2. Verlossing en bevrijding door oplegging van handen

<<<<<

Veel mensen moeten erkennen dat zij vaak tot verkeerde daden aangezet worden, hoewel zij er een hartgrondige afkeer van hebben. Hun geest is niet opgewassen tegen de verleiding en de druk van satans demonen. In hun leven zijn bepaalde sectoren waar zij steeds de nederlaag lijden in hun strijd tegen de zonde. Toen zij zich bekeerden en Jezus aannamen, was er eerst een grote blijdschap. Het leek wel of hun leven beter werd, maar op een onverwacht ogenblik merkten zij echter, dat toch de zondige verlangens opnieuw en sterker dan ooit, in hen werkten. Hun leven werd overschaduwd; een deel bleef bezet gebied waar de demonen macht uitoefenden. Om dit in beeldspraak uit te drukken: zij zijn gebonden. Ondanks alle inspanningen om het goede te doen, weten ze dat ze op een bepaald terrein van hun leven niet vrij zijn om te doen wat zij willen. Jezus bracht echter een evangelie dat voor gevangenen loslating betekende en dat vrijheid beloofde aan gebondenen (Luc.4:19). De boodschap van het Koninkrijk van de hemelen houdt in, dat de mens van God mag en kan dienen zonder vrees en dat hij verlost wordt uit de handen van al zijn vijanden (Luc.1:71-75).

De maanzieke jongen

De vader van de maanzieke jongen uit Mattheüs 17 vertelde, dat een geest zijn kind af en toe overmeesterde. Dan schreeuwde hij het uit. Soms greep de boze geest de jongen en wierp hem in het vuur en soms in het water. Bij gebonden mensen ziet men soortgelijke verschijnsels. Op de meest onverwachte ogenblikken valt de satan op hen en dan worden zij humeurig, driftig, beginnen te vloeken, zijn volkomen redeloos, of komen in een schemertoestand waarin zij gruwelijke en onreine dingen doen. Zij moeten drinken, snoepen, roken, stelen, liegen of andere mensen kwellen. Dan laat de geest hen los en worden ze weer de natuurlijke en vriendelijke mens van vroeger. In zo’n situatie leefde de apostel Paulus voor hij de bevrijdende macht van Jezus had leren kennen. Hij moest ondanks zijn vrome inspanningen belijden:

  • Als ik nu dat doe wat ik niet wil, breng ík dat niet meer teweeg, maar de zonde die in mij woont. Ik ontdek dus deze wet in mij: als ik het goede wil doen, is het kwade dicht bij mij. Want naar de innerlijke mens verheug ik mij in de wet van God. Maar in mijn leden zie ik een andere wet, die tegen de wet van mijn verstand strijd voert en mij tot gevangene maakt van de wet van de zonde, die in mijn leden is. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood? Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heer’ (Rom.7:20-25).

Bevrijding en verlossing

Hoe komt nu in deze tijd verlossing en bevrijding tot stand? Jezus gaf het voorbeeld en zei:

  • ‘Als Ik door de Geest van God de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen’ (Matth.12:28).

Jezus genas de zieken door zijn woord en door datzelfde bevrijdende woord maakte Hij gebondenen vrij, ook door handoplegging. In Lucas 4:40 staat dat men de zieken tot Hem bracht, die Hij ieder afzonderlijk de handen oplegde en genas. Er wordt bij vermeld dat bij velen ook de demonen uitvoeren. De apostelen en evangelisten handelden op dezelfde manier. In Handelingen 5:12 wordt gezegd dat door de handen van de apostelen veel wonderen en tekens onder het volk gebeurden en in vers 16 staat, dat men zieken en door onreine geesten gekwelde mensen meebracht en dat zij allen genazen.

In het bestrijden van ziekte- en zondemachten is geen verschil. Een ziektemacht tast vaak het lichaam aan; een zondemacht ontwricht en beschadigt het zielenleven. In beide gevallen moet eerst de wetteloze geest verdreven worden, waarna herstel kan intreden, dat is vernieuwing door de kracht van Gods Geest. Wanneer een gebondene, dus een mens die telkens weer in een of andere zonde valt, deze komt belijden en er vanaf wil om zijn leven in dienst van de Heer te stellen, mag de broer of zus tot wie zo’n persoon komt, de boze macht uitdrijven in de naam van Jezus, hem of haar schuld vergeven en rechtvaardig verklaren. Vaak zal de gelovige de handen daarbij op het hoofd van de betrokken persoon leggen om deze te claimen voor de gerechtigheid, de vrede en de blijdschap van het Koninkrijk van God (Rom.14:17), terwijl hij zich in de geestelijke wereld keert tegen de demonische bezettende machten.

Een bezetene, genezen 

Wat nu te doen met bezeten mensen of geesteszieken die helemaal overweldigd zijn? Zulke personen kunnen vaak niet de wil opbrengen om te herstellen en hebben ook niet het geloof in de kracht van God. Van hen kan men geen concrete belijdenis van zonden verwachten. Als zij zich al zouden kunnen bekeren, dan moet men hen allereerst in de naam van Jezus verlossen van de overweldigers die hun geest onderdrukken, hun verstand verduisteren, hun gevoelsleven verzieken en hun vrije wil blokkeren.

Van Jezus wordt vermeld, dat Hij rondging, weldoende en genezende allen die door de duivel overweldigd waren (Hand.10:38). Hij werd ‘geopenbaard, zodat Hij de werken van de duivel verbreken zou’ (1 Joh.3:8). Door de oplegging van handen claimt men zulke onderdrukte of gevangen mensen tot bevrijding. Men staat voor hen op de bres en in de kracht van God treedt men op als bemiddelaar om hen van de vijanden te verlossen, zodat zij gelegenheid krijgen zich tot God te keren en Jezus aan te nemen.

Dwalingen – De grote troef van satan

Ook zijn er mensen die wel honger en dorst hebben naar de gerechtigheid, maar hun geest wordt zo verleugend door dwaalgeesten met hun valse leringen, dat eerst deze machten verdreven moeten worden en hun leugenachtige beïnvloeding verbroken, voordat het mogelijk is dat hun slachtoffers de waarheid van God aanvaarden.

  • Zij die niét naar gerechtigheid verlangen, zijn zich niet van hun geestelijke armoede bewust en hun verlangen zal ook niet uitgaan naar het evangelie van verlossing en bevrijding. Over zulke mensen zei Jezus:

‘Maar nu zegt u: Wij zien! Daarom blijft uw zonde’ (Joh.9:41).

>>>>>