
- ‘Het is met het koninkrijk van de hemelen als met een schat die verborgen lag in een akker. Iemand vond hem en verborg hem opnieuw en in zijn vreugde besloot hij alles te verkopen wat hij had en die akker te kopen’ (Mattheüs 13:44).
De illustratie
Het moet ongetwijfeld voor ons gemakkelijker zijn dan voor de leerlingen om een voorstelling te maken van het hele verhaal waaruit deze kleine gelijkenis genomen is en de verklaring ervan te vinden. Zij stonden immers vóór het lijden en sterven van hun Heer en zij kenden nog maar vaag de bedoeling van God met de mens. Wij kennen de betekenis van de gouden draad die door al deze gelijkenissen loopt, namelijk de waarheid of werkelijkheid van Gods handelen in de geestelijke of onzienlijke wereld. Na 20 eeuwen rampzalige kerkgeschiedenis zien wij hoe deze schat opnieuw verborgen is, doordat de kennis van de onzienlijke wereld verloren is gegaan. Maar wij ervaren tegelijkertijd de blijdschap van de herontdekking van deze rijkdommen. Met hulp van de weinige gegevens in deze gelijkenis, maar met als achtergrond de kennis van de gang van zaken in het Koninkrijk van de hemelen, stellen wij ons de omlijsting van deze parabel als volgt voor:
Een rijke man begroef in zijn akker een kostbare schat. Vroeger was het moeilijk om geld te beleggen en daarom verborg men zijn kapitaal vaak in aarden vaten in de grond. Zo deed de Laplander dat bijvoorbeeld tientallen jaren geleden nog, wanneer hij één of tweemaal per jaar zijn goederen naar de markt bracht en het geïnde geld onder stenen of in ijsspleten verborg. Wij hebben ook in eigen land tijden gekend dat men kostbare muntstukken en sieraden in potten deed en begroef. Zo kunnen er veel jaren voorbijgaan, voordat zo’n schat bij het omwoelen van de grond ontdekt wordt.
In onze gelijkenis kunnen wij ons voorstellen dat de rechtmatige eigenaar door de oorlog zijn akker en daarmee de schat was kwijtgeraakt. Er gaat veel tijd voorbij, terwijl de nieuwe eigenaar geen idee heeft van wat in de grond verborgen is. Velen lopen over het terrein, maar de schat ligt daar volkomen vergeten. Dan komt een betrouwbare zaakwaarnemer van de eerste landeigenaar het bezette land binnen. Hij is met deze rijke man nauw verbonden en deze heeft zijn geheim aan hem bekend gemaakt. De man moet de kostbaarheden herontdekken en ze vinden door de instructies op te volgen die hem door de eerste landeigenaar gegeven werden. Zijn inspanningen worden beloond en hij is ontzettend blij wanneer hij tenslotte de rijkdommen ziet.

Hij voert nu het plan uit om ervoor te zorgen dat zijn baas, de eerste landeigenaar, het stuk land weer bezit. Hij koopt de akker in het vijandelijke gebied, zodat niemand hem het het recht kan ontzeggen deze schatten tevoorschijn te halen. Voordat de man de grond koopt, verbergt hij echter de schat weer zorgvuldig, zodat men het niet te weten komt. Omdat de eerste eigenaar de akker koste wat het kost in zijn bezit wil hebben, wordt een hoge prijs geboden. Hij moet alles wat hij bezit ervoor opofferen. Hij doet dit echter graag, want hij wordt nu weer de rechtmatige eigenaar en blijft dit, totdat de bezettende macht geheel verdreven is en de oorspronkelijke heer zijn akker en schatten overneemt.
Onjuiste uitleg
Ook deze gelijkenis van de schat in de akker ontleent haar stof dus aan het alledaagse leven, maar zij heeft een hogere, hemelse betekenis. Opnieuw wil de Heer ons een waarheid van het Koninkrijk van God door een gelijkenis inprenten. Wij schrijven ‘het Koninkrijk van God’, omdat hier sprake is van een kostbare schat. Wij krijgen dus weer zicht op de lichtkant van het Koninkrijk van de hemelen. Ook deze gelijkenis heeft geen betrekking op de dingen van de aarde, maar zij toont de heerlijkheid van het rijk van God. Zij openbaart de onzienlijke achtergrond van het werk dat Jezus hier op aarde deed.
