3. Handoplegging als ondersteuning bij het ontvangen van Gods Geest

<<<<<

Jezus is de doper met Gods Geest en kinderen van God ontvingen in de begintijd (en ontvangen ook nu nog) deze Geest rechtstreeks door Hem. Handelingen 8:17 en 19:6 beschrijven echter ook dat de apostelen de handen oplegden voor deze doop. Zij gaven daarmee een voorbeeld aan allen die het evangelie van Jezus christus willen volgen. Deze handeling houdt beslist niet in dat een voorganger of oudste iemand met Gods Geest doopt. Zij kunnen alleen een gelovige in de zichtbare wereld IN water dopen!

Bij de doop met Gods Geest is de oplegging van handen een ondersteuning om een broer of zus over een geestelijke barricade te helpen. Het is moeilijk voor het natuurlijk verstand, dat altijd bezig is geweest met de zichtbare dingen om de geestelijke werkelijkheid te verstaan en om te begrijpen wat er gebeuren gaat. Ook de demonen proberen deze doop te verhinderen en het kind van God een ongegronde angst aan te praten voor alles wat uit het Koninkrijk van God tot hem komt. Hij wordt gespannen en is niet meer in staat in het geloof te aanvaarden wat Jezus geven wil. Iemand die bang is of grote onrust heeft, zal niet gedoopt worden in Gods Geest:

  • ‘Het is immers zo, dat iemand die twijfelt en heen en weer geschud wordt, niet moet denken dat hij iets van God ontvangen zal’ (Jac.1:6-8).

Sommigen menen dat men bij het ontvangen van Gods Geest eerst ‘het verstand moet inleveren…’, maar dit is juist een zeer bruikbaar instrument in dienst van God! Het is eerder juist zo dat domheid en gebrek aan gezond verstand een remming vormen in de ontplooiing van het geestelijke leven. Er staat zelfs dat God zijn wetten in het verstand zal schrijven (Hebr.8:10). Wanneer ons verstand ‘geopend’ wordt of ‘verlicht’, kan het zowel de dingen van de zienlijke als van de onzienlijke wereld verstaan. Jezus zei:

  • ‘Als Ik u van het aardse gesproken heb zonder dat u gelooft, hoe zult u geloven wanneer Ik u van het hemelse spreek’ (Joh.3:12)?

Bij het opleggen van handen voor de doop met Gods Geest claimt men dus een gelovige voor het Koninkrijk van God. Wanneer bij deze de remmingen zijn weggenomen, zal Gods Geest door Jezus Christus die in de helpende broer of zus woont, binnenkomen en de wachtende dopeling vervullen. Gods Geest kan wel van de ene persoon naar de andere overgaan, maar alleen in overeenstemming met het woord van Jezus, dus naar de wil van Gods Geest. De Heer zei:

  • ‘Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. En dit zei Hij over de Geest, Die zij die in Hem geloven, ontvangen zouden; want Gods Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was’ (Joh.7:38,39).

Een toerusting bij het ontvangen van een geestelijke opdracht

Bij de oplegging van handen wordt een zegen overgedragen. In de onzienlijke wereld worden duistere machten geweerd of verdreven en aan de betrokken persoon wordt de kracht van God meegedeeld. Zegen staat tegenover de vloek. Bij een vervloeking probeert men iemand in aanraking te brengen met satans demonen en aan hun macht over te leveren. Bij een zegen wordt iemand in aanraking gebracht met de kracht van God Geest en begint deze Geest in zijn leven te werken. Omdat dit alles zich in de geestelijke wereld afspeelt, is het duidelijk dat in het bijzonder personen de handen worden opgelegd, die tot een geestelijk ambt geroepen zijn en die daarvoor een bijzonder geestelijke toerusting nodig hebben. Zij hebben speciale gaven nodig om de door God hun gegeven taak naar behoren te kunnen vervullen. Al in het begin van de eerste gemeente worden door de apostelen de handen gelegd op zeven broers, die aangewezen waren om onder andere de armen in de gemeente te verzorgen (Hand.6:6).

Men kan het waarderen als men ambtsdragers met natuurlijke gaven in de gemeente heeft, maar men zal in de eerste plaats moeten uitzien naar mannen ‘die goed bekend staan, vol van Geest en wijsheid’. Barnabas en Paulus ontvingen door middel van enige vooraanstaande broers in de gemeente te Antiochië de benodigde zegen voor hun zendingswerk (Hand.13:3). Ook Timotheüs die het werk van een evangelist en leraar deed, waren de handen opgelegd door de gezamenlijke oudsten en ook nog door Paulus zelf (1 Tim.4:14 en 2 Tim.1:6). De apostel adviseerde deze jonge broer het charisma of de genadegaven die hij onder handoplegging ontvangen had, verder te ontwikkelen. Hij gebruikte hier het beeld van een vuurtje, dat (bij de doop met Gods Geest) aangestoken was en nu aangeblazen moest worden. In de gemeente zullen daarom oudsten, voorgangers, evangelisten en zendelingen ook op deze manier een bijzondere kracht meegegeven worden. Zo brengt men de genade en wijsheid van de Geest, die in de gemeente aanwezig is, binnen de bediening van het ambt.

Handoplegging en gebed gaan samen. In beide gevallen is het nodig zich te verplaatsen in de hemelse gewesten. Het vasten kan hierbij als voorbereiding dienen, want men maakt zich zo los van het natuurlijke leven om meer geconcentreerd geestelijk bezig te kunnen zijn. Vasten bestaat dus uit het wegnemen van de belemmeringen die een mens kunnen verhinderen zich volkomen in de onzienlijke wereld te verplaatsen.

Hoewel de Bijbel er zich niet over uitlaat, is het vanzelfsprekend dat bij bijzondere gelegenheden ook de handen worden opgelegd. Zo zullen bruid en bruidegom een zegen nodig hebben bij het vormen van hun gezin. Waar twee mensen zo nauw met elkaar verbonden worden en ook geestelijk samen moeten leven, is het goed beiden te claimen voor het Koninkrijk van God, dat resulteert in vrede, gerechtigheid en blijdschap. Waarom zou men ook niet gemeenteleden, die voor een moeilijke taak staan, een ernstig probleem hebben of verregaande beslissingen moeten nemen, ook onder oplegging van handen zegenen met kracht uit de hoogte? Het opleggen van handen is geen lege ceremonie of nietszeggende vorm, maar het is een middel om langs de geloofsweg, concreet geluk en goedheid te geven aan mensen van goede wil. Ook onder oplegging van handen wordt de gelovige ‘een goede beheerder van Gods veelsoortige genade’ (1 Peter 4:10).

>>>>>