Aankomst in de heilige stad

  • ‘En na Zijn opwekking gingen zij uit de graven, kwamen in de heilige stad en zijn aan velen verschenen’ (Mattheüs 27:53).

Bij het sterven van Jezus wordt in Mattheüs 27:51-53 door de begeleidende verschijnsels de aandacht getrokken naar wat zich toen in de onzienlijke wereld afspeelde. Als het voorhangsel van de tempel in tweeën scheurt, is dit het teken dat het offer om de zonden te vergeven (het zogenaamde zoenoffer) in het allerheiligste geen enkele zin meer heeft. Het scheuren van het voorhangsel is een uitbeelding dat de mens voortaan met volle vrijmoedigheid het hemelse heiligdom kan binnengaan. De tijd is aangebroken dat het verborgene van de onzienlijke wereld geopenbaard wordt.

De graven geopend

Ook het tafereel dat daarop volgt, heeft een achtergrond in de onzichtbare wereld. In de zichtbare schepping beeft de aarde en splijten de rotsen. Door dit geweld worden grafstenen weg gewenteld en graven geopend. Ook hier weer een beeld van de geweldige dingen die zich afspeelden in de geestelijke wereld, want het offer van de Heer Jezus gaat boven de natuurlijke schepping uit en is van invloed op de toestand van de rechtvaardigen uit vervlogen tijden, die zich in het schimmenrijk bevinden.

  • Wie waren deze ‘heiligen’, waarvan staat dat zij ‘in slaap gevallen’ waren en van wie de lichamen nu opgewekt werden? Hoe moet men zich dit gebeuren voorstellen? Wat betekenen de woorden: ‘Zij gingen de heilige stad binnen en maakten zich bekend aan een groot aantal mensen?’

Abraham, een vreemdeling en gast op aarde

Denk eens aan het leven van Abraham, de vader van de gelovigen. Hij trok uit Ur van de Chaldeeën om in Kanaän een afgezonderd geloofsleven te leiden. Hij woonde met Izak en Jacob in tenten om daarmee uitdrukking te geven aan de radicale levenshouding ‘dat zij vreemdelingen en gasten waren op aarde’. Hoewel hij geen burgerschap in de hemelen bezat, ging Abrahams hart hier toch naar uit, ‘want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is’ (Hebr.11:10). Zijn geloof in deze toekomst was zo groot en zijn geestelijk oog zo verlicht, dat Jezus kon zeggen:

  • ‘Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd mijn dag te zien en hij heeft die gezien en was blij’.

Het dodenrijk, gescheiden door een onoverkomelijke kloof

Hoewel God voor Abraham een stad klaargemaakt had (in gééstelijke zin) kwam Abraham toch in het dodenrijk. Bij zijn sterven werd hij, oud en moe van de dagen op deze aarde, met zijn voorvaders verenigd. Hier eindigde zijn bestaan op aarde en verder reikte de kennis van het oude verbond niet. Jezus schonk echter inzicht in de onzienlijke wereld en zei in Lucas 16:23 dat Abraham zich in de ‘Hades’ bevond.

De rijke man en de arme Lazarus

Uit de geschiedenis van de rijke man en de arme Lazarus valt te leren dat het dodenrijk uit twee sferen bestaat, die door een onoverkomelijke kloof gescheiden worden. Deze scheiding kan vergeleken worden met die in het Koninkrijk van de hemelen, dat verdeeld wordt in het Koninkrijk van God en in het koninkrijk van Satan. Tussen deze beide koninkrijken is echter een overbrugging mogelijk, want ieder mens kan overgezet worden vanuit het rijk van de duisternis naar dat van het licht.

Het dodenrijk met haar afgrond

Het onstoffelijk of geestelijk leven van de mensheid wordt voorgesteld als een zee. In de diepte van deze zee is het dodenrijk met haar lichte en duistere kant, terwijl de peilloze troggen, de afgrond of Tartarus genoemd worden. In deze duisternis kruipen de schimmen van hen die openlijk en graag samenwerkten met Satan en zijn demonen. Grote groepen mensen die het merendeel van de bewoners van de aarde, bewust willen vernietigen (vandaag zeer actueel). De profeet noemt hen ‘de bokken van de aarde’, een beeld dat Jezus ook gebruikt wanneer Hij over het eindoordeel spreekt (Jes.14:9 en Matth.25:32). Zij vertegenwoordigen allen die géén barmhartigheid bewezen hebben. In deze ‘plaats van de pijniging’ bevindt zich ook de rijke man. 

