
- ‘Op dat moment scheurde in de tempel het voorhangsel van boven tot onder in tweeën en de aarde beefde en de rotsen spleten. De graven werden geopend en de lichamen van veel gestorven heiligen werden tot leven gewekt. Na Jezus’ opstanding kwamen ze uit de graven, gingen de heilige stad binnen en maakten zich bekend aan een groot aantal mensen’ (Matth.27:51-53).
Het is opvallend dat de evangelisten bij het verhaal over het lijden, het sterven en de opstanding van Jezus, zich hoofdzakelijk bepalen tot de dingen uit de zichtbare wereld. Zij schrijven over de verrader en over de hof van Gethsémané, waar het lijden zo heftig was dat het angstzweet van de Heer als druppels bloed was. Verder vertellen zij hoe Jezus werd overgeleverd in de handen van zondaars en door hen werd uitgescholden, geslagen en verwond en aan het kruis werd gehangen. Ook wordt beschreven hoe zijn dode lichaam in een graf werd gelegd en verder is er veel informatie over de gebeurtenissen na de opstanding.
Heel soms wordt een tipje van de sluier opgelicht waarachter de ontzagwekkende dingen in de onzienlijke wereld zich op datzelfde moment afspeelden. Om hiervan iets te doorgronden, moeten de uitspraken van Jezus zelf en die van zijn apostelen uitgelicht worden. Het gevaar is namelijk dat men zich op Goede Vrijdag en met Pasen alleen bezighoudt met de uiterlijke gebeurtenissen en de mensen die daarbij betrokken waren. Ook vandaag nog in Nederland.
Na zijn opstanding bepaalde de Heer zijn leerlingen juist bij de werkelijke betekenis van zijn lijden, sterven en opstanding, zoals de profeten daarover al in beelden hadden gesproken. Hij richtte hun aandacht veertig dagen lang op alles wat het onzichtbare Koninkrijk van God betrof. Men kan zeggen dat veel mensen in de natuurlijke wereld meer hebben geleden dan Jezus. Maar in de hemelse gewesten was echter zijn Via Dolorosa (lijdensweg) uniek.
De losprijs aan satan betaald

Als voorbeeld van de ontzagwekkende dingen die in het Koninkrijk van de hemelen gebeurden, kan de beschrijving genoemd worden van de graven die geopend werden en de doden die op het tijdstip opstonden toen Gods Geest Jezus verliet. De losprijs aan satan was op dat moment betaald. Vanaf het ogenblik dat de Heer zich in Gethsémané afzonderde, had de Geest van God zich teruggetrokken en was Jezus van God verlaten. Vóór Hij de geest gaf, waren zijn laatste woorden een luide kreet tot de Vader om weer met diens hand verbonden te worden, dat is met Gods Geest. Zijn laatste gedachte hier op aarde werd vertolkt door de uitroep: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest’. Daarna ging Jezus het dodenrijk binnen.
Het einde van de satan en zijn aardse aanbidders, mensen.


In Jesaja 14 staat beschreven wat er uiteindelijk gaat gebeuren als de koning van Babel (de satan zelf) daar in de toekomst óók binnenkomt (Openb.20:14,15). De koningen van alle volken staan dan verbijsterd van hun tronen op, toen deze mensenmoordenaar vanaf het begin, ook tot hén neerdaalde. Alle aanbidders van deze grootste demon (en dat zijn er vandaag velen) verbazen zich over zijn einde. De vuurpoel voor eeuwig.
Jezus spreekt tot de gevangenen in het dodenrijk