De traditionele verklaring
De traditionele verklaring van deze gelijkenis is, dat het evangelie de akker is, waarin de schatten van wijsheid, kennis, gerechtigheid, genade en vrede verborgen zijn. De ‘mens’ stelt dan het gelukzoekende kind van God voor, dat op zoek is naar deze schat. De moeilijke opgave bij deze uitleg is dan dat de christen bij het toe-eigenen van deze schat geen kosten of moeiten mag sparen, alles moet hij opofferen, zelfs zijn leven. Men moet dan alles wat men heeft, verkopen om deze schat te kunnen bezitten. Deze uitleg is ontstaan bij de Franciscaner monniken, die de gelofte afgelegd hadden van armoede en onthouding.
Deze ‘uitleg’ werd vervolgens door de protestanten nagepraat en overgenomen, maar zelden of nooit toegepast, behalve dan tot op zekere hoogte door christelijke vluchtelingen die alles achter moesten laten. Zij vluchtten naar het buitenland en ondergingen zelfs de marteldood. Maar er is niemand die de redding kan kopen, want dit wordt uit genade gegeven. Geestelijke goederen krijgt men niet door het zichtbare als ruil aan te bieden. God vraagt daar trouwens niet om, want Hij wil het goede, het welgevallige en het volkomene ook voor het natuurlijke leven. Wat zal trouwens de mens geven in ruil voor zijn leven (Matth.16:26)?
Het doden van het eigen ‘ik’?

Hoewel kerkmensen weten dat ze door genade gered zijn, beweren ze toch dat men ‘de prijs ervoor betalen moet’ om het Koninkrijk van God te erven. Zij willen deze prijs betalen door het ‘eigen ik’ te doden. Zij zingen:
- O, niets te zijn, gans niets te zijn’ en ‘Heer, verbreek mij nu..!’
- De koopsom die zij aanbieden, drukken zij uit met de woorden van het koor: ‘Neem mij, breek mij, vul mij..!’
- Zij willen dus alles kwijt raken wat God hun in het leven gegeven heeft. Zij willen volkomen in de vernieling, want zij verlangen immers ‘geheel verbroken te zijn naar lichaam, ziel en geest…’
- Zij bidden dat God hen als een vat wil breken en het daarna wil vullen! Bij het zingen van de woorden ‘breek mij, vul mij…’, moet men ‘het gezonde verstand wel inleveren’, omdat een gebroken vat nu eenmaal niet gevuld kan worden!
De satan is duidelijk de inspirator van deze zieke liedjes. Een opnieuw geboren christen zal echter bidden om herstel en genezing want dan kan hij gevuld worden met de Geest van God. Jezus zei: ‘Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of schaadt?’ (Lucas 9:25). Wie het eigen ‘ik’ doodt en ‘niets meer’ is, wie ‘zichzelf verliest’, wordt een gemakkelijke prooi van de duivel, want hij kan deze niet meer weerstaan. De bedoeling van de duivel is, de mens eerst stuk te maken of te beschadigen, zodat hij dan des te gemakkelijker zijn geest en lichaam kan bezitten.
De geestelijke werkelijkheid
Om de geestelijke betekenis van deze gelijkenis te begrijpen, zullen wij ons moeten realiseren wat de Heer met de akker bedoelt. In vers 38 zei Jezus: ‘De akker is de wereld’. Deze verklaring houden wij ook hier aan. In het Oude Testament noemt God Israël de akker, maar Jezus spreekt in het Nieuwe Testament over de kosmos als de akker. Het allermooiste van de schepping ligt verborgen in de mensheid. God schiep het eerste mensenpaar als volmaakte, natuurlijke mensen, die opdracht ontvingen zich te vermenigvuldigen, maar die ook de mogelijkheid in zich hadden te ontwikkelen tot volmaakte, geestelijke mensen. Dit laatste bedoelde de Vader toen Hij (tegen de engelen en met zijn Geest) zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken’ (Gen.1:26). Hij gaf hun heerschappij over de aarde, maar zijn bedoeling was dat het menselijke geslacht met Hem zou heersen over alle werken van zijn handen, dus ook gezag zou uitoefenen in de geestelijke wereld. Deze gedachte van God lag als een kostbare schat verborgen in de schepping.