‘De schoot van Abraham’

Boven de afgrond is de zee minder duister. In deze sfeer van het dodenrijk was ‘de schoot van Abraham’, de verblijfplaats van de gestorven rechtvaardigen uit het oude tijdperk. Deze rechtvaardigen, waarover de koning van de dood heerste, kunnen in twee groepen verdeeld worden, namelijk zij die vóór de wetgeving leefden en zij die onder de wet waren. Bij de eerste categorie werden hun zonden niet toegerekend, maar alleen hun gelóóf. De andere groep kon voor de zonden wel boeten, omdat de wet het middel van de verzoening aanwees. Deze rechtvaardigen geloofden dan ook dat hun zonden vergeven waren op grond van het gebrachte schuld- of zoenoffer. Beide soorten bezaten echter een onvolkomen gerechtigheid, omdat zij zich nog niet konden beroepen op het volmaakte offer van het lam van God. Paulus schreef in Romeinen 5:13,14 hierover:

  • ‘Want totdat de wet er kwam, was er wel zonde in de wereld. Zonde wordt echter niet toegerekend als er geen wet is. Toch heeft de dood geregeerd van Adam tot Mozes toe, ook over hen die niet gezondigd hadden met eenzelfde overtreding als Adam, die een voorbeeld is van Hem Die komen zou.’

Adam was ongehoorzaam geweest en hij wordt niet genoemd in de rij van geloofsgetuigen, maar de rechtvaardigen in het oude tijdperk hadden wél op de woorden van God vertrouwd en waren wél gehoorzaam geweest. De Hebreeënschrijver deelt mee dat al deze rechtvaardigen het hemelse vaderland zochten en God hun ook een stad toezegde. Ongetwijfeld heeft de arme Lazarus ook bij hen gehoord. Als deze sterft, wordt hij ‘door de engelen gedragen in Abrahams schoot’.

  • De vrome ‘godsdienstigen’ uit Jezus’ dagen zochten de geestelijke wereld niet (‘zijn bloed kome over ons en onze kinderen!’). Net zomin als de vele zich ‘christelijk’ noemenden in deze laatste dagen….

Jezus Christus, de eerste van het nieuwe verbond

Jezus was de laatste rechtvaardige die onder de wet geleefd heeft. Hij was ‘geboren onder de wet’ (Gal.4:4) en onderging de doodstraf onder de wet. Hij was de laatste van het oude verbond, maar óók de eerste van het nieuwe. Hij was ook de laatste rechtvaardige over wie de dood nog heerschappij had (Rom.6:9). Bij zijn sterven daalde Hij af in het dodenrijk. Daar begon ook zijn overwinning, want Hij mocht aan allen die in Abrahams schoot waren, vertellen, dat de hun toegekende gedeeltelijke gerechtigheid nu volmaakt en reëel was geworden. Met zijn bloed had Hij de vaste basis onder deze gerechtigheid gelegd. Jezus had voor hen alle schuld in de hemelse gewesten weggenomen. Ook zij waren gewassen van hun zonden in Jezus’ bloed.

Voor God mensen gekocht

De komst van Jezus in het dodenrijk is het signaal voor de heiligen uit het oude tijdperk dat de grote verandering gekomen was. Zij ontvangen nu wat hun in de beloften toegezegd was en wat zij ‘uit de verte gezien en omhelsd hadden’. Met het witte kleed van de volmaakte gerechtigheid kunnen zij het hemelse Jeruzalem binnengaan. De stad van God begint dan te functioneren. Vanaf dit ogenblik is de dood overwonnen. Niemand die rechtvaardig is, zal voortaan meer in het dodenrijk afdalen. Jezus zei:

  • ‘Werkelijk, ik verzeker u: als iemand mijn woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet zien of meemaken’.

De dood heeft als koning over alle mensen geheerst, maar hij doet dit nu niet meer. De dood voert geen heerschappij meer over Jezus en ook niet over hen die ‘in Christus zijn: ‘Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam.’ Wanneer Jezus de Hades binnengaat, worden op de aarde de graven geopend, wat in de onzienlijke wereld zeggen wil dat het dodenrijk zijn prooi moet loslaten. De situatie van de oudtestamentische heiligen was als die van een rups die in een cocon verblijft. Het diertje heeft geen deel meer aan het leven op het groene blad, maar kan zich ook nog niet als vlinder in de lucht bewegen. Zij die ‘in de schoot van Abraham’ waren, konden zich niet meer van hun aardse lichaam bedienen, maar hun geestelijk lichaam of hun innerlijke mens functioneerde ook niet in het Koninkrijk van God. 

