Een absolute scheiding

‘Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het van elkaar scheidt, ziel en geest, gewrichten en merg en het schift overleggingen en gedachten van het hart’ (Hebreeën 4:12).

In het laatste deel van het fundament van het christelijke geloof wordt in Hebreeën 6 over ‘een eeuwig oordeel’ gesproken. Dit is – net als de opstanding van de doden – een zuiverend proces dat naar de volkomenheid leidt. Het is scheiding tussen het goede en het kwade, tussen licht en duisternis, tussen wat bij God hoort en wat van de satan is. Door ‘een eeuwig oordeel’ werkt God aan zijn herstelplan met de mens én de hele schepping. Door Jezus Christus brengt Hij het oordeel tot overwinning (Mattheus 12:20).

Er is geen verzoening mogelijk tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad, tussen wat bij God hoort en wat van de satan is, maar er is alleen een absolute scheiding. God verzoent zich niet met de satan, want deze is de vader van de leugen en de oorsprong van alle ongerechtigheid. Hij is dé mensenmoordenaar vanaf zijn val op aarde (Joh.10:10). Er is voor hem geen herstel mogelijk, omdat er bij hem geen sprake is van beschadiging, verleiding of overweldiging. Hij is de verdorvenheid zelf geworden door een bewuste eigen keuze tégen God.

Bij een ‘oordeel’ (Grieks: crisis = scheiding) worden zaken van elkaar gescheiden die niet bij elkaar horen, bijvoorbeeld gedachten die met elkaar overeenstemmen. Zo is de ene gedachte niet in overeenstemming met de gedachte van God, maar met die van de satan. De duivel kan niet bidden: ‘Verlos mij van het kwade’, want hij is één en al wetteloosheid en er is geen ‘algehele verzoening’. Tot aan het optreden van Jezus Christus heeft God de zonde op aarde laten geworden. Hij greep niet in om de mens van de zondemachten te scheiden.

De zondvloed

Om gerechtigheid op aarde te bewaren en niet alles in ongerechtigheid te laten ondergaan, nam God bij de zondvloed de mensen weg: ‘God zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze bedachten was steeds even slecht’ (Genesis 6:5). Alleen Noach vond genade in de ogen van de Heer: ‘omdat hij onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man was. Noach wandelde met God’.

Na de zondvloed verviel de mens van kwaad tot erger. Toen kwam in Babel het occultisme op. Men bouwde daar een tempeltoren, om directe gemeenschap te hebben met de legers van de duisternis. In het bovenste vertrek zaten de opperpriesters, tovenaars, astrologen en de magiërs, die contact zochten met de onzienlijke geesten. God merkte op: ‘Dit is het begin van hun streven, nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn’ (Gen.11:6). De Heer stopte deze bundeling van krachten van de duisternis en vervreemdde de mensen van elkaar door de spraakverwarring. Vanaf die tijd waren de aanhangers van de valse en occulte godsdiensten onderling verdeeld en hierdoor was hun kracht gebroken.

De tien geboden

Om niet weer alles te laten ondergaan en om gerechtigheid te bewaren, nam God Abraham met zijn nageslacht en stelde hem apart. Israël was zijn erfenis. God reserveerde een plekje, om in de volheid van de tijd het herstelwerk te kunnen beginnen. Bovendien gaf Hij aan Israël de wet op de Sinaï, zodat het telkens van buitenaf erbij bepaald zou worden hoe de mens moest leven, om aan de wetten van zijn Schepper te voldoen. De leiders van het volk Israël weken echter met hun zelf toegevoegde wetten zo ver af, dat gezegd moest worden: ‘U hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen’ (Joh.8:14). Slechts een rest van het volk, zoals bijvoorbeeld Zacharias, Elisabeth, Anna en Simeon, waren rechtvaardig voor God en ‘leefden naar alle geboden en eisen van de Heer, onberispelijk’ (Lucas 1:6).

Wanneer Jezus op aarde aan zijn werk begint, komt er een essentiële verandering. Gods herstelplan treedt dan in werking. Jezus gaat dan scheiding maken tussen goed en kwaad. Hij zei: ‘Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buiten geworpen worden’ (Joh.12:31). De overste van de wereld is de duivel; hij werd toen verdreven en verwijderd. Dit was nog nooit gebeurd. Nog nooit was een mens gescheiden van de duivel die hem bezet had. De Heer kwam dus om aan te tonen waar het kwaad vandaan kwam, om de demonen te ontmaskeren en om de mens te verlossen. Hij zei van Zichzelf:

  • ‘Kijk, Ik drijf demonen uit en genees, vandaag en morgen en op de derde dag word Ik voleindigd’ (Lucas 13:32)
  • ‘Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen’ (Joh.9:39).

