De goede herder

In Johannes 10 staat de gelijkenis van de goede herder. Ogenschijnlijk kan dit verhaal door een kind begrepen worden en daarom is het een geliefd onderwerp voor een vertelling op een kinderclub. Toch staat in vers 6 van dit hoofdstuk de opmerking: ‘In dit beeld (gelijkenis of allegorie) sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was dat Hij tot hen sprak.’ Het woord dat hier door ‘beeld’ vertaald is, duidt in zijn oorspronkelijke betekenis een voetpad naast de weg aan. Wij zien hier dus een overdrachtelijk taalgebruik. Het gaat niet om dat voetpad in de natuurlijke wereld, maar over de hoge of gebaande weg in de onzienlijke wereld die er parallel mee loopt. De luisteraars waren echter niet in staat deze bedoeling van Jezus woorden te verstaan. Zij zagen wel het voetpad in de natuurlijke wereld, maar een dichte haag scheidde hen van de hoge weg. Zij hadden immers niet geleerd geestelijk te denken. Zij begrepen zelfs de intenties van hun eigen eredienst niet, want deze was ook een symbool of een gelijkenis van de hemelse werkelijkheid (Hebr.9:9).

In het beeld van de schaapskooi zien wij het Koninkrijk van God, de lichtzijde van het Koninkrijk van de hemelen. De deur die toegang geeft, symboliseert de bekering en de vergeving van zonden door het lijden en sterven van Jezus. Daarom kon de Heer ook zeggen: Ik ben de deur. Hij heeft de enige weg geopend om legaal het Koninkrijk van God binnen te gaan. Johannes de Doper was de eerste dienstknecht van God, die in zijn boodschap op deze waarheid zinspeelde. Hij bracht immers de doop van bekering tot vergeving van zonden en wees op het offer van Christus, op het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt. Daarmee brak de nieuwe tijd aan en kon hij uitroepen: ‘Bekeer u, want het Koninkrijk van de hemelen is dichtbij gekomen’ (Marc.1:4; Matth.3:2; Joh.1:29). Door deze boodschap werd Johannes de deurwachter die de schapen op de juiste toegang van het Koninkrijk van God wees.

Wij merken op dat bekering en schuldvergeving zaken uit de onzienlijke wereld zijn, net als zijn leven dat Jezus gaf om de zonde weg te nemen. Door zijn optreden maakte Johannes de menigte los van de zichtbare offerdienst in de tempel. Hij bepaalde zijn luisteraars bij de geestelijke werkelijkheid en niet bij de verdwijnende schaduw van ceremoniën en tempelgebruiken. Hij was de wegbereider die door zijn woord de bijl aan de wortel van de oude verbondsboom legde.

Slechts enkele jaren na het optreden van Johannes stierf Jezus voor de zonden en werd dus de toegang tot de schaapskooi ontsloten. Johannes was gekomen ‘om de harten van de vaders te keren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid van de rechtvaardigen, om de Heer een wel toegerust volk te bereiden’ (Luc.1:17). Er is dus sprake van een toebereiding. Door de leer van Johannes ontstaat een nieuwe gezindheid of wil tot gehoorzamen, die de mens geschikt maakt om het Koninkrijk van God binnen te gaan. De leer van Jezus maakt het echter mogelijk dat de ongehoorzamen niet alleen willen, maar ook kunnen gehoorzamen en binnengaan, doordat zij bevrijd werden van de demonen van de duisternis die hun de toegang versperden of belemmerden. Daarom kon Jezus zeggen: ‘Als Ik door de Geest van God de boze geesten uitdrijf, is het Koninkrijk van God over u gekomen’ (Matth.12:28).

Op deze manier konden de verloren schapen van het huis Israël, de ongehoorzamen, binnengaan. Zij bevonden zich dan in dezelfde situatie als de kleine kinderen die door de ouders tot Jezus gebracht werden, van wie Hij zei: Want voor zulke kinderen (geheiligde en beschermde kinderen) is het Koninkrijk van de hemelen’ (Matth.19:14). Na de opstanding van Jezus werd dit alles realiteit, niet alleen voor die uit Israël, maar ook voor die uit de andere volken. Paulus ontving een opdracht voor de heidenen: ‘Waarheen Ik u zenden zal, om hun ogen te openen tot bekering uit de duisternis tot het licht en van de macht van satan tot God, zodat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zouden ontvangen door het geloof in Mij’ (Hand.26:17,18). Hierdoor werd vervuld: ‘Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen mijn stem horen en het zal worden een kudde, een herder’ (vers 16).

Ook in onze tijd zijn er veel volgelingen van de leer van Johannes de Doper. Zij spreken over bekering en vergeving van zonden door Jezus Christus, maar verder gaan zij niet. Wie deze boodschap accepteert, komt in het Koninkrijk van God, doordat het volmaakte offer gebracht is en de vergeving van zonden in het geloof wordt aanvaard. Bekering houdt echter ook in: een breuk met de machten van de duisternis. Wanneer zondemachten bezit van iemand genomen hebben, is een wandel in het Koninkrijk van God onmogelijk. In zo’n situatie voorziet niet de leer van Johannes, maar die van Jezus. De vergelijking over de schaapskooi wordt dan ook, zoals in elke allegorie gebeurt, voortgezet en tot het einde toe volgehouden. Er is sprake van de stem van de herder zélf.

