De boeken geopend

  • ‘Er werden boeken geopend. Toen werd er nog een geopend: het levensboek. De doden werden op grond van wat in de boeken stond geoordeeld naar hun daden’ (Openbaring 20:12).

In het duizendjarig vrederijk zijn alle mensen die nog op aarde leefden, door de gemeente tot volkomenheid gebracht. Zij, die gehoorzaam gebleven zijn bij de laatste ‘stuiptrekking’ van de satan (de slag bij Gog en Magog), hebben hun plaats in de stad van God ingenomen. Dit nieuwe Jeruzalem bestaat uit mensen, die tijdens hun aardse leven wél in Christus hebben geloofd, maar niet geestelijk gestreden hebben tegen de overheden en machten in de hemelse gewesten. Zij zijn dus niet tot overwinnaars uitgegroeid. Bij hen horen onder andere de rechtvaardigen uit het oude verbond, die al tevoren hun hoop op Christus hadden gebouwd (Ef.1:12). Van Abraham staat bijvoorbeeld geschreven, dat hij een stad verwachtte met fundamenten, waarvan God de ontwerper en de bouwmeester is (Hebr.11:10). De ‘geloofshelden uit het oude verbond’ zijn bij de opstanding van Jezus uit de doden óók opgestaan uit het dodenrijk, waar zij zich bevonden in de ‘schoot van Abraham’. Zij zijn als eersten overgeplaatst in het nieuwe Jeruzalem:

  • ‘Toen Hij (Jezus Christus) opsteeg naar omhoog, voerde Hij gevangenen mee en schonk Hij gaven aan de mensen’ (Ef.4:8).

Daarna zijn in de tijd van het nieuwe verbond ook veel mensen – waarvan sommigen als door vuur heen – ingevoegd, omdat zij geloofden dat Jezus de Christus was die voor hun zonden was gestorven. Zij hebben daardoor de belofte ontvangen dat zij de dood in eeuwigheid niet zullen zien (Joh.8:51). Alle leden van de stad zijn aan het einde van het duizendjarig rijk door de gemeente in de geestelijke wereld tot volmaaktheid gebracht. Deze volwassenheid is dus niet opeens bij het sterven ingegaan. In het Koninkrijk van God gaat alles immers via groei en ontwikkeling. Zonder inbreng van de gemeente zouden zij niet tot de volle volwassenheid gekomen zijn (Hebr.11:40).

De miljarden in het dodenrijk

Nog steeds zijn niet álle mensen op hun eindbestemming aangekomen. In het dodenrijk, de gevangenis, worden nog vele miljarden mensen bewaard tot de dag van het oordeel. Het zijn mensen die Christus niet kenden of niet in Hem konden geloven op grond van hun ervaringen met de kerkelijke gevangenissen en het schijnchristendom. Zij allen zijn zonder hoop op Christus gestorven en zijn – wat hun innerlijke mens betreft – in de situatie gebleven, waar zij al tijdens het aardse leven in leefde: in het dodenrijk. Bij hen horen ook de rechtvaardigen ‘onder de wet’, die geen visie op de toekomst hadden. Velen zullen behoorlijk beschadigd zijn, doordat zij in hun leven gebukt zijn gegaan onder het juk van de demonen van de duisternis. Als zij echter honger en dorst hadden naar de gerechtigheid of bijvoorbeeld goddelijke eigenschappen in hun leven hebben getoond, zoals barmhartigheid, zijn zij aan de lichtkant van het dodenrijk terecht gekomen. Men wordt daar door de doodsengelen (cipiers van de gevangenis) bewaard, zonder dat de demonen, die hen in het leven aanvielen, hen nog verder pijnigen. Die demonen hebben de persoon bij het sterven verlaten. Geen demon van de duisternis gaat vrijwillig met de mens mee naar de gevangenis, een plaats waar hij vóór de tijd gepijnigd wordt vanwege zijn inactiviteit (Matth.8:29).

De duisternis liefhebben – satanische werken

Andere mensen hebben tijdens hun aardse leven in de zonde geleefd om alles eruit te halen wat erin zat. Zij hebben de demonen, die hen in de greep hielden, lief gekregen en hen bij het sterven vastgehouden, zodat hun innerlijke mens (verbonden met de demonen) in de afgrond terecht kwam: het diepe gedeelte van de zee. Zij hadden de duisternis liever dan het licht, hun werken waren allen verrot (Joh.3:19). In dit donkerste deel van het dodenrijk bevindt zich in de tijd van het laatste oordeel, ook de gemeente van de antichrist, vergezeld van de corrupte demonen die zij allen liefhadden. Na de slag van Armageddon zijn zij immers allen gedood. Ook zij hebben gekozen voor de duisternis en haatten het licht. 