Een geestelijk lichaam wordt opgewekt

Wat betekent dit? Kwam er nieuw vlees op het gedeeltelijke of geheel vergane stoffelijke lichaam? Of werden uit de laatste resten ervan een nieuw lichaam opgebouwd? De apostel schrijft hierover in 1 Corinthiërs 15:44 dat er een natuurlijk lichaam gezaaid en een geestelijk lichaam opgewekt wordt. Hij zegt daar: ‘Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam’. Er wordt dus een bestaand geestelijk lichaam opgewekt. Een mens op aarde heeft een natuurlijk lichaam waarin zich een geestelijk lichaam ontwikkelt. De apostel schrijft:

  • ‘Want wij weten, dat als de aardse tent waarin wij wonen (het natuurlijke lichaam) wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben (het aanwezige geestelijke lichaam)’.

Toen Jezus neerdaalde in het dodenrijk, werd het geestelijke lichaam van veel heiligen uit het oude tijdperk opgewekt. Het tijdstip was aangebroken dat de hun toegerekende gerechtigheid een wezenlijke rechtvaardigheid was geworden door de algehele wegname van hun schuld. Op deze rechtvaardigen had de dood zijn greep verloren en zij zouden hun plaats innemen, die God voor hen bereid had. Zij bleven echter nog in de ‘graven’ of in het dodenrijk, zoals iemand die wakker gemaakt wordt, nog een ogenblik op bed blijft liggen. Met de Heer brengen zij dan drie dagen lang de boodschap van de overwinning op de dood. Zij vertellen de overwinning van het evangelie aan de geesten in de gevangenis, aan hen die eenmaal ongehoorzaam geweest waren, zoals bijvoorbeeld de miljarden in de dagen van Noach. Dan laten deze heiligen na de opstanding van Jezus ook het dodenrijk achter zich:

  • ‘Zij gingen uit de graven ná zijn opstanding’, zodat Hij in alles de eerste zou zijn (Ef.4:8).

Vanaf dit ogenblik is de dood overwonnen en komen er geen gelovigen meer in de Hades. Voortaan verrijst de innerlijke mens bij zijn nieuwe geboorte, want dan staat hij met Christus op tot een nieuw leven. De nieuwe geboorte is het begin van de opstanding van de gelovige in het nieuwe verbond. Wanneer het geestelijke, opgestane lichaam van de gelovige uit het nieuwe verbond bij de terugkomst van de Heer in de zichtbare wereld gaat functioneren, is de eerste opstanding voltooid.

De bouw van het nieuwe Jeruzalem

De opgestane heiligen kwamen in de heilige stad. Aan de bouw van het nieuwe Jeruzalem, waarvan God Zelf de architect is, werd toen begonnen. Deze heiligen vormen in de onzienlijke wereld het begin van de stad, waarin God eeuwig wonen wil. Paulus schrijft in Galaten 4:26 over dit hemelse Jeruzalem dat het vrij is van iedere macht van de duisternis, ook van de dood en hij voegt eraan toe dat het onze moeder is.

Aan Jezus is door zijn Vader, de bouw van de tempel opgedragen. Is het nieuwe Jeruzalem opgebouwd uit rechtvaardigen (zijn tempel) wordt opgetrokken uit kostbare ‘levende stenen’, dat wil zeggen uit rechtvaardigen die gedoopt en vervuld zijn met Gods Geest. Zij zijn immers ‘het koninklijk priesterschap’, dat net als Jezus zelf, gezalfd is met Gods Geest.

Een rivier die levenswater geeft

Om een ander beeld te gebruiken: de rechtvaardigen vormen het paradijs, maar midden in deze hof met zijn talrijke bomen en planten, staat de Levensboom (Christus), omringd door het levensgeboomte (de gemeente). Dit geboomte is geplant aan de ‘rivier van Levenswater (beeld van Gods Geest), helder als kristal, ontspringend uit de troon van God en van het Lam’ (Op.22:1).

De moordenaar aan het kruis

Een van de vele heiligen die in het dodenrijk neergedaald was en met Jezus in het paradijs van God aankwam, is de moordenaar aan het kruis. Hij had zijn geloof in de komende Koning getoond, toen deze onder de aller moeilijkste omstandigheden was. Dit geloof werd hem tot gerechtigheid gerekend.

Tenslotte merkt de evangelist nog op: ‘En kwamen in de heilige stad, waar zij velen verschenen’. Het verbindingswoordje waar dat door de vertalers ingevoegd is, past hier niet. Er staat: ‘En zijn aan velen verschenen’. Zij verschenen niet in de heilige stad, want deze hoort bij de onzienlijke wereld, maar zij openbaarden zich op de wijze zoals de Heer met zijn geestelijk opstandingslichaam zich vertoonde. Zij waren immers in zijn gevolg. Zij zijn de geloofshelden waarover Hebreeën 11 spreekt. Terwijl de wolk van de heerlijkheid van de nieuwtestamentische gemeente zich bezig is te vormen, wordt deze omringd door ‘een grote wolk van getuigen’ die nu om haar ligt. Deze oudtestamentische gelovigen kunnen getuigen van de opstanding van Jezus Christus. Deze heiligen kregen hun plaats in het Koninkrijk van God. Jezus zei daarover:

  • ‘Wanneer u Abraham en Izak en Jacob zult zien en al de profeten in het Koninkrijk van God’. Zij allen hadden een stad gezocht en ontvingen haar.

