Het opstandingslichaam

  • ‘Waarom zoekt u de levende bij de doden?’ (Lucas 24:5)

Het opstandingsproces in de nieuwe mens wordt door de apostel Paulus in het gedeelte van 1 Corinthiërs 15:35-49 vergeleken met de ontwikkeling van een plant uit een zaadkorrel. Een zaad is een wonderlijke schepping van God, dat uit de materie van de aarde is opgebouwd, maar dat ook tegelijkertijd levensdrager is. Onder bepaalde omstandigheden begint dit leven zich te ontwikkelen en het maakt daarbij gebruik van de stof die in de korrel is. Het gevolg hiervan is dat het zaad gaat sterven, terwijl zijn inhoud door het leven wordt omgezet in het begin van een nieuwe plant. De korrel wordt loos en de nieuwe plant, het nieuwe lichaam, verrijst. Zij vormt ook wortels om uit de aarde voedsel op te nemen en naar boven ontwikkelt zich een stengel, bladeren, een aar of een tros bloemen en tenslotte vruchten.

Het merkwaardige is dat de nieuwe plant dezelfde naam draagt als het onaanzienlijke zaadje dat in de grond gelegd werd. Uiterlijke overeenkomst tussen het zaadje en de plant is niet te zien. Het is als het ware zó dat het zaadje opgegaan is in de nieuwe plant: ‘De dood is verzwolgen in de overwinning’. Er is een nieuwe geboorte gekomen: het zaad is gestorven en de groene plant is opgestaan. Alles wat waardevol was voor het leven, werd uit de korrel weggenomen en daaruit ontstond het begin van de nieuwe plant. Wat overblijft in de aarde is verder nutteloos en onbruikbaar en keert terug tot de aarde.

Opnieuw geboren

Op deze manier vindt er in het mensenleven bij de nieuwe geboorte een ingrijpende verandering plaats. Het nieuwe leven van de geestelijke mens was wel in de natuurlijke mens verborgen, maar begint zich nu te ontwikkelen. Dit wordt van een stervensproces van de oude mens genoemd, waarvan de apostel Paulus zegt dat de uiterlijke mens vervalt, maar dat er ook sprake is van een opstandingsproces of een ‘deel hebben aan de opstanding’. Hierbij groeit de innerlijke, geestelijke mens en wordt hij van dag tot dag vernieuwd. Het begin van de nieuwe schepping ontwikkelt zich uit het leven, uit de kracht en uit de materie van de natuurlijke mens. Het oude, vergankelijke bestaan gaat op en wordt ‘verzwolgen’ door het nieuwe, geestelijke lichaam.

Het nieuwe leven doorbreekt het natuurlijke bestaan en vindt zijn verdere ontplooiing in de onzienlijke of geestelijke wereld. Daar voedt het zich met het woord van God, de uiting van Zijn liefde en daar ontvangt zijn levensgeest nieuwe stimulansen. ‘De tweede mens’ is geestelijk en verschilt volkomen met de natuurlijke, die hier op aarde leeft. Toch draagt hij dezelfde naam en is hij hetzelfde wezen. Er is continuïteit of samenhang tussen de oude, natuurlijke mens en de nieuwe, geestelijke. Zoals uit een tarwekorrel geen tulp en zelfs geen roggehalm tevoorschijn komt, zo blijft in de geestelijke mens de persoonlijkheid van de natuurlijke mens herkenbaar.

Opstandingslichaam

Dan komt de tijd dat de aardse tabernakel, waarin het levensproces zich voltrok, zijn waarde verloren heeft: hij wordt afgebroken en de nieuwe, hemelse mens blijft over. Paulus schreef in 2 Corinthiërs 5:1 hierover: ‘Want wij weten, dat als de aardse tent waarin wij wonen wordt afgebroken, wij een gebouw hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis’.