De tweede dood

Tussen de lichtzijde, waar ‘goeden’ bewaard worden en de duistere zijde, de afgrond, waar ‘kwaden’ gevangen gehouden worden, bestaat een onoverkomelijke kloof (Lucas 16:26). In het dodenrijk is de scheiding al gevallen. Dood hemzelf wijst namelijk ieder een plaats aan wat overeenkomt met zijn of haar werken, dus op grond van datgene wat in de boeken van de duivel staat. Bij het laatste oordeel, beschreven in Openbaring 20:11-15, wordt deze scheiding alleen maar bekrachtigd:

  • ‘De boeken werden geopend en ieder werd geoordeeld naar zijn werken.’

Allen zullen ontwaken, dat wil zeggen uit de macht van het dodenrijk loskomen. Zij, die aan de lichtzijde waren, staan geschreven in het boek van het leven en ook dit boek wordt geopend. Deze mensen, die innerlijk altijd naar het goede hebben verlangd, krijgen dit nu overvloedig aangeboden. Zij staan op tot eeuwig leven (Dan.12:2). Zij komen in een onsterfelijk opstandingslichaam terecht op de nieuwe aarde en worden daar opgevangen door de stad en de tempel van God.

Een afgrijzen voor alle eeuwigheden

Zij, die aan de duistere deel waren, ontwaken tot eeuwig afgrijzen (Dan.12:2). Hun innerlijke mens vlucht weg van het geweldige licht, dat hen vanuit het nieuwe Jeruzalem tegemoet straalt. Zij storten zich samen met de hen begeleidende demonen in de vuurpoel, ver van het aangezicht van de Heer (2 Thess.1:9). Zij kiezen bewust voor deze plaats, geheel in overeenstemming met hun keus voor de duisternis in hun aardse leven. Dood hemzelf en het dodenrijk, de doodsengelen (cipiers van de gevangenis) komen allemaal in de poel van vuur. Zo zal ook de laatste vijand, de dood, teniet gedaan worden (1 Cor.15:26). De Bijbel noemt de vuurpoel de tweede dood. Dit is de afschuwelijkste plek die men zich voor kan stellen: een concentratie van alles wat duisternis is en van allen die de duisternis zochten, liefhadden en aanbaden. 

Ieder mens keert dus uiteindelijk terug uit de eerste dood, het dodenrijk. Hierin is de innerlijke mens geconserveerd in de situatie, die bij het sterven heerste. Het natuurlijke lichaam is echter ontbonden. Wat de eerste dood is voor de uiterlijke mens, is de tweede dood voor de ziel en de geest. De innerlijke mens wordt in de vuurpoel volledig ontbonden. Alle aanzien wordt hem ontnomen. Het eeuwige vuur verteert alles; niets en niemand heeft nog maar enige statuur. Alleen hun ‘worm’ blijft over, het beeld van de totaal onttakelde en volledig, tot op de grond toe gesloopte ziel en geest van de mens. Deze sterft niet, het zwavelvuur wordt niet geblust (Marcus 9:48). Eeuwig zullen satan en zijn demonen elkaar én de menselijke zielen en geesten pijnigen!

Nogmaals: deze plaats is bedoeld voor de duivel en zijn engelen. De mens hoort er dus feitelijk niet thuis (Matth.25:41). Dat er ondanks dit toch mensen in de tweede dood terecht komen, is een gevolg van hun eigen, bewuste keus. Niemand komt daar tegen zijn zin. God wil dat alle mensen gered worden en de waarheid leren kennen (1 Tim.2:4). Hij kan dit echter alleen realiseren, als de mens kiest voor het geluk dat hem in Jezus Christus wordt aangeboden of als hij tijdens zijn leven laat zien dat hij het goede wil en het kwade haat (Jac.2:13). Is dit niet het geval, dan gaat de mens verloren.

  • Wanneer nu alle demonen van satan, de Dood hemzelf met zijn cipiers (doodsengelen), Apollyon, de antichrist, de zonen van het verderf, de weerspannigen in het duizendjarig rijk, ongehoorzaam zijn geworden en allen die in hun leven op aarde de duisternis liever gehad hebben dan het licht, terecht gekomen zijn in de vuurpoel, is de hele kosmos bevrijd van alles wat het licht heeft gehaat. Nu kan de laatste fase van het herstelplan uitgevoerd worden.

