1. De afwijzing van Jezus door de kerken

<<<<<

 

  • ‘De heerlijkheid die Ik had vóór de wereld was’ (Joh.17:5).
  • ‘Maar wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de eniggeboren Zoon van de Vader, vol van genade en waarheid’ (Joh.1:14).

Johannes keek verder dan de menselijke gestalte, hij zag ook de Zoon van God. Jezus zelf herinnert – voordat Hij gevangen genomen wordt – Zijn Vader nog aan die heerlijkheid: ‘En nu, verheerlijk mij, U Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid die ik had vóór de wereld was, bij U’ (Joh.17:5). Hij zegt daarmee: ‘Toen U de met de schepping begon, zag U mij, de mens, al op de troon. Geef mij nu die heerlijkheid’. Dat is het geheimenis van Gods plan. God wilde geestelijk contact, allereerst met Zijn Zoon en daarna met de geestelijke zonen van de Mensenzoon. Omdat Jezus de gedachten van God kende, koos Hij de naam van Mensenzoon. Jezus wist wat de naam Mensenzoon betekende. Als er één Mensenzoon zou zijn, zouden er meer zonen komen, die ook zonen van God zouden worden. Deze zonen zullen ook in de natuurlijke wereld niet geaccepteerd worden. Zij zullen ook te maken krijgen met haat en verdrukking.

Jezus was het ideaalbeeld, de Zoon in wie God Zijn plezier heeft, met wie Hij contact kan hebben. Hij had in de Schriften (het oude testament) gelezen dat er voor de Mensenzoon en de andere zonen van God een rol was weggelegd. Jezus zegt tegen Zijn Vader: ‘Hier ben ik, in de boekrol is van Mij geschreven’. Er is een mens met verantwoordelijkheden en privileges door God bedacht. Jezus had de boekrollen gelezen en zichzelf herkend in die mens. God had veel van Zijn gedachten bekend gemaakt in het Oude Testament. Jezus had al die gedachten onderzocht en voor 100% zich eigen gemaakt. Hij concludeerde: ‘Ik ben die mens, die Mensenzoon door deze taak vrijwillig op me te nemen en ik onderwerp me aan God’. Daarom leerde Hij dat de Mensenzoon veel moest lijden en verworpen zou worden. Dat had Hij geleerd uit de Schriften. Zo had hij ook begrepen uit de profetie van Jona dat Hij na 3 dagen zou opstaan uit de dood (Matth.12:40).

De ogen van Jezus waren geopend en op zijn beurt opende Hij de ogen van Zijn leerlingen. Hij verweet ze dat ze onverstandig en traag van hart waren. Ook zij hadden kunnen weten van de psalmen en de profeten. Dat was niet iets van vroeger, maar juist ook van nu.

  • Het vrouwenzaad is Jezus,
  • Hij is de laatste Adam,
  • Hij is het offer wat uiteindelijk al die aardse offers moest vervangen,
  • Hij zal de kop van de slang vermorzelen,
  • Hij is het hoofd van de nieuwe schepping.

Jezus zegt: ‘Mijn taak is om het leven af te leggen om het daarna weer op te nemen. Ik hoef het niet te doen, niemand – ook God niet – dwingt mij, maar Ik zie in de Schrift dat het moet gebeuren en Ik neem vrijwillig die verantwoordelijkheid. Ik zeg daarom tegen God: Ik ben hier om Uw wil te doen. Ik ben die ware mens, die door de natuurlijke wereld niet wordt geaccepteerd’.

De leugens van de kerken

In onze dagen wordt al gauw gezegd: ‘Jezus was mens? Maar ik haal het bij lange na niet om ook zo’n mens te zijn..!’ Dat is iets waar veel kerkmensen moeite mee hebben. Zij verschuilen zich achter de slogan: ‘Wij zijn maar gewone mensen, druppels aan de emmer, stofjes aan de weegschaal, deurmatjes en drempelzitters…’ Ze denken dat het onmogelijk is, ook omdat ze belijden dat Jezus tegelijk ook 1/3e God is. Maar Jezus heeft nooit gezegd dat Hij God is, want dát is pas onmogelijk. Jezus heeft wel gezegd:

  • ‘Ik ben gekomen om veel zonen (van de mensen) tot heerlijkheid te brengen’.

En dan hoor je de kerkgangers weer sputteren: ‘En dan zou ik als mens ook nog zoon van God kunnen zijn..?’ Ja, dat kan, want God ziet er juist naar uit dat de zonen van God openbaar worden. Daarom moeten Nathanaël en de andere leerlingen onderwezen worden en de geestelijke wereld gaan ontdekken: zij zien dan ook de engelen van God die de Mensenzoon omringen en dienen. En Jezus is gekomen om veel zonen tot diezelfde heerlijkheid te brengen; tot diezelfde hoogte;

  • Wie overwint zal samen met Mij op mijn troon zitten, net zoals Ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit’ (Op.3:21).