Er is dus een stem of leer van Jezus, die wel aansluit bij die van Johannes, maar die toch veel verder omhoog voert. Er is een redding dat allereerst verteld is door de Heer en waaraan God getuigenis geeft door tekens en wonderen en allerlei krachten en gaven van Gods Geest naar zijn wil (Hebr.2:3,4). Er is een broederschap door de vergeving van zonden die de schapen in dezelfde kooi brengt, maar er is tegelijkertijd een evangelie van het Koninkrijk dat tussen de schapen in die ruimte een scheiding teweegbrengt. Daarom vroeg de apostel Paulus aan de leerlingen van Johannes te Efeze:

  • ‘Hebt u Gods Geest ontvangen, toen u tot het geloof kwam? De apostel merkte op: Johannes doopte een doop van bekering en zei tot het volk dat zij moesten geloven in Hem, die na hem kwam, dat is in Jezus. En toen zij dit hoorden, lieten zij zich dopen in de naam van de Heer Jezus. En toen Paulus hun de handen oplegde, kwam Gods Geest over hen en zij spraken in talen en profeteerden’ (Hand.19:1-7).

De rivier van het Levenswater

In enkele gelijkenissen over het Koninkrijk van God merken wij dezelfde onderscheidingen op. Zo wordt dit Koninkrijk vergeleken met het paradijs. Hierin bevinden zich veel planten, maar het levensgeboomte neemt in deze tuin een opvallende plaats in. Het symboliseert de zonen van God, zoals de Levensboom de Zoon van God voorstelt. Dit geboomte staat aan de rivier van het Levenswater, die ontspringt uit de troon van God en van het Lam. Er is in dit beeld dus sprake van een vervulling met Gods Geest vanuit de Vader en vanuit de Zoon (Op.22:1,2).

Een andere gelijkenis is die van de stad van God met de tempel. Zij die verzoend zijn door het bloed van het lam van God vormen de stad, het nieuwe Jeruzalem, maar zij die Gods Geest ontvangen hebben en die in de hemelse gewesten functioneren, vormen de tempel, de woonplaats van God in de geestelijke wereld. In de beschrijving van het nieuwe Jeruzalem lezen wij dat op de poorten van de stad de namen staan van de twaalf stammen van Israël. Deze aanduiding toont ons dat daarbinnen zich het hele geestelijke Israël bevindt, dus ook het priestergeslacht uit Levi, dat zijn plaats heeft in de tempel en daardoor een selecte groep vormt in de stad van God.

De leer van Johannes de Doper bracht de dwalende schapen van het huis van Israël in de schaapskooi. Zij vormden daar de rest ofwel het overblijfsel naar de verkiezing van de genade. In de schaapskooi bevindt zich dus nu het geestelijke Israël uit Jood én heiden. Maar te midden van deze stammen vindt men ook het koninklijk priesterschap (1 Petr.2:9), dit is gezalfd met Gods Geest. Het zijn de verzegelden uit alle stammen van de kinderen van het geestelijk Israël (Op.7:4). Dit zijn de eigen schapen van de goede Herder. Jezus kwam tot de schaapskooi om veel zonen tot heerlijkheid te leiden, want het Koninkrijk van God gaat verder dan de begrenzing van de schaapskooi, dus verder dan de wetenschap dat de schuld is vergeven en dat men een kind van God is.

De goede herder leidt zijn eigen schapen naar buiten en wanneer hij dit gedaan heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen (vers 4). De stem kennen betekent: zijn woorden aanvaarden en zijn manier van denken overnemen. Hem volgen is: zijn methode toepassen, de werken doen die Hij deed, dus zijn leer in daden omzetten. Wanneer de Heer dan verder zegt dat zijn schapen ingaan, uitgaan en weide vinden, wijst dit uitgaan erop, dat zij bezig zijn in de hemelse gewesten. Daar ontvangen zij hun geestelijk voedsel, drinken van het levende water, worden dus vervuld met Gods Geest en blijven door de Heer bewaard voor de vijand, de dief en de rover, die het altijd op hun leven gemunt heeft.

Ingaan betekent: ingaan in de rust van de schaapskooi vanwege de vergeving van zonden en het kindschap van God, dus ingaan in zijn rust vanwege het volbrachte werk van Golgotha (Hebr.4). In dit verband zegt de Heer: Ik ben gekomen zodat zij leven hebben en overvloed (vers 10). Alle schapen in de kooi hebben leven, maar zij die de goede herder volgen, hebben leven en overvloed:

  • ‘Want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen van het leven; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen’ (Op.7:17).