De tijd ná het duizendjarig rijk – Het levensboek

Zij, die in het levensboek staan, komen na het laatste oordeel op de vernieuwde aarde. Zij mogen daarvoor hun innerlijke mens overkleden met een opstandingslichaam, dat niet meer onderworpen is aan plaats of tijd. Deze omhulling is soortgelijk aan het verheerlijkte lichaam, waarin de zonen van God leven, maar niet identiek. Alleen overwinnaars hebben een lichaam aan dat van hun Heer gelijkvormig (verheerlijkt), de anderen bezitten een opstandingslichaam, dat in glans en heerlijkheid daarvan verschilt. De statuur van hen, die bij de tempel horen, is anders dan van hen, die bij de stad horen en van hen, die daar nu nog binnen geleid moeten worden. De ene ster verschilt in glans van de andere (1 Cor.15:41). Allen samen weerspiegelen zij de veelkleurige wijsheid van God.

De mensen, die uit het dodenrijk teruggekomen zijn, leven wat hun innerlijke mens betreft, nog in exact dezelfde situatie, die zij bij het sterven hadden, dus nog beschadigd, de een meer, de ander minder. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de zwakzinnigen en aan de zwakbegaafden. Allen komen op de nieuwe aarde in het klimaat van het Koninkrijk van God. Zij ontvangen dan alles wat voor hen verborgen was gebleven, maar waar zij wel naar hadden verlangd. Allen zullen moeten worden hersteld en na de doop met Gods Geest tot geestelijke volwassenheid geleid moeten worden. Ook zullen dan de te vroeg gestorven kinderen en de bewust vermoorde, miljarden ongeboren vruchten, opgevoed moeten worden, waarna ook dezen de geestelijke ontwikkeling kunnen gaan doormaken.

Het nieuwe Jeruzalem

In Openbaring 21:2 staat dat het nieuwe Jeruzalem, dus stad én tempel, uit de hemel neerdaalt op de aarde. Dit is een beeld van de taak, die zij op aarde opneemt om al het overweldigde te herstellen en het beschadigde te genezen. Haar poorten staan wagenwijd open en miljoenen stromen naar binnen om het herstel te ontvangen. Omdat er geen demonen meer hoeven te worden uitgedreven, maar alleen de boodschap van het Koninkrijk van God gebracht moet worden, kunnen nu ook de leden van de stad actief meedoen. Het herstel, dat zij in een eerder stadium via de gemeente, de tempel, hebben ontvangen, kunnen zij nu ook doorgeven. Op deze manier zal God alle tranen van de ogen van de volken afwissen, de dood zal er niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite. De mensen worden uitgenodigd voor de bruiloft van het Lam, die nog steeds doorgaat. De feestvreugde wordt wéér groter. Ook zij worden gevoed en verkwikt aan de tafel van mergrijke, vette spijzen en van gezuiverde, belegen wijnen (Jes.25:6).

De Levensboom en het levensgeboomte

In Openbaring 22 beschrijft Johannes nog een ander beeld van de zojuist geschetste situatie. Hij ziet het paradijs met de Levensboom, Jezus Christus en het levensgeboomte, beeld van de gemeente, staande aan een machtige stroom, Gods Geest. Aan weerszijden groeit het levenshout, beeld van allen, die door de gemeente tot volkomenheid zijn gekomen. Ook zij drinken van het water uit de stroom, dat wil zeggen, zij zijn vervuld met Gods Geest. De bladeren van het levensgeboomte zijn tot genezing van de volken. Iedereen die dorst heeft, kan komen en neemt gratis van het levenswater (Openb.22:17). Allen worden hersteld, gevoed en verkwikt. Als dan tenslotte de hele mensheid op de vernieuwde aarde vervuld is met Gods Geest en tot volkomen volwassenheid uitgegroeid is, is het einde gekomen van de bruiloft van het Lam.

