gelijkenis van de zaaier: bij ieder die het woord van het koninkrijk hoort maar het niet begrijpt, komt hij (satan – die het kwaad zelf is) en rooft wat hun in het hart is gezaaid; (Matth.13:18,19).

Wanneer zoals in Palestina het geval is, de paden van mensen en muildieren dwars door de akkers lopen, is het niet te voorkomen dat er van het met de hand gezaaide ook op de verharde en platgetreden weg komt. Het zaad valt daardoor niet in het open geploegde spoor en wordt dus ook niet bedekt voor de ogen van de vogels. Het graan dat in dit land gezaaid wordt, is uiteraard winterkoren, aangezien de winter die hier zacht en vorstvrij is geen beletsel vormt. De trekvogels uit het noorden op weg naar zuidelijker, warme streken en de wintergasten zoals de spreeuwen, vinden op de pas gezaaide akkers overvloedig voedsel; zij zijn dan ook in hoge mate schadelijk.

Zie hier het beeld, dat Jezus schildert om ons te laten begrijpen wat er gebeurt met de mens, die de boodschap over het Koninkrijk van de hemelen wel beluistert, maar niet begrijpt. Hij leest wel de woorden van Jezus, maar hij kan ze niet transponeren in de geestelijke wereld. Paulus schreef over zulke ‘onverstandigen en tragen van hart’:

  • ‘Een mens die Gods Geest niet bezit of Deze niet nodig vindt, aanvaardt niet wat van de Geest van God komt, want voor hem is het dwaasheid. Hij kan het ook niet begrijpen, omdat het geestelijk moet worden beoordeeld’ (1 Cor.2:14).

De ongeestelijke mens redeneert vanuit het zichtbare, vanuit de situatie waarin hij zich bevindt en die hij door zijn natuurlijk verstand kan begrijpen. De geestelijke mens denkt vanuit zijn geloof in de woorden van God en vanuit wat Gods Geest hem openbaart. De zekerheden van de natuurlijke mens liggen daarom in zijn aards bezit en in het nemen van maatregelen in de zienlijke wereld. De geestelijke mens echter leeft bij de beloften van God.

De natuurlijke mens ziet de zonde, ziekte en gebondenheid vanuit natuurlijke oorzaken en hij strijdt ertegen met natuurlijke middelen, maar de geestelijke mens ziet de ware verwekkers van de wetteloosheid in de onzienlijke wereld en bestrijdt deze vanuit de geestelijke wereld met geestelijke wapens. De natuurlijke mens ontdekt vaak dat zijn Bijbeluitleg niet sluitend, niet logisch is en onderling tegenstrijdige gedachten oplevert:

  • ‘Met begrijpen zal het niet gaan, neem het onbegrepen aan!’

Vol kinderlijke naïviteit gelooft hij dat God ons slechts de warrige onderkant van zijn borduurwerk toont. Het deurmatje of een drempeltje van een ‘godshuis’. De zaak is echter dat hij niet in staat is zich naar ‘boven’ te verplaatsen, zodat hij het ware patroon kan zien. Geen wonder dat de woorden van de Heer vanwege deze verwarring en onbegrip, dwaasheid voor hem zijn, wat hij dan weer aannemelijk probeert te maken met vrome kreten:

  • ‘Er moet immers nog wat overblijven om te geloven…’
  • ‘Je moet het maar aannemen zoals het er staat…’
  • ‘Zalig zijn de armen van geest…’

De Bijbel zegt echter: ‘De verstandigen (die het dus begrijpen) zullen stralen als de glans van het uitspansel’ (Dan.12:3). Een kind zal men het gemakkelijk maken om te gehoorzamen door hem het hoe en het waarom uit te leggen, zou dan de hemelse Vader zijn best niet doen om ons op alle mogelijke manieren duidelijk inzicht te geven? Gaf Hij ons hiervoor niet naast zijn Woord ook ‘de Leraar van de gerechtigheid’, Zijn Geest, die ons in alle waarheid leiden zal? Nee, de armen van geest zijn niet gezegend, doordat zij het woord van God niet (willen) begrijpen, maar doordat Jezus kwam om hen te herstellen en om hun tekort weg te nemen.

In Jezus’ dagen begreep het volk van God niets van de geestelijke betekenis van de offerdiensten, ceremoniën, hogepriester en het priesterschap en van de stad van God. Het denken bleef bij de zichtbare dingen bepaald. Zo horen ook nu veel naamchristenen beelden als:

  • Tempel,
  • stad van God,
  • volk van God,
  • het geestelijk Israël,
  • het paradijs van God,
  • straten van goud,
  • levenswater,
  • levensgeboomte.

Zij kunnen die niet overzetten of vergeestelijken. Zij klemmen zich vast aan het beeld, zoals het oude verbondsvolk dit deed aan de schaduw van de hemelse dingen. Het Koninkrijk van de hemelen is voor hen niet de onzichtbare wereld, maar in wezen een aardse en stoffelijke zaak, opgebouwd uit het materiaal van de aarde. Zij spreken over de troon van God als iets tastbaars en van de hemelstad alsof deze een afgebakende ruimte tussen de Maan en Pluto zou zijn. Omdat zij onvoldoende geest bezitten kan de boodschap van het Koninkrijk van de hemelen niet in hen doordringen en daardoor zijn zij afgesloten voor de doop met Gods Geest, het ontplooien van de geestelijke gaven en zij nemen daardoor ook geen deel aan de strijd in de hemelse gewesten. Zij zijn onbekeerd en het enige Bijbelse fundament is in hun leven niet gelegd. Jezus sprak in deze gelijkenis ook over vogels die het goede zaad weg roofden.

Dorre woestijnen

De Heer transponeerde dit beeld naar de onzienlijke wereld, dus naar het Koninkrijk van de hemelen, toen Hij uitlegde:

  • ‘De boze komt en rooft wat in zijn hart gezaaid is.’

De Heer wees dus de vijand aan, want Hij sprak over de boze, of zoals wij in andere evangeliën lezen, over de duivel of over de satan. De vogels zijn hier beeld van de demonen met wie ieder mens te doen krijgt, of hij dit nu geloven wil of niet. Zij zijn ‘de weerzinwekkende vogels’, waarvan Openbaring 18:2 spreekt. Satans demonen kunnen niet anders doen dan stelen en roven. Zij nemen de woorden van God die aan de mensen geest en leven schenken, weg en de ‘hoorder’ blijft dor en arm van geest. Het evangelie van Jezus Christus, de leer van het Koninkrijk van de hemelen, is een heerlijke boodschap met rijke perspectieven voor het geestelijke leven. Wie deze boodschap niet wil of kan aanvaarden doordat zijn hart verhard is en hij geen oren heeft om te horen of ogen om te zien, hoort bij degenen die bij de weg gezaaid zijn en dus ten dode opgeschreven zijn.

>>>>>