Het dodenrijk met haar gradaties

Is er bij de mens een leven zónder persoonlijke opstanding? Dan rest voor deze (al naar gelang de werken) een plaats in het dodenrijk. Wanneer er echter een nieuw leven in de mens is ontwikkeld, heeft de mens een woonplaats in de hemel. Hij is als een levende steen, ingevoegd in de geestelijke wereld en behoudt zijn plaats in het lichaam van Christus. Daar heeft hij dan zijn volledige intrek of zijn vast verblijf gevonden.

De in Christus’ ontslapene verschilt in de onzienlijke wereld essentieel van de engelen. Dezen zijn levende geesten, maar de mens blijft een levende ziel die ook een lichaam heeft, weliswaar totaal onderscheiden van het lichaam dat hij op aarde bezat, maar toch als lichaam herkenbaar. Jezus zei:

  • ‘Kijk naar mijn handen en voeten, Ik ben het zelf! Raak Me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat Ik heb’ (Lucas 24:39).

Deze verschijning was Jezus zelf, maar zijn lichaam was geestelijk, dit wil zeggen wel opgebouwd uit stoffelijke elementen, maar volledig onderworpen aan geestelijke wetten, die niet van de aarde waren. Zo kon Hij verschijnen en verdwijnen, terwijl muren noch gesloten deuren Hem konden tegenhouden. Het was voor Hem ook mogelijk telkens een andere gedaante aan te nemen.

Bij het geestelijke lichaam is ook geen sprake van man of vrouw en ook niet van leeftijd. Het is onvergankelijk en niet te beschadigen en het blijft eeuwig. Dit lichaam of dit gebouw is het, waarin de ontslapen gelovige rust en wacht, totdat de Vader het sein geeft dat het tijdstip is aangebroken om op te staan, om opnieuw te gaan functioneren op de aarde. Er staat niet: een natuurlijk of ‘ziels’ lichaam wordt opgewekt, maar een geestelijk lichaam! Een natuurlijk lichaam functioneert naar aardse wetten, maar een geestelijk lichaam naar hemelse wetten. Niet het vergankelijke lichaam dat in het graf gelegd werd, wordt opgewekt, maar het geestelijke lichaam dat bij Jezus is. Daarom hoeft men niet bang te zijn over de opstanding van hen, wier lichamen verbrand zijn en waarvan de as naar alle windstreken werd gestrooid. Voor ons zijn ze dan wel dood, maar voor God leven ze allen in hun hemelse tent! Daarom zoeken opnieuw geboren en Geestvervulde christenen hun gestorvenen niet op kerkhoven, want daar zijn ze niet. De begraafplaatsen en keldergewelven zijn niet het terrein van opstanding, maar deze machtige ontplooiing van activiteit gebeurd in de onzienlijke wereld. Vandaar wordt de nieuwe mens met Jezus Christus teruggevoerd naar de aarde.

De christen heeft twee lichamen

  • ’Bestaat er een zielenlichaam, er bestaat ook een geesteslichaam’ (Can. vert.).

In het opstandingshoofdstuk van 1 Corinthiërs 15 gebruikt Paulus enkele termen, die inzicht geven op welke manier de opnieuw geboren christen een verheerlijkt, onsterfelijk lichaam verkrijgt. In vers 44 schrijft de apostel: ‘Bestaat er een zielenlichaam, er bestaat ook een geesteslichaam.’ Het zielenlichaam (ook wel weergegeven door natuurlijk lichaam) dankt de mens aan Adam. Er staat in vers 45 (vert. Brouwer): ‘De eerste mens Adam werd een zielenwezen’. Adams zielenlichaam werd levend, doordat God zijn adem of geest erin blies. Het geest doortrokken natuurlijk lichaam werd hierdoor van hoog niveau, want het aarden vat bevatte nu ook een onsterfelijke geest die de drager van de wet van God is.