Het herstelplan is door Jezus Christus van het begin tot het einde uitgevoerd. Nu kan God werkelijk zijn bruid, de mensheid, tot zich nemen en de zijne maken. In haar wezen is zij geheel op het niveau van haar Schepper gekomen. Dit is waar God altijd naar verlangd heeft: mensen naar zijn beeld en gelijkenis, zowel in wezen als werken. Wat zal er een blijdschap in de hemel zijn omdat – ondanks alle tegenwerking van het rijk van de satan – dit doel toch gerealiseerd is en tegelijkertijd de tegenstander volkomen is uitgeschakeld. Dan is ook het moment aangebroken dat Jezus, omdat Hij zijn opdracht helemaal vervuld heeft, het koningschap zal overdragen aan de Vader.

Jezus Christus, Gods Zoon – Waardig om de boekrol te openen

Hij, de Zoon, werd destijds waardig bevonden de boekrol te openen (Op.5). Op geweldige wijze heeft Jezus zijn taak vervuld: Hij heeft de mensen de Vader doen kennen (Joh.1:18), wie Hem zag, zag de Vader (Joh.14:9). Hij heeft als Lam van God de zonde van de wereld weggenomen (Joh.1:29), waardoor de mens als volmaakt rechtvaardige kon gaan uitgroeien tot het doel van God. Hij is een oorzaak geworden van eeuwig geluk en Hij heeft veel zonen en dochters tot heerlijkheid geleid. Het rijk van duisternis en van de dood heeft Hij met zijn gemeente volledig uitgeschakeld, de hele schepping is door Hem hersteld. Alle mensen zijn door zijn evangelie tot de geestelijke volwassenheid gekomen dankzij Jezus Christus, onze Heer.

Alles wat leeft aan de enkel goede God onderworpen

Maar ook déze Zoon van God, de eerste onder alle broers en zussen (‘in Hem heeft heel de volheid willen wonen en tot wie alle dingen geschapen zijn’ Col.1:19) erkent dat dit alles alleen door het werk van de Vader door Hem gerealiseerd is. Daarom zal Jezus bij het teruggeven van zijn opdracht, ook zichzelf onderwerpen aan Hem, die Hem alles onderworpen heeft, zodat God alles in allen zal zijn:

  • ‘Immers, alle dingen heeft Hij aan Zijn voeten onderworpen. Wanneer Hij echter zegt dat aan Hem alle dingen onderworpen zijn, is het duidelijk dat Hij Die Zelf alles aan Hem onderworpen heeft, hiervan is uitgezonderd. En wanneer alle dingen aan Hem onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf Zich onderwerpen aan Hem Die alle dingen aan Hem onderworpen heeft, zodat God alles in allen zal zijn’ (1 Cor.15:28). 

Dit is een moment in de reddingsgeschiedenis dat feitelijk niet te beschrijven valt. Woorden schieten tekort om de enorme blijdschap samen te vatten. De hemel en de aarde breken uit in gejubel en gejuich: God alles in allen, groter vreugde bestaat niet. Tegelijkertijd buigen alle mensen, Jezus Christus en de heilige engelen zich in diepe aanbidding neer voor God, de Eeuwige Vader, de onmetelijke grote God en verheerlijken Hem!

En daarna…

Wat er zal gebeuren, als het huwelijk tussen God en de mensheid voltrokken is, vertelt de Bijbel niet. Een huwelijk is het begin van een nieuw leven. Zo ook nu: in wezen begint het nu pas goed. Paulus werd eenmaal opgetrokken tot in de derde hemel en hoorde daar onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken (2 Cor.12:4). Deze derde hemel komt na de tweede, de vernieuwde hemel, die wij kennen vanuit het voorgaande. Paulus heeft dus iets gezien van datgene wat nu gaat gebeuren, maar hij kon daar niet over praten. Nóg grootser, nóg overweldigender zal die eeuwigheid zijn. In 1 Corinthiërs 13:13 staat: ‘Zo blijven dan geloof, hoop en liefde’. Deze woorden lichten een tipje van de sluier op.

Omdat de eeuwige Schepper, God de Vader, eeuwig actief blijft, zal de mensheid die met God getrouwd is, een eeuwig geloof moeten hebben. Steeds weer zal Hij nieuwe dingen uitdenken waaraan het geloof gehecht kan worden. Altijd weer zal God nieuwe verwachtingen oproepen waarop de hoop gevestigd kan worden. Er zullen altijd perspectieven blijven waar naartoe geleefd kan worden. Ook zal de liefde altijd blijven, want God is liefde. De band van de volmaaktheid zal eeuwig tussen de volmaakten blijven bestaan. De mensheid gaat als Gods levenspartner een heerlijke toekomst tegemoet!