1. Wie mag de handen opleggen?

Marcus 16:17 zegt dat de gelovigen o.a. zieken de handen zullen opleggen. Met ‘gelovigen’ worden diegenen bedoeld, die zelf de rijkdom van genade door geloof hebben gekregen. Zij zijn dus kinderen van God die gedoopt zijn IN water, die zelf verlost zijn van de machten van de duisternis en die gedoopt zijn met Gods Geest.

Wanneer iemand niet vrij is van satans demonen, moet hij geen handen opleggen, want ook dan gaan er geestelijke wetten werken en zullen onreine geesten langs deze weg ook bij anderen proberen binnen te dringen en te beïnvloeden. Let daarom dus op het grote gevaar, wanneer men zich door occultisten (mensen, hulpjes van satan) de handen laat opleggen. In de praktijk zal het betekenen dat de voorganger of een oudste van de gemeente de handen zal opleggen op degene die daarom vraagt. Hij doet dit niet, omdat de eigen menselijke geest met bijzondere krachten gezegend zou zijn, maar vanwege de kracht van Gods Geest waarin hij gedoopt werd en die in hem woont. Van zichzelf bezit hij geen enkele paranormale gave. Zou hij deze toch hebben, dan zal hij eerst zelf bevrijd willen worden van iedere occulte kracht. Een christen accepteert alleen de gaven van Gods Geest. Het is dus een gevaarlijke zaak, zich door onbekende personen de handen te laten opleggen!

Waarschuwing tegen zonden van anderen

In 1 Timotheüs 5:22 staat een waarschuwing, dat men ook zelf niet iemand te snel de handen zal opleggen, omdat men op deze manier ook deel zal krijgen aan de zonden van anderen. Deze vermaning eindigt met de oproep: ‘Hou u rein!’ Men moet zich dus eerst op de hoogte stellen van de motivatie van de desbetreffende persoon. Is zijn geloof en verlangen gericht op de Heer? Wat heeft het voor zin, als iemand na een ontvangen zegen toch zijn oude leven weer gaat voortzetten? Men verontreinigt zich, omdat men bij oplegging van handen in zo’n geval zich identificeert met een zondaar, die zijn kwaad niet beleden heeft, noch van plan is dit na te laten. Wie in het Koninkrijk van de hemelen wil functioneren en daar op wettige wijze wil strijden tegen satans demonen, kan zich niet permitteren met de zonde gemeenschap te hebben. Hij zal zichzelf rein moeten bewaren, ook vanwege hen die hij helpen wil. Ook hier is sprake van ‘opheffing van heilige handen’ (1 Tim.2:8).

Genezing door oplegging van handen

Wanneer men de zonde efficiënt wil bestrijden, zal men moeten weten waar zij haar oorsprong vindt en hoe zij werkt. Ook geldt dit voor de ziektemachten. Van de zonde wordt meestal gedacht dat zij haar oorsprong in de mens heeft, terwijl de Bijbel duidelijk leert, dat zondigen een voldoen is aan de verlangens van boze geesten (vergelijk Genesis 4:7, waar de demonen in mensen gingen wonen ). De duivel gaat rond als een brullende leeuw, zoekend wie hij kan verslinden. Van de ziekte kan men moeilijk zeggen dat zij uit de mens komt, want niemand wil ziek zijn.

Satanische leringen in de kerken

Kerkgangers leren echter dat ziekte van God zou zijn via hun verschrikkelijke Zondag 10 H.C. Een zieke gedachte. Men schrijft daarmee de oorsprong van ziekten aan Gods ‘vaderhand’ toe. Dit is pure Godslastering. De Bijbel leert echter:

  • ‘Elke goede gave en elk volmaakt geschenk is van boven en daalt neer van de Vader van de lichten, bij Wie er geen verandering is, of schaduw van omkeer’ (Jac.1:17).

Gods wil is ‘alles wat goed, aangenaam en volkomen is’ (Rom.12:2). Men laat dus bij het zoeken naar de oorsprong van het kwaad in zonde en ziekte, de eigenlijke verwekker, de duivel, buiten beschouwing. Het axioma: ‘God is enkel goed en de duivel is enkel slecht’, is één van de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen (verg. de farizeeërs van toen én vandaag, Matth.23:1-33).