Door de zonde werd de geest echter beschadigd en zwak. Hij verkeert in het rijk van de duisternis, omdat hij in het gebied van de overste van deze wereld (de satan) leeft. Op zijn best kan hij zich daarom in de natuurlijke wereld ontplooien met zijn creatieve kennis en kracht. Door het evangelie van Christus wordt echter de geest vernieuwd, want de laatste Adam (Jezus) is een levendmakende geest. Zijn woord is vol van leven, genade, herstel en genezing. De mens die dit evangelie aanvaardt, is dan in plaats van een schuldige, een rechtvaardige op wie de duivel geen claim meer heeft. Door het geloof, dat een eigenschap van de geest is, hecht deze zich aan de gedachten van God aan die geest en leven zijn. Wanneer dit raadsplan zich als woord met de menselijke geest verbindt en deze als het ware bevrucht, wordt de geest gestimuleerd tot een ontwikkeling in een hogere dimensie.

  • ‘Opnieuw geboren en niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levende en altijd blijvende Woord’ (1 Petr.1:23).

Bij een geboorte komt een kind tevoorschijn in een nieuwe dimensie: het ziet het levenslicht, zoals men vroeger zei. Geboorte is een ontwikkelingsproces van een bestaand kind. Hetzelfde begrip vinden we in de nieuwe geboorte, want dan komt in het Koninkrijk van God het geestelijk lichaam tevoorschijn. Dit ontwikkelt zich daar verder van kind tot jongeman en tot volwassene. Wanneer een kind geboren wordt, blijft het toch in de omgeving van de moeder en is het zelfs vaak in haar armen. Zo kunnen we het geestelijke lichaam ook niet scheiden van het zielenlichaam. Wat het geestelijke lichaam betreft, geldt de uitspraak van Jezus: ‘Wat uit de geest geboren is, is geest’. Deze opstandingsmens ‘is geboren uit water – beeld van het woord – en uit geest’ (Joh.3:5,6). De ware christen heeft dus twee lichamen en zelfs ook twee geesten, die elkaar aanvullen en ondersteunen: een zielenlichaam en een geestelijk lichaam, een menselijke geest en Gods Geest. Hiervoor heeft hij ook twee soorten voedsel nodig: natuurlijk en geestelijk. Bij brood alleen kan de mens niet leven. Ook is dit niet in staat het natuurlijk lichaam blijvend leven te schenken. Het ‘Levensbrood’ houdt echter het geestelijk lichaam eeuwig in stand. Dit lichaam heeft oren om te horen wat Gods Geest zegt, ogen om in de onzienlijke wereld op te merken, voeten om op de hoge weg te wandelen en geloofshanden om de hemelse erfenis te aanvaarden.

Sterven en opstanding

Wanneer de christen sterft, wordt zijn geestelijk lichaam voor altijd van het zielenlichaam gescheiden. In het ontwikkelingsproces van het geestelijk lichaam heeft zijn ziel met haar gevoelsleven, haar liefde, haar wil en haar verlangens tijdens zijn aardse periode zich onafscheidelijk vastgehecht aan het geestelijk lichaam. Zij vormt dan een hechte eenheid met het geestelijk lichaam. Bij het sterven wordt het geestelijk lichaam onttrokken aan het ‘aarden vat’. Het natuurlijk lichaam wordt prijsgegeven en het keert terug tot de elementen van de aarde, waaruit het opgebouwd was. Het geestelijk lichaam blijft echter in het Koninkrijk van God waar het ook geboren was. Daarom gaat de christen bij het sterven niet naar de hemel, maar hij blijft waar hij was, namelijk in het Koninkrijk van God. Anders gezegd: hij neemt bij de Heer zijn intrek (2 Cor.5:8). Christenen kunnen dus de apostel nazeggen: ‘Als onze aardse tent, ons zielenlichaam, waarin wij wonen, afgebroken wordt, hebben wij al een gebouw van God, namelijk ons geestelijk lichaam.’ Wij krijgen dit niet bij ons sterven, maar bezitten dit nu al uit de kracht van onze nieuwe geboorte. Dit is ons eeuwig huis in de hemelen, waarmee wij in de onzienlijke wereld nu en later functioneren’ (2 Cor.5:1).