Jezus Christus in een aards Jeruzalem volgens de tijdperkenknippers en de aardse Jodenaanbidders?

Wanneer hier gesproken wordt van de heilige stad, kan deze niet het aardse Jeruzalem bedoelen. Die plaats had na de verwerping van haar Koning haar status als middelpunt van de eredienst van God verloren. Zelfs het voorhangsel van de tempel was door onzienlijke handen gescheurd. Op allerlei manieren had Jezus geprobeerd deze stad te redden. Hij had haar inwoners bij elkaar willen brengen zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels, maar zij wilden niet. Stad en tempel waren prijsgegeven en bestemd tot verwoesting. De heilige stad was voortaan het hemelse of nieuwe Jeruzalem in de geestelijke wereld. Als er sprake is van een nieuw Jeruzalem, is daarmee het eerste voor verouderd verklaard. Jeruzalem werd dan ook 40 jaar later door de Romeinen ingenomen en verwoest.

Aan wie zouden deze heiligen trouwens in Jeruzalem hebben moeten verschijnen? De Heer Zelf vertoonde Zich de meeste malen buiten deze stad. Aan wie is deze wolk van getuigen verschenen? Onze gedachten gaan uit naar de uitnodiging van Jezus aan zijn broeders om hen te ontmoeten op een massale bijeenkomst op een berg in Galiléa, waarschijnlijk dezelfde waarop Hij zat om zijn eerste Bergrede uit te spreken (Matth.28:10,16). Wellicht doelt Paulus op deze bijeenkomst, wanneer hij schrijft:

  • ‘Daarna is hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk, van wie er enkelen gestorven zijn, maar de meesten nu nog leven’ (1 Cor.15:6).

Voor deze opgestane heiligen is dit de beste gelegenheid om zich te manifesteren en om te getuigen van de overwinning op de dood met dit grootse moment, toen de opgestane Meester aan veel broers en zusters verscheen.

‘De heilige stad, het nieuwe Jeruzalem dat neerdaalt uit de hemel’

Nu zijn deze heiligen in het Jeruzalem dat boven is, of liever: zij vormen deze stad. Het is ‘de stad van de levende God’, waar geen doden bij horen. Allen die gedoopt zijn met Gods Geest en wier wandel in de hemel is, vormen echter de tempel van God in deze hemelstad. Als de tempel voltooid is, komt Jezus terug en verschijnt dan met hen in de zichtbare wereld. Alleen de gelovigen van het nieuwe verbond kunnen aan deze eerste opstanding deel hebben. De stad waar de heiligen van het oude verbond bij horen, is pas voltooid, wanneer in de laatste dagen ‘de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdaalt uit de hemel’ (Op.21:2). Wanneer haar inwoners dan op de nieuwe aarde functioneren, zullen zij door middel van de boodschap van het evangelie ook Gods Geest ontvangen en volmaakt worden. Voor hen geldt:

  • ‘omdat God voor ons iets beters had voorzien en hij hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken’ (Hebr.11:40).

Zij zijn dus gelijk aan onbeschadigde, gave, maar nog onvolwassen kinderen, die dan naar de mannelijke volwassenheid groeien. Daarom kan er gezegd worden:

  • ‘En de bladeren (geestelijke gaven) van de levensbomen (de gemeente van Jezus Christus) zijn tot genezing van de volken’ (Op 22:1).

Bij de heilige stad horen dus allen die als oudtestamentische rechtvaardigen gestorven zijn, ook al leefden zij wellicht in de tijd van het nieuwe verbond.

In de kerken wordt wel gezongen over het nieuwe Jeruzalem, maar men denkt daarbij nooit aan een tempel. Daarom zoeken zij daar ook geen doop met Gods Geest en voeren ook geen bewuste strijd in de hemelse gewesten. Ook voordat het evangelie van het koninkrijk van de hemelen werd herontdekt, werd hier nooit bij stil gestaan. De gelovigen wisten zich echter wel gerechtvaardigd door het bloed van het lam van God en hebben daarom als gerechtvaardigden door het geloof de dood niet gezien of geproefd. Zij maken nu deel uit van de stad van God.

Opnieuw geboren en Geestvervulde christenen verlangen echter naar het deel hebben aan de tempel van God in de geest, waarvan Jezus Christus de bouwmeester is. Wanneer het nieuwe Jeruzalem geheel met Gods Geest vervuld is, zal God zijn doel bereikt hebben en zal Hij ‘alles in allen’ zijn.