Jezus kwam om zondaars te bevrijden en Hij begon in Israël, want ‘het oordeel begint bij het huis van God’. Hij scheidde de mens van het kwaad, want God wil niet dat sommigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen (2 Petr.3:9).

Gelijkenissen

In een gelijkenis vertelde de Heer heel duidelijk hoe de duivel werkt. Door middel van zijn demonen dringt hij in een mens. Deze mens wordt dan zijn huis, dat hij bewoont (Matth.12:44). De onreine geesten gebruiken dan het huisraad van de oorspronkelijke bewoner, zoals zijn verstand, zijn gevoel, zijn ogen, oren, handen en andere ledematen. Wat moet er nu gebeuren om de scheiding te maken? Jezus zei in Mattheüs 12:28-30:

  • ‘Maar als Ik door de Geest van God de demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen. Of hoe kan iemand het huis van de sterke binnengaan en al zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden? Dan zal hij zijn huis plunderen’.

Het grondwoord voor ‘plunderen’ is precies hetzelfde als wat in deze tekst door ‘roven’ vertaald is. Men moet het huis van de sterke binnengaan en deze demon binden, dus machteloos maken. Wanneer dit gebeurd is, krijgt de overweldigde persoon weer de beschikking over zijn vermogens, zijn huisraad. Het herstel volgt dan later. Op deze manier wordt het huis van de onwettige eigenaar ‘geroofd’ of afgepakt en teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar, de mens. Deze is dan vrij en zal nu de Vader om Zijn Geest bidden, zodat deze in hem komt wonen. Zo komt dan het Koninkrijk van God over dit huis of deze mens en het resultaat is: rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door Gods Geest (Rom.14:17).

Direct na deze gelijkenis zegt Jezus: ‘Wie niet met Mij is, die is tegen Mij en wie met Mij niet bij elkaar brengt, die verstrooit’. Wie niet met Jezus bezig is om overweldigden uit de klauwen van de duivel te halen en wie geen demonen uitdrijft en zo scheiding maakt in de onzienlijke wereld tussen het goede en het kwade, helpt niet mee om mensen bij elkaar te brengen voor het Koninkrijk van God, maar jaagt ze uit elkaar, zodat zij als dwalende schapen verstrooid worden, ondanks alle goede bedoelingen. De gelovigen – als medewerkers van Jezus – zullen dus zijn methode en zijn manier van doen moeten overnemen om met Hem het oordeel tot overwinning te brengen. Hij gaf de opdracht: ‘Als tekens zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven’ (Marcus 16:17). Wanneer dit gebeurt, steigeren de godsdienstige of ‘vrome’ geesten, maar het volk leeft en prijst de naam van Jezus.

De tempel van God – Het nieuwe Jeruzalem

Het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen houdt in dat in de innerlijke mens een scheiding wordt aangebracht en ziekte-, zonde- en leugenmachten verdwijnen. Dan komt het Koninkrijk van God over de mens. Wanneer zo’n bevrijde mens met Gods Geest vervuld is, wordt zijn natuurlijke leven hersteld en is hij afgezonderd om als een ‘levende steen’ ingevoegd te worden in de tempel van God, dat is de ware gemeente. Op deze manier verzamelt de Heer een gemeente, die Hij zonder vlek en onberispelijk aan de Vader kan voorstellen. Hij heelt de breuk en geneest de wond, want:

  • ‘Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de walmende vlaspit zal Hij niet uitdoven, voordat Hij het oordeel tot overwinning heeft gebracht’.

De grote barrière die in de weg lag om het oordeel tot overwinning te brengen, was de zondeschuld. Door zijn lijden en sterven heeft Jezus deze last in de hemelse gewesten weggedragen. Toen kon de Vader allen die de Zoon wilden volgen ‘een plaats geven in de hemelse gewesten’ (Ef.2:6). God heeft het oordeel aan de Zoon gegeven en deze schakelt zijn gemeente als medewerkers in: ‘Of weet u niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen! Weet u niet, dat wij over engelen zullen oordelen?’ (1 Cor.6:2,3).