Met het Koninkrijk de van hemelen wordt vanzelfsprekend de koning met zijn onderdanen aangeduid. Het koninkrijk van satan bestaat uit de duivel met zijn onreine geesten. Het dodenrijk wordt gevormd door de koning van de dood: Dood zélf met zijn cipiers, de demonen als gevangenisbewaarders. Het rijk van God is niet op een aardse plaats te lokaliseren, maar heeft Jezus als koning en de opnieuw geboren mensheid met haar dienende geesten, de heilige engelen, tot zijn gevolg.
De metamorfose van de mens

De ‘schat’ bestaat uit de kinderen van het Koninkrijk die tevoorschijn moeten komen. Dan wordt het Koninkrijk van God geopenbaard. Toen God Adam schiep, formeerde Hij dus een natuurlijk en geen geestelijk mens. Wij zouden dit verschil kunnen vergelijken met een rups en een vlinder. De rups bezit de mogelijkheid om in een vlinder gemetamorfoseerd te worden. Zo kan de natuurlijke mens zich ontwikkelen tot een geestelijk wezen. De bedoeling van God met de mens is: ‘Om onderwijs te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen en om op te voeden tot een oprecht leven, zodat een mens van God voor zijn taak berekend is’ (2 Tim.3:16).
Dat deze onberispelijk zal functioneren in de zichtbare en in de onzichtbare wereld en voor wie Hij een plaats heeft bereid in zijn troon. God had tegen de mens gezegd: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag’ (Gen.1:28). Veel mensen werden geboren, maar niemand bereikte het doel van God. De rups bleef op de aarde kruipen en werd niet veranderd in een vlinder die zich in de lucht beweegt. God liet deze gang van zaken geworden, totdat de volheid van de tijd aanbrak, zoals er staat: ‘Hij heeft in het verleden alle volken hun eigen weg laten gaan’ (Hand.14:16), ‘maar het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke en daarna het geestelijke. De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede (geestelijke) mens is uit de hemel.’ Jezus is ‘een levendmakende geest’ dit wil zeggen: Hij maakt mensen geestelijk. ‘En zoals wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse (geestelijke mens) dragen’ (1 Cor.15:45-49). De akker is dus de wereld en de nog verborgen schat was de gedachte van God om volmaakte zonen van het Koninkrijk te formeren.
De verborgenheid ontdekt

De ‘mens’ die de schat ontdekte, was Jezus, de Mensenzoon. Hoe kwam Hij aan zijn evangelie van het Koninkrijk van de hemelen? Het antwoord luidt: Hij kende de woorden van God en werd geïnspireerd door Gods Geest. Bij Hem rijpten deze gedachten, omdat Hij doordrong tot het wezen van de oudtestamentische profetieën. Hij was de eerste die zag dat de oude godsspraken in het nieuwe verbond een geestelijke vervulling hadden. Hij ontdekte de oorsprong van goed en kwaad in de geestelijke wereld. Hij ontmaskerde de duivel, toen Hij bijvoorbeeld zei:
- ‘Die het onkruid gezaaid heeft, is de duivel’ (vers 39).
De Zoon van God werd geopenbaard ‘zodat Hij de werken van de duivel verbreken zou’ (1 Joh.3:8). Hij sprak ook over de hemelse Vader en diens heilige engelen en Hij beloofde Gods Geest te zenden aan allen die in Hem zouden geloven. Jezus wees de weg naar de volle waarheid, dat is die in twee dimensies. Door zijn leer zouden mensen gevormd worden die van eeuwigheid in Gods plan waren bedoeld. Jezus zag deze verborgen schat van het Koninkrijk van de hemelen liggen. Hij ontdekte haar, door bezig te zijn met de dingen van zijn Vader, onder de leiding van Gods Geest.
Zoals het werk van de wet in het hart en in het verstand van de mens was gelegd, zo waren alle gedachten van God in Jezus ingegrift. Hij vond de schat, want Hij zei: ‘Die uit de hemel komt, is boven allen; wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij’ (Rom.2:14; Joh.3:31,32). Hij kreeg kennis van de bedoeling van God met de mens en daarom kon Hij zeggen: ‘Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is’ (Matth.5:48). Hij wist dat in deze wereld een gemeente van volmaakte, geestelijke mensen gevormd zou worden. Over deze verborgenheid zei de apostel: ‘Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefheeft’ (1 Cor.2:9).
