
Wanneer, waarom en in welke gevallen zal men jonge kinderen de handen opleggen? Het antwoord op deze vragen zal ongetwijfeld aanleiding geven tot ergernis in kerken en gerelateerde groeperingen. Toch zal men zich op dit soort onderwerpen moeten bezinnen en niet domweg bepaalde (verzonnen) gewoonten vasthouden, maar zich realiseren wat men eigenlijk doet. Niet in alle gevallen geldt eenzelfde regel. Daarom is het goed om meerdere zaken te belichten. In dit artikel wordt alleen gekeken naar ‘onze’ kinderen, namelijk zij die in de beschermende omgeving van de Gemeente van Jezus Christus opgroeien.
Het opdragen van kinderen

De ouders van deze kinderen zijn gewend de baby’s in het midden van de gemeente op te laten dragen. Dit wordt niet bedoeld als een verkapte babybesprenkeling, maar het opdragen is een bewuste keus, waarbij de ouders hun kind in het midden van de gemeente ‘voorstellen’ om het te claimen voor het Koninkrijk van God. Daarbij wordt uitgegaan van de woorden van Jezus:
- ‘Laat de kinderen bij mij komen, hou ze niet tegen, want het koninkrijk van God is voor hen zoals zij’ (Marcus 10:14).
Zoals de ouders hun kinderen in de natuurlijke wereld een goede en gezonde opvoeding en verzorging willen geven, zodat zij ongehinderd opgroeien tot volwassen mensen, zo willen ze ook in de geestelijke wereld voor hun kinderen op de bres staan, zodat zij geheiligd zijn, dat wil zeggen gaaf opgroeien. Op deze manier kunnen de blijdschap, vrede en gerechtigheid van het Koninkrijk van God in de kinderen bewaard blijven, zodat ze ook naar de innerlijke mens ongehinderd ontwikkelen kunnen.
Jezus als voorbeeld

Voor deze zeer moeilijke taak vragen de ouders de zegen van de Heer en het meeleven en het meestrijden van de gemeente. De kinderen zijn als een kleine steen, die klaar gelegd worden om te zijner tijd ingevoegd te worden in de tempel van God. Tijdens het opdragen wordt door de voorganger het kind de handen opgelegd. Handoplegging beeldt uit dat men ergens beslag (de handen) op legt en als medewerker van de Heer er een zegen aan verbindt. Hierbij wordt herhaald met de kinderen wat Jezus eenmaal deed: ‘Hij omarmde ze en hun de handen opleggende, zegende Hij ze’ (Marcus 10:16). Hiermee wordt dus Jezus als voorbeeld gevolgd.
Als demonen aanvallen
Het doel van de opvoeding is dat het kind zelfstandig wordt. Daarom moet het zich vrij kunnen ontwikkelen en niet afgeremd worden. De satan wil op de rem trappen bij de ontwikkeling van elk kind. Daarom moet ‘de rem’ verwijderd worden. Dit is allereerst de taak van de ouders, zodat de belemmering wordt weggenomen. Zij doen wat een tuinman doet: onkruid wieden, ongedierte verdelgen en zorgen voor zon, licht, water en voedingsstoffen. Het kind van gelovige ouders is immers niet onrein (1 Cor.7:14) en niet van nature verdoemd maar heilig: Het wordt afgezonderd van de demonen van satan, omdat de ouders er op de juiste manier voor op de bres staan. Dit ‘heilig’ zijn gaat niet vanzelf, ouders moeten zich daar actief voor inzetten. Samen moeten zij de demonen die de kinderen bedreigen, weerstaan in de naam van Jezus, want de kinderen kunnen dit zelf nog niet. Wanneer een kind bedreigd wordt door ziektemachten, door geesten van onreinheid, drift, angst, depressies, is het de taak van de ouders zo’n kind de handen op te leggen en de demonen te verdrijven in de naam van Jezus en het een zegen tot herstel mee te geven door de kracht van Gods Geest die in hen woont.
‘Duivelen zullen jullie uitdrijven’