Het werk van de gemeente heeft tot doel, om in navolging van Jezus, satan en zijn demonen te verdrijven, dus scheiding te maken in allen die overweldigd zijn door de duivel en die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Zij doet dit in de naam van Jezus en door de kracht van Gods Geest. Zo ontstaat een gemeente, waar broers en zussen meehelpen een scheiding te maken tussen goed en kwaad in het leven van zwakken, zieken en gebondenen. Zij doen dit echter allereerst in eigen leven. De apostel zegt: ‘Als wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet onder het oordeel komen’ (1 Cor.11:31). Om een ander voorbeeld te gebruiken: zij leggen de werken van de duisternis af, de oude mens (dat is de mens die geleid en bestuurd wordt door de demonen), de leugen (dus ook de dwalingen), alle vuilheid en alle laster.

Men kan dus een mens die zwaar gebonden is, die de strijd tegen de satan niet zelf aankan, helpen door bij hem satans demonen te binden en deze uit te drijven. Zo’n persoon is dan vrij, maar men kan door ‘bediening’ hem niet geestelijk laten groeien. Hij zal zelf moeten verlangen naar de doop met Gods Geest en door de kracht van God zal hij moeten groeien naar de mannelijke volwassenheid. Gods Geest is de levensgeest van het lichaam van Christus; deze geeft de groei en de ontwikkeling. Immers: ‘Het is God die de groei geeft’ (1 Cor.3:7). De Geest van God die in de gelovigen woont, zal overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel. Gods Geest blijft aanwijzen wat goed en wat kwaad is en geeft de gelovige de kracht het kwaad te verdrijven of af te leggen en te weerstaan, maar het goede te behouden, zodat de gelovige leven kan in gerechtigheid.

Geloofsgenezing

Gods Geest is ook gegeven om ‘de ziel te troosten’ of te genezen, zodat het gevoelsleven, het verstand en de wil, niet langer beïnvloed door de machten van de duisternis, weer op de juiste manier gaan functioneren. Ook het woord van God oordeelt. In Hebreeën 4:12 staat:

  • ‘Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het van elkaar scheidt, ziel en geest, gewrichten en merg en het schift overleggingen en gedachten van het hart’.

Door het woord van God wordt de ziel gescheiden van de zondemachten, de geest van de mens van de leugengeesten en zijn lichaam van de ziektemachten, want er staat: ‘Hij zond zijn woord, Hij genas hen’ (Ps.107:20). Een mens kan zichzelf niet oordelen, als hij twijfelt. Daarom zullen de overleggingen van zijn hart ook gescheiden moeten worden. Wanneer gedachten in hem opkomen, wanneer profetieën uitgesproken worden, zal er een controle moeten zijn door het Woord van God en door Gods Geest zal de leugenachtige gedachte die tot dwaling en tot ongerechtigheid leidt, buiten het denken gehouden moeten worden. Het kind van God zal één moeten zijn in zijn denken, dus gelijkgericht met de woorden van zijn Heer, zoals er staat: ‘Zodat zij één zijn, zoals wij één zijn’ (Joh.17:22). Wanneer de gemeente op deze manier de oordelende en scheidende werking van het Woord van God ondergaat, wordt vervuld:

  • ‘Haar reinigende (dus scheidende van de vuilheid) door het waterbad met het woord en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet’ (Ef.5:26,27).

Het oordeel begint bij het huis van God, de gemeente. Tot haar wordt gezegd: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig’, dat wil zeggen: afgezonderd van het kwaad en geheeld. Het oordeel wordt in haar tot overwinning gebracht. Het kwade wordt overwonnen door het goede en de gemeente kan het einddoel van het geloof, de volkomenheid, bereiken. Wanneer de gemeente ‘de mannelijke volwassenheid’ bereikt heeft en voltallig is, komt er een scheiding met de zichtbare wereld. ‘Wanneer de vrucht rijp is, laat hij er direct de sikkel in slaan, omdat de oogsttijd aangebroken is’ (Marcus 4:29). Dan is het tijdstip gekomen dat de Heer zich met zijn voltallige gemeente in de zichtbare wereld zal openbaren.

De uiteindelijke (en geen voortijdige!) opname

Van Christus Jezus wordt gezegd, dat Hij levenden en doden zal oordelen (2 Tim.4:1). Wanneer Hij terugkomt, zal Hij een scheiding maken tussen degenen die dan op de aarde leven. Zij die het oordeelsproces volledig in zich hebben laten doorwerken, zullen in een ondeelbaar ogenblik veranderd worden en de anderen niet. Ook de doden zullen geoordeeld worden, want degenen die in Christus ontslapen zijn, zullen opstaan en met Hem terugkomen en anderen zullen in het dodenrijk blijven (1 Thess.4:16,17).

