
- ‘Zo is dan het geloof uit het horen en het horen door het woord van Christus’ (Rom.10:17)
Oef, gelukkig, die ellende is tenminste weer voorbij. Terwijl Jan-Jaap, de oudste zoon van Ineke ter Velde, boos de trap op rent naar zijn kamer, ploft ze even op de bank. Het grijpt haar altijd hevig aan die taferelen met haar oudste zoon. En waarom toch helemaal? Jan-Jaap is uit school gekomen en zij heeft hem vriendelijk gevraagd zijn jas niet zomaar neer te gooien, maar netjes aan de kapstok te hangen. Razend is hij geworden.
Aan stampvoeten en schreeuwen geen gebrek. ‘Altijd moet hij nare dingen doen, nooit laat ze hem eens met rust, enz., enz.’ Vijf jaar is Jan-Jaap nu en vreselijk onhandelbaar. Wat moet het toch worden in de toekomst met dit kind? Vanavond eerst maar weer eens met Wim over praten. Zo kan het toch niet langer. Van de juf krijgt ze ook steeds klachten.
- ‘Heer Jezus, helpt u mij toch dit kind in de juiste banen te leiden’, bidt Ineke, waarna ze opstaat om naar de keuken te gaan.
Pas maanden later komen Ineke en Wim ter Velde er achter wat er nu werkelijk met hun oudste aan de hand is. Natuurlijk, ze horen al jaren bij een gemeente waar ze het eeuwig evangelie brengen, ze kennen de strijd in de hemelse gewesten. Dat hier duistere machten achter zitten die hun kind belagen, hebben ze ook wel door. Maar een echte overwinning zien ze niet en ach ja, op den duur is er ook een zekere gewenning aan het ongedurige en vreemde gedrag van Jan-Jaap.
Totdat ze op die zondagmorgen een preek horen over handoplegging. De voorganger legt uit wat er nu precies gebeurt in de geestelijke wereld bij handoplegging; ineens, in een flits, ziet Ineke het weer gebeuren. Toen ze destijds Jan-Jaap verwachtte, hadden Wim en zij eens gelogeerd bij een familie, die toen al fel tegen het eeuwig evangelie waren, waar zij nu bij horen. Maar zij beiden hadden in die tijd nog niet zo veel geestelijk inzicht en toen aan het einde van dat weekend de gastheer de kamer inkwam waar Ineke bezig was hun spulletjes bij elkaar te zoeken en vertelde, dat de Heer hem geopenbaard had haar de handen op te leggen, vond zij dit wel vreemd, maar wilde ook niet onbeleefd zijn. Heel speciaal werd toen gebeden voor het kindje wat zij bij zich droeg.
Haarscherp herinnert Ineke zich nu weer het nare klimaat wat toen over haar kwam. ‘t Ging ook allemaal zo raar geheimzinnig. Wim was er niet bij en ook hun gastvrouw wist nergens van. Ze had Wim het toen ook maar niet verteld. ‘t Waren uiteindelijk zijn vrienden waar ze logeerden en ze wilde dit hele voorval maar liefst zo gauw mogelijk vergeten. Nu, deze zondagmorgen, begrijpt ze echter, dat zij dit wel kan vergeten, maar dat de machten van de duisternis bepaald niet aan geheugenverlies lijden.
Van begin af aan meenden deze demonen een claim op de kleine Jan-Jaap te hebben. Ze begrijpt nu ook waarom alles zo vreemd gegaan is vanaf de geboorte van Jan-Jaap. Maandenlang hebben ze dag en nacht met hem getobd. Nauwelijks een paar maanden oud lag hij al in het ziekenhuis vanwege groeistoornissen, waarvan men de oorzaak niet kon vinden. En vanaf het moment dat hij kon lopen (en dat kon hij heel vlot), speelde hij nooit, maar was er werkelijk niets veilig voor zijn vernielzucht. Handenvol werk bezorgde hij zijn moeder.
Aanvankelijk zag Ineke hier niets abnormaals in, maar toen later Annemieke en Peter geboren werden en die opgroeiden, realiseerde zij zich dat het gedrag als peuter van Jan-Jaap beslist niet normaal genoemd kon worden. Ze heeft die zondag veel om over na te denken en ‘s avonds, als de kinderen naar bed zijn, vertelt Ineke aan haar man alles wat tijdens de samenkomt weer in haar geheugen kwam.
Die neemt geen halve maatregelen. Als Ineke uitverteld is, zegt Wim: ‘We gaan direct met hem bidden en in de Naam van die Jezus, die wij kennen, hem de handen opleggen’. En ook deze handoplegging heeft resultaat. Een volkomen ander resultaat echter dan bij die vroegere handoplegging. Jan-Jaap verandert zichtbaar.
Vrij snel voltrekt zich een complete verandering in dit kind. Nu komen er gunstige berichten van zijn school. ‘Hij is omgedraaid als een blad aan een boom’, zegt zijn juf. ‘De Heer is goed!’, zeggen Ineke en Wim tegen elkaar.
Dit alles gebeurde ruim een half jaar geleden. Tot op deze dag is Jan-Jaap een fijn kind, waaraan zijn ouders veel plezier beleven. Natuurlijk, het is een echte jongen, levendig en vol streken, maar zijn ouders weten dat de gemene demonen, die dit kind eerst opjutten tot allerlei extreme dingen, hem hebben moeten verlaten en Ineke en Wim vertrouwen dan ook dat Hij, die dit goede werk in dit kind begonnen is, hun ook Zijn leiding en wijsheid zal geven bij de verdere opvoeding van Jan-Jaap en hun andere kinderen.