Het natuurlijk lichaam is sterfelijk, maar het geestelijk lichaam is onsterfelijk. Dit blijft na het sterven doorleven en bereikt dan zijn gaafheid of onberispelijkheid, als dit bij de christen nog niet tijdens zijn aardse leven is gebeurd. Bij de Heer je intrek nemen betekent dat Jezus zijn volk in het nieuwe Jeruzalem bij elkaar brengt, zoals Hij eenmaal het natuurlijk volk Israël in het aardse Jeruzalem bij elkaar wilde verzamelen. Of om een ander beeld te gebruiken: Jezus begroet ons bij het sterven in het hemelse paradijs (Luc.23:43).

  • De niet gerechtvaardigde mens gaat bij het sterven naar het dodenrijk. Daar heerst de duivel door de dood. Als heerser van deze wereld heeft hij alleen de levende mens nodig om hem als slaaf te gebruiken. Sterft de niet opnieuw geboren mens, dan is hij verder onbruikbaar voor de demonen. In de geestelijke wereld hebben ze hem echt niet nodig. Zijn innerlijke mens die geen metamorfose ondergaan heeft, wordt door de koning van de dood – Dood hemzelf – op non-actief gesteld in de Hades, een woord dat ‘ongeziene’ wereld kan betekenen.

Ook wordt Hades wel afgeleid van een werkwoord dat op ‘allen ontvangen’ wijst. Zoals de vuurpoel voor de duivel en zijn verderfengelen bestemd is (die poel creëren zijzelf en niet God) zo heeft de vijand van de mens, de duivel, het dodenrijk bereid voor hen, die vanwege hun sterven voor hem nutteloos zijn geworden. Voor zijn volk heeft Jezus echter de dood en het dodenrijk overwonnen door het opstandingsproces, waaraan zij allen deel hebben. Jezus zei tegen Martha bij de dood van Lazarus:

  • ‘Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven’ (dus ‘de dood niet zien’, Johan 11:25,26).
  • Er staat: ‘Zodat Hij door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen’ (Hebr.2:14).

Jezus heeft door zijn opstanding deze beheerser van de dood in eigen leven onttroond en voor alle heiligen, die met Hem opstonden (Matth.27:52). Hij heeft hem ook verder onttroond, omdat allen die een geestelijk lichaam bezitten ‘de dood in eeuwigheid niet zullen zien of meemaken’ (Joh.8:51,52). Jezus Christus is nu heer over het dodenrijk, dat zijn bewarende taak nog vervult tot het laatste oordeel. Dan vluchten Dood hemzelf en zijn doodsengelen voor eeuwig naar de vuurpoel. Er is dan in de hele kosmos geen plaats meer voor hen!

Vergankelijke en onvergankelijke opstanding

In Johannes 11 wordt vermeld hoe Jezus enkele weken voor zijn opstanding met het onverwachte sterven van zijn vriend Lazarus werd geconfronteerd. Jezus troostte haar met de bemoedigende woorden dat haar broer zou opstaan. Martha reageerde hierop met: ‘Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding op de jongste dag’. Zij beleed daarmee wel haar rechtzinnig geloof, maar tegelijkertijd maakte zij de woorden van Jezus los van wat al snel zou gebeuren. In deze (ook voor Jezus zo verdrietige situatie) was het of de laatste vijand tot Hem wilde zeggen:

  • ‘Je kunt wel denken dat de Vader je alle dingen al heeft overgegeven, maar jouw vriend heeft toch maar geen deel aan jouw heerlijkheid. Hij is nu in het dodenrijk en moet wachten op de jongste dag’.

Toen Martha dit zei, was zij niet bezig met de dingen van God, maar met wat de orthodoxe joden leerden. Dit was echter niet van toepassing voor haar overleden broer. Juist enkele weken voor Jezus zich een gemeente ging vormen en haar leden zou dopen in Gods Geest, werd Lazarus weggenomen. Deze vriend van Jezus zou dus niet meer bij het lichaam van de Heer kunnen horen en ook zou hij het geestelijk lichaam missen, dat onmisbaar is voor de eerste opstanding. Is het een wonder dat Jezus ‘verbolgen in de geest werd en diep ontroerd was?’ Daarom riep Jezus met luide stem: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ Kom uit dat dodenrijk, zodat ook van jou, mijn vriend, gezegd zal worden:

  • ‘Gelukkig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding!’ (Openb.20:6).