Het duizendjarige rijk

Met zijn gemeente die naar lichaam, ziel en geest de onberispelijkheid bezit en die het beeld van haar Heer in alles gelijkvormig is, zal Jezus de wereld regeren tijdens het zogenaamde duizendjarige rijk. Toegerust met de gaven en krachten van de toekomende eeuw zal ‘dit koninklijke priesterschap en deze heilige natie’ (1 Petr.2:9) de schepping verlossen van de inwonende demonen die ook dán nog in mensen kunnen leven (Jes.65:20). Ieder mens, geboren in het duizendjarige rijk, zal immers ook dan een keuze moeten maken vóór of tégen Jezus Christus. Het oordeel dat bij het huis van God begonnen was, zal dan over de hele aarde gaan. Alleen zij die zich dan laten reinigen, zal behouden worden.

Gog en Magog – De satan losgelaten uit de gevangenis

  • ‘En wanneer die duizend jaar tot een einde gekomen zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten. En hij zal uitgaan om de volken te misleiden die zich in de vier hoeken van de aarde bevinden, Gog en Magog, om hen te verzamelen voor de oorlog. En hun aantal is als het zand van de zee. En zij kwamen op over de breedte van de aarde en omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad. Maar er daalde vuur van God neer uit de hemel en dat verslond hen. En de duivel, die hen misleidde, werd in de vuurpoel van zwavel geworpen, waar ook het beest en de valse profeet al zijn. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheden’ (Op.20:7-10).

Wie in het duizend jaar nog weigeren om God en zijn zonen te accepteren (ook dan heeft men een vrije keuze) zullen door de vloek getroffen worden, dat wil zeggen: een prooi worden van de satan. In het duizendjarige rijk worden alle levenden geoordeeld: de goeden worden ingevoegd in het nieuwe Jeruzalem en de kwaden gaan naar het dodenrijk. Daarna volgt het laatste oordeel, waarvan wij lezen in Openbaring 20:11-15. De gestorvenen worden geoordeeld naar hun werken. Wie het goede gedaan hebben, ontvangen de opstanding ten leven en wie het kwade gedaan hebben, worden veroordeeld. Dit is de definitieve scheiding tussen goed en kwaad. De barmhartigen, de vredestichters, zij die hongerden en dorstten naar de gerechtigheid, ontvangen dan eeuwig leven.

De vuurpoel

De goddelozen, tovenaars en leugenaars, worden geworpen in de vuurpoel, een beeld van de concentratie van de demonen van de duisternis. Dan is het oordeel voltrokken, volkomen en voor eeuwig. Nu volgt alleen nog de genezing van de ziel en de vervulling met Gods Geest voor allen die bij het nieuwe Jeruzalem horen:

  • ‘De bladeren (geestelijke gaven) van het levensgeboomte (de gemeente) zijn tot genezing van de volken’ (Op.22:2).

Jezus zei: ‘Nu gaat er een oordeel over deze wereld’. Nu is de oordeels-‘dag’ begonnen. Dit is geen ‘dag’ in de gewone betekenis van het woord, maar een periode. Het oordeel begint bij het huis van God, waar scheiding komt tussen het goede en het kwade. Uit alle volken, talen en naties komt de onberispelijke gemeente tevoorschijn. In het duizendjarige rijk komt het oordeel over de dan levenden en daarna over alle doden. Dit is dan het einde van de ‘dag’ van het oordeel. De apostel schreef:

  • ‘Het hechte fundament van God heeft dit merk: De Heer kent de zijnen, en: Ieder, die de naam van de Heer noemt, breekt met de ongerechtigheid’ (2 Tim.2:19).

Wanneer in het leven scheiding is gemaakt tussen goed en kwaad, is duidelijk herkenbaar wie bij God hoort. Wat de menselijke kant betreft geldt: er is een breuk met de ongerechtigheid gekomen. Daarom is het oordeel er nu.

Een rivier met water dat leven geeft

Christendom is een manier van leven naar de wetten van God, dus in gerechtigheid. Geen andere godsdienst kan dit bewerken, want geen ander geloof kan de schuld wegnemen en ons zo tot rechtvaardigen maken in de onzienlijke wereld. Opnieuw geboren christenen willen het hele Bijbelse fundament in hun leven rond hebben, inclusief het hierboven genoemde waarmerk. Daarom moeten deze zaken onderwezen worden aan iedereen die Jezus volgen wil. Waar het fundament geheel of gedeeltelijk ontbreekt, kan Gods Geest niet verder bouwen. Niemand kan ongestraft de leer van het fundament aantasten, want daarmee tast hij Jezus Christus aan en het plan voor de bouw van de tempel van God, waar Jezus Christus de bouwmeester van is.