Jezus zag dat het Koninkrijk van God binnen in de mens is. Wanneer de geestelijke mens tevoorschijn komt, wordt ook het Koninkrijk van God geopenbaard. Het klimaat van dit Koninkrijk is: rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door Gods Geest (Rom.14:17). Opgemerkt wordt dat de mens de schat vond en opnieuw verborg. Het Koninkrijk van God is immers niet voor ‘onverstandigen en tragen van hart’, maar ‘de verstandigen zullen het verstaan’ (Lucas 24:25; Dan.12:10).
- ‘Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen’ (vers13). Zo staat er: ‘Ik zal mijn mond open doen met gelijkenissen, Ik zal vertellen wat sinds de grondvesting van de wereld verborgen gebleven is’ (vers 35).
Jezus verborg de gedachte van God over het Koninkrijk van God en de kinderen van het Koninkrijk in gelijkenissen. Alleen zij die deze beelden verstaan en deze weten te transponeren in de onzienlijke wereld van het Koninkrijk van de hemelen, die gedoopt zijn met Gods Geest en door deze Geest wijsheid en kennis bezitten, hebben de sleutels van de hemelse schatkamer en begrijpen de mysteries van het rijk van God.
De transactie

Onze Heer kon het Koninkrijk van God dat in de mensheid verborgen lag, er niet uithalen, zolang de wereld niet zijn eigendom was. Hij moest de akker kopen van de overste van deze wereld die er macht over had. In de onzienlijke wereld zijn vaste wetten en het gaat er rechtvaardig toe. Gods gerechtigheid eiste dat er niets toegeëigend zou worden, dat niet wettig in zijn bezit gekomen was. Er moest dus eerst een transactie plaatsvinden; er moest gekocht worden en betaald. Jezus bezat geen aardse schatten, want Hij zei: ‘De vossen hebben holen en de vogels in de hemel nesten, maar de Mensenzoon heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen’ (Matth.8:20). Maar in de onzienlijke wereld was Hij rijk. Hij was niet alleen gaaf als vlekkeloos lam, maar hij was ook de enige die aan het doel van God beantwoordde. Alles wat Hij bezat, was dit kostbare leven en Hij bood dit als koopprijs voor de wereld.
Het ligt niet in de aard en in het wezen van de satan dat hij zich de mogelijkheid kon voorstellen dat in de mensheid de schat van het Koninkrijk van God verborgen kan zijn. Nog minder dat de kinderen van het Koninkrijk tot de volmaaktheid en de onberispelijkheid zouden kunnen komen en waardige troonpretendenten zouden zijn. Wie kent niet zijn slogan die hij velen in de mond legt: ‘Wij zijn maar mensen….’? En hoe zou hij inzicht kunnen hebben, wanneer zelfs van de heilige engelen van God opgemerkt wordt, dat zij verlangen een blik te slaan in de vervulling van de beloften van de redding en het geluk van de zielen (1 Petr.1:9-12). Ook deze dienaars van God en van de mensen kennen het plan van God niet, maar volgen de ontwikkeling ervan met blijde interesse. Het is bekend dat zelfs veel naamchristenen deze volle waarheid ook niet kunnen geloven, want zij leren dat zij zondaars blijven tot de dood, dus altijd verbonden blijven met het rijk van de duisternis.
Satan aanvaardt de kostbare parel

Het was een grote som die aan de duivel geboden werd en in zijn verblindheid aanvaardde hij de koop. Het kostbare leven van Jezus werd overgegeven aan de machten van de duisternis, maar satan raakte zijn macht over deze wereld kwijt. Jezus ontving die macht bij zijn opstanding. Nadat Hij gestorven was voor de zonden, werd Jezus de rechtmatige eigenaar van de wereld. Hij kreeg op wettige wijze alle macht in hemel en op aarde. Hoewel de duivel een wetteloze is, die zijn verkocht bezit niet uit handen wil geven, begon de Heer de schat tevoorschijn te halen en Hij blijft daarmee doorgaan, totdat allen die de redding aanvaarden, tot de volmaaktheid zijn gekomen. De zonen van God zullen geopenbaard worden. Jezus kocht de wereld, om een verloste en geheiligde mensheid aan de Vader over te dragen, want er staat:
- ‘Want U bent geslacht en met Uw bloed hebt U voor God mensen gekocht uit alle landen en volken, van elke stam en taal’ (Op.5:9).