Lazarus kwam daarna naar buiten, de voeten en handen gebonden met grafdoeken en met een zweetdoek om het gelaat gebonden. Jezus vroeg aan enkele vrienden de windsels los te maken door ze voorzichtig los te scheuren of door te knippen. Ook Jezus zelf werd na zijn sterven gewikkeld in linnen windsels met specerijen, wat bij de joden gebruikelijk was bij het begraven (Joh.19:40). Door toevoeging van de balsem ontstond een soort cocon. Na de opstanding bezocht Petrus het graf en ‘toen hij zich bukte, zag hij alleen de windsels. En hij ging weg, bij zichzelf verbaasd over wat er gebeurd mocht zijn’ (Luc.24:12).

Van Johannes staat dat deze het graf binnenging en ‘hij zag en geloofde’. De windsels waren niet losgemaakt en opgerold, want het gomachtige hars liet de windsels niet meer los. Zij waren nog in dezelfde vorm, zoals zij om het lichaam waren geweest. Dit was voor de leerlingen het bewijs dat het natuurlijk lichaam van Jezus in één ogenblik was veranderd. Het was ‘verzwolgen in de overwinning’ (vers 54). De windsels waren gaaf en ongeschonden maar zonder inhoud. Wanneer de Heer terugkomt, worden de ontslapenen onvergankelijk opgewekt (vers 52).

Wordt dan het begraven of misschien verbrande lichaam opgewekt? Is er zoiets als een opstanding van het vlees? Erft het vergankelijke toch nog het onvergankelijke? Paulus schrijft in dit verband:

  • ‘Wat uit vlees en bloed bestaat kan geen deel hebben aan het koninkrijk van God’ (vers 50). In vers 44 stelt hij: ‘Gezaaid wordt een zielenlichaam, opgewekt wordt een geesteslichaam’ (vert. Brouwer).

Het is dus duidelijk wat wel en wat niet opgewekt wordt. Wanneer iemand opgewekt wordt, gaat hij na een periode van rust in de natuurlijke wereld aan het werk. Bij de opstanding heeft het geestelijk lichaam zo’n enorme kracht in zich, dat het zich kan transformeren tot vlees en beenderen net als dit bij onze Heer het geval was. Hierdoor kan hij opnieuw op aarde functioneren (Luc.24:39). Wij trekken dus deze conclusie: bij het leven in zijn vernederd lichaam heeft de christen de mogelijkheid zich met zijn geestelijk lichaam naar de hemel te ‘verplaatsen’. Na zijn opstanding heeft hij de mogelijkheid om zich met zijn geestelijk lichaam op aarde te manifesteren.

De opstanding

Wat betekent tenslotte de verandering van Jezus’ lichaam voor ons? De apostel schrijft in vers 51:

  • ‘Ik zal u een geheim onthullen: wij zullen niet allemaal eerst sterven – toch zullen wij allemaal veranderd worden.’ En ‘wanneer de gemeente haar gehele volwassenheid bereikt, zijn haar leden naar geest, ziel en lichaam, onberispelijk (1 Thess.5:23).

Dan is de kracht die Jezus uit de doden opgewekt heeft en die ook in hen is, zo groot, dat het natuurlijk lichaam in een ondeelbaar ogenblik door het geestelijk lichaam geabsorbeerd wordt:

  • ‘Want wij zijn (in wezen) burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus als verlosser (van ons lichaam) verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt’ (Fil.3:21).

Dan geldt ook voor ieder die oprecht in God gelooft en Jezus wil volgen:

  • ‘En wanneer dit vergankelijke lichaam is bekleed met het onvergankelijke, dit sterfelijke met het onsterfelijke, zal wat geschreven staat in vervulling gaan: ‘De dood is opgeslokt en overwonnen’ (vers 54).
Een heerlijk vooruitzicht voor allen die het doel nastreven om een waar geestelijk christen te zijn!