Zonder geest is het lichaam dood

Het menselijke leven ontwikkelt zich en wordt in stand gehouden door de geest. Deze heeft leven, kennis, wijsheid en kracht. Hij doet het levensproces naar vaste wetten verlopen. Zonder geest is het lichaam dood (Jac.2:26). De (levens) geest bezit ook de gave van herstel en genezing. Dit verloopt ook volgens vaste wetten. Op deze manier kan bijvoorbeeld een nagel weer aangroeien en een wond zich herstellen. Ziektemachten vallen echter de geest van de mens aan en verhinderen deze zijn functie goed te doen, waardoor het lichaam ziek of beschadigd wordt. Zij gaan zelfs zover dat zij de geest soms dwingen wetteloos te functioneren en bijvoorbeeld gezwellen voort te brengen die niet in het lichaam thuishoren. Wanneer het lichaam van buitenaf beschadigd of geïnfecteerd wordt, zal de geest ook het hele afweermechanisme in werking stellen. De ziektemachten zullen ook dán proberen hun verstorend werk te doen en de genezing te stagneren.

Geloofsgenezing

Natuurlijk is het mogelijk om van buitenaf het ziekteproces te stuiten en de genezing te ondersteunen. Maar de genezing werkt efficiënt door de wetteloosheid in het lichaam bij de oorsprong aan te grijpen en dus met de geest te bestrijden. Deze weg tot genezing berust geheel op geloof en gaat gepaard met gebed, dit wil zeggen met een bezig zijn van de mens in de hemelse gewesten. Wanneer iemand die vervuld is met Gods Geest een zieke de handen oplegt, claimt hij hem daarmee voor het Koninkrijk van God, dus ook voor gezondheid naar geest, ziel en lichaam. Dan zal de kracht van Gods Geest en de naam van Jezus die over de zieke uitgesproken wordt, de geest van de zieke ondersteunen, de demonen uitdrijven en de genezing of het herstel mogelijk maken en bespoedigen.

Blijdschap, vrede en gerechtigheid

De Bijbel zegt in Romeinen 8:11, dat de Geest die Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook ons sterfelijk lichaam levend zal maken. Dit wil zeggen goed zal laten functioneren, zodat de blijdschap, de vrede en de gerechtigheid in het menselijke leven terugkeren. Oplegging van de handen heeft dus als doel, in de naam van Jezus, de geest van de mens krachtig bij te staan.

Maar is het nodig om broers of zussen in de gemeente de handen op te leggen, die zelf ook Gods Geest ontvangen hebben? Het antwoord is dat zulke gelovigen door de kracht van de inwonende Geest de ziektegeesten zelf kunnen weerstaan en terugdrijven en dat dan de kracht van God waarop zij vertrouwen, hen ook genezen zal. Waar echter de Geest met zijn gaven nog onvoldoende ontwikkeld is en het geloofsvertrouwen nog zwak, de kennis en het inzicht nog te gering zijn, zal de hulp van broers en zussen, in het bijzonder die van de oudsten van de gemeente, noodzakelijk worden.

Oplegging van handen tot genezing hoorde ook bij de methode van Jezus. Vaak genazen de zieken en weken de kwalen voor zijn woord en soms legde Hij de handen op. Zo kon Hij in Nazareth geen enkele kracht doen, maar Hij genas daar alleen enige zieken door handoplegging (Marc.6:5,6). Wanneer Jezus dit deed, stroomde kracht van Gods Geest door Hem heen naar de zieke. Hij gebood aan zijn volgelingen hetzelfde te doen en dan zouden de zieken ook genezen.

Ook de geloofsgenezing is een gave die in de gemeente moet functioneren. Daar gebeurt de oplegging van handen door bekende en betrouwbare medewerkers van God. Ook kan handoplegging in het christelijke gezin gebeuren, juist door de ouders ten opzichte van de kinderen. De kleinen missen immers de kracht van Gods Geest en hun eigen geest is nog onvoldoende ontwikkeld. Waar de ouders zelf nog steun nodig hebben, zullen zij de hulp van de broers en zussen van de gemeente inroepen, in het bijzonder die van de oudsten, omdat dezen geacht worden vooraan te staan in geloof en kennis.

>>>>>