En nóg blijven kerkmensen zich verzetten: ‘Ja we zijn zondaars tot de dood, pas na het sterven zullen we met de engelen zijn en met hen zingen. En ze begeleiden ons, geven ons uitleg en zo komen we verder…’ Ook met deze uitspraak lasteren ze God, want ze doen alsof de Geest van God niet bestaat. De engelen willen juist graag weten wat Gods Geest aan ons openbaart, maar kerkmensen draaien de boel om. Hoe dwaas is dat! Wij zijn veel meer dan de engelen, zij dienen ons, zij zingen niet met ons mee, zij vangen ons niet op na onze dood. Kerkgangers bedenken van alles over engelen, in feite zijn dat allemaal occulte verhalen. Maar Paulus zegt:

  • ‘Niet aan de engelen heeft Hij de toekomende wereld onderworpen, maar iemand heeft ergens gezegd: Wat is de mens dat U aan hem denkt en de mensenzoon, dat U naar hem omziet’. U hebt de mens voor een korte tijd beneden de engelen gesteld (door de zonde is de mens slaaf van de slechte demonen geworden) maar U hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond’ (Hebr.2:6,7).

God heeft ons verlost door Jezus Christus die als eerste mens een autoriteit was in de hemelse gewesten. Hij is de eerste die met eer en heerlijkheid gekroond is, Hij is de oudste broer. In Hebreeën 2 wordt ook gesproken dat Jezus veel zonen tot diezelfde heerlijkheid zal brengen. Die zonen zijn geen engelen, maar zonen van mensen. Jezus heeft voor die zonen de hemel geopend, zoals Hij beloofde aan Nathanaël. Voor die tijd was er niemand die de hemel geopend had gezien. In het Oude Verbond had niemand zicht op de geestelijke wereld. Maar nu is Jezus verheerlijkt, Hij heeft de Naam boven alle Naam, nu worden wij als zonen ook verheerlijkt met Hem.

Door lijden heen

Het betekent wel dat we door lijden heen gaan, maar wij worden opgetild tot het punt waar Jezus ook is. En dan willen we absoluut niet vasthouden aan het kerkelijk gesputter, dat wij maar mensen zijn…’ Het grote geheim van het evangelie is het geloof in Jezus als Mensenzoon die veel zonen tot God zal brengen. Jezus geloofde wat er in de Schriften stond, dat moeten wij ook doen.

Paulus spreekt over de openbaring van de zonen van God. Hij laat zijn geloof hierin zien, hij kent het plan van God en ziet uit naar de zonen van God. Ook wij zien er naar uit. Wij accepteren onze verantwoordelijkheid en zeggen, net als Jezus: ‘Heer, hier ben ik, in de boekrol is ook over mij geschreven’. Als wij ons dit eigen maken, kunnen wij ook als zonen van God geopenbaard worden. Ook dit wordt door de kerkmensen niet geaccepteerd. Men accepteert Jezus wel (‘anders kom ik niet in de hemel’), maar men negeert daarna wel zijn concrete oproep: ‘En nu jullie!’ Zij zeggen: maar zo gemakkelijk gaat het niet’. Op die manier zullen ze nooit een zoon van God worden.

Dat geldt ook voor de schuldvergeving. Als je steeds maar blijft denken dat je zonden toch niet zullen worden vergeven, dan zijn ze je ook niet vergeven. Geloof je niet in de doop met Gods Geest, dan zal je ook Gods Geest niet ontvangen. Leef daarom vanuit het geloof dat het gaat gebeuren. Jezus nam Zijn plaats in de hemel in. Dat gelooft men in de kerk nog wel, maar ze geloven niet dat zijzelf die plaats ook kunnen innemen. Ze zeggen spottend: ‘Wat doe je hier nog als je toch ook al in de hemel zit..?’ Zij loochenen wat de schrijver van de Hebreeënbrief zegt:

  • ‘Wij zijn deelgenoten van een hemelse roeping’.

Net zoals Jezus hebben ook wij een hemelse roeping, omdat wij zonen van God zijn. Jezus is alle hemelen doorgegaan en vervolgens ging hij het hemelse heiligdom binnen. Laten wij nu ook dat heiligdom binnengaan, langs de nieuwe en levende weg (Hebr.10:19). 

Dit geheim is al eeuwenlang verborgen

  • ‘En toen het Lam het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag en zie, een zwart paard en hij die erop zat, had een weegschaal in zijn hand. En ik hoorde te midden van de vier dieren een stem zeggen: Een maat tarwe voor een penning en drie maten gerst voor een penning. En breng de olie en de wijn geen schade toe’ (Op.6:5,6).

Niemand in de kerk weet meer hoe de mens tot zijn doel moet komen. De kerken blijven hangen in de dwalingen van de erfzonde en het ontkennen van de schuldvergeving. De leugen van de babybesprenkeling krijgt alle ruimte boven de Bijbelse doop, zoals ook de doop met Gods Geest wordt ontkend. Er wordt geen aandacht gegeven aan het geraffineerde werk van satan. Er is dus ook geen zicht op de strijd en het leven in de hemelse gewesten (Ef.6). De erfenis in de hemel is volgens de kerken voorbestemd zijn voor ná de dood. Maar we mogen nú al opstijgen door ons te identificeren met de Mensenzoon. Als we Hem volgen en – nog meer – willen worden zoals Hij.

>>>>>