Wat een beroering moet er in de duistere afgrond zijn geweest, toen de Vorst van het leven (opnieuw verbonden met de Geest van het leven) daar toen zijn entree maakte. Het verhaal in Mattheüs is tegelijkertijd een resonantie en uitbeelding van de taferelen in de geestenwereld. Het voorhangsel, dat opgehangen was tussen het heilige en het allerheiligste, scheurde. Dit gordijn symboliseerde dat in het oude verbond de toegang tot het hemelse heiligdom en tot de troon nog van God was afgesloten. De weg tot de Vader werd nu geopend. Voortaan zou de innerlijke mens het Koninkrijk van God kunnen binnengaan. Deze zou kunnen overgaan van de dood in het leven.
Graftuin en Golgotha als voorbeeld van de werkelijkheid
Maar er kwam ook een mogelijkheid dat zij die in de graven waren (dat wil zeggen die zich in het dodenrijk bevonden) overgeplaatst werden in het Paradijs van God. Dit alles ging niet alleen gepaard met grote beweging in de hemel, maar ook de aarde werd ontzet en resoneerde mee, terwijl de rotsen scheurden. Zowel het zichtbare als het onzichtbare werden bewogen, zoals er staat:
- ‘Nog eenmaal zal Ik niet alleen de aarde, maar ook de hemel doen beven’.
Het heeft verder geen enkele zin om te menen dat de graven rondom Jeruzalem werden geopend om de gestorvenen uit te laten. Zelfs voor Jezus was het niet nodig dat de steen van zijn graf werd weg gerold, want Hij kon zich door gesloten deuren bewegen. De hier beschreven opstanding beperkte zich niet tot de weinige rechtvaardigen van alle tijden die in de spelonken en rotsgraven in de omgeving van Jeruzalem waren begraven. Er is geen regionale opstanding.
De heilige stad – Het nieuwe Jeruzalem

Wie zijn dan die ontslapen heiligen die opgewekt werden en met wat voor lichaam stonden zij op? Het zijn de rechtvaardigen, die tijdens hun leven al uitzagen naar de dag van Christus. Zij wisten dat zij slechts vreemdelingen en gasten waren op aarde en zij verlangden naar een beter, dat is een hemels vaderland. Ook voor hen had God een woonplaats klaar gemaakt, de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem. Door de komst van Jezus in het dodenrijk werden vele heiligen opgewekt. Velen die in de graven waren, dat wil zeggen die in het dodenrijk verbleven, hoorden de stem van hun Heer en dit was voor hen het sein om op te staan en zich gereed te houden om met Jezus de heilige stad binnen te trekken.
De opstanding van Christus
Ook voor hen gold dat een natuurlijk lichaam werd gezaaid, maar dat een geestelijk lichaam werd opgewekt (1 Cor.15:52). Hun innerlijke mens, dus hun geest en ziel bekleed met de mantel van de gerechtigheid die de Heer hun nu gaf, verrees. Deze geestelijke mensen bleven nog in het dodenrijk, totdat Jezus dit verliet en zich met zijn verheerlijkt lichaam op aarde ging openbaren. Zijn vernederd, maar niet ontbonden lichaam was in het graf van Jozef van Arimathéa in een ondeelbaar ogenblik veranderd en opgenomen en verzwolgen in zijn geestelijk lichaam. Hij was daarmee het voorbeeld van allen, die eenmaal levend zullen overblijven en van wie de lichamen in een ondeelbaar ogenblik ook worden getransformeerd.
Zoals de Heer zich openbaarde, zo ook verschenen de opgestane heiligen met Hem aan veel broers en zusters op aarde. Hieruit blijkt dat men de heilige stad niet moet zien als het oude Jeruzalem. Van die plaats wordt immers gezegd dat zij de profeten doodde en allen had gestenigd, die God tot haar had gezonden:
- ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen’!
Deze stad wordt geestelijk genoemd Sodom en Egypte. Daarom is het onbegrijpelijk dat de nieuwe vertaling het voegwoord ‘waar’ heeft ingelast, want het komt in de oorspronkelijke tekst niet voor! In ‘Het Nieuwe Testament in zes vertalingen’ hebben er vijf: ‘Zij kwamen in de heilige stad en verschenen aan velen’. Hier mist men het woordje ‘waar’ ook in ‘The New Testament from 26 translations’. De opgestane heiligen ‘verschenen’ niet in de heilige stad, maar aan de menigte gelovigen op de berg in Galiléa (Matth.28:16). Zij verlieten voorgoed het dodenrijk en leven nu in het Koninkrijk van God, net als iedere opnieuw geborene, die naar de innerlijke mens is overgegaan van de dood in het leven!