Het gebod: ‘duivelen zullen jullie uitdrijven’ geldt voor iedere gelovige (Marcus 16). Omdat de ouders het eerst geconfronteerd worden met deze demonen, die hun kinderen bedreigen, moeten zij als eersten de strijd aangaan en geestelijk waakzaam zijn. Als de ouders het niet aankunnen, zullen de oudsten van de gemeente bijspringen. Zij worden immers geacht betrouwbare leden van de gemeente te zijn. Zij bidden met het zieke kind op verzoek van de ouders (Jac.5:14).
Het is niet goed om kinderen te helpen buiten de ouders om. Ook de voorganger mag dat niet doen. Vergelijk het met de oude, natuurlijke wereld. Toen zou een dokter een ziek kind niet helpen buiten de ouders om. In de Bijbel lezen we dat de kinderen naar Jezus gebracht werden, Hij ging niet uit zichzelf naar hen toe. Alleen in noodgevallen zal een kind (zonder de aanwezigheid van de ouders) de handen opgelegd worden. Zo zal een kind, wat een ongeluk krijgt op straat, ook wel eens geholpen moeten worden zonder toestemming van de ouders.
- In bepaalde groeperingen wordt geleerd dat men een bezetene (dus ook een bezeten kind) de handen niet mag opleggen. Sommige ouders hebben kinderen die geestelijk zwaar gehandicapt zijn. Stel dat men een bezetene niet de handen mag opleggen, dan zou men zijn kind niet meer op Bijbelse wijze kunnen claimen voor het Koninkrijk van God en ervoor strijden. Wat een afschuwelijke leer. Het is niet de bedoeling de duivel de handen op te leggen, maar het zieke kind. Daarmee worden de demonen die het kind in bezit hebben, juist verdreven!
Geestelijke opvoeding
Het is een scheppingsorde dat een kind zijn ouders gehoorzaamt en naar hen luistert, zoals het ook een ingeschapen wet is, dat de ouders voor een kind verantwoordelijk zijn. Gehoorzaamheid ligt in de natuur van het kind. Ongehoorzaamheid is niet vanzelfsprekend, maar zij maakt een kind onopvoedbaar. De Bijbel leert dan ook dat bij ongehoorzaamheid, demonen in het spel zijn, want weerspannigheid is de zonde van de toverij en eigenzinnigheid is afgoderij en dienen van terafim (1 Sam.15:23). Een normaal kind gelooft wat de ouders vertellen. Dezen mogen ook van het kind gehoorzaamheid eisen, maar horen dan tegelijkertijd voor het kind in de natuurlijke en geestelijke wereld op de bres te staan en het te beschermen.
Het groene gras aangestoken

Het is niet normaal als een kind door grootouders, familieleden of volkomen vreemden moet worden opgevoed. Zelfs al als baby. Juist in deze tijd is dat een moeilijk opgave voor de ouders. Dat beide ouders vandaag wel moeten werken en daarbij het grootste deel van hun inkomen moeten afdragen, is ook een duivels gegeven. Hele gezinnen worden zo ontwricht en wanneer de kinderen later zelf ook gezinnen gaan vormen, gaan deze bewust gecreëerde rampen van kwaad tot erger. Er staat niet voor niets dat in de eindtijd ‘al het groene gras verbrandde’.
- ‘En de eerste engel blies op de bazuin en er kwam hagel en vuur, vermengd met bloed en dat werd op de aarde geworpen. En het derde deel van de bomen verbrandde en al het groene gras verbrandde’ (Op.8:7).
Vooral de geestelijke opvoeding moeten ouders niet aan anderen overlaten. Zij zijn verantwoordelijk en zullen hen de nodige geestelijke kennis bij brengen. Zij zullen hen met ‘melk’ voeden en niet met vast voedsel. Dit laatste wordt bewaard voor de volwassen, opnieuw geboren christenen met een goed gelegd Bijbels Fundament in hun leven. Wanneer de ouders voorbeelden zijn van geloof en Godsvertrouwen en daarnaar leven, zal dit ongetwijfeld een onuitwisbare indruk maken in de kinderziel. Ouders moeten betrouwbaar zijn voor kinderen, zodat zij zich veilig kunnen oriënteren. Later, bij de volwassenheid, zal het kind een eigen keus maken tussen wat het bij zijn ouders zag en hoorde en dat wat hij verder in zijn leven tegen gekomen is. Daarom is het de taak van de ouders hun kinderen waarheid en gerechtigheid bij te brengen.
Jezus Zelf was als kind een voorbeeld hoe God het bedoelt. Hij was door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden (Joh.10:36). Toen Jezus klein was, beschermde zijn Vader Hem in de geestelijke wereld tegen de demonen van de duisternis, zoals Hij dit in de natuurlijke wereld bijvoorbeeld deed tegen de aanslag van Herodes. De Vader heiligde Hem op zo’n perfecte manier, dat de demonen nooit contact met Hem kregen. Hij had daarom ook geen ‘zondig vlees’, zoals een Noorse Clan leert.
Ouders kunnen wel eens te laat zijn met het heiligen van hun kind, omdat zij te weinig inzicht en kennis hebben van het werk van satan en zijn demonen. Zij ontdekken de gevallen engelen pas, wanneer zij zich al in de zichtbare wereld door middel van het kind gewerkt hebben. Ouders weten heel vaak niet ‘wat in dit kleine mensje is’ en door welke machten het belaagd wordt (Joh.2:25). Daardoor leggen ze in veel gevallen het kind de handen pas op als het kind al gezondigd heeft.
Jezus had als kind ook nog niet Gods Geest. Deze ontving Hij toen de Vader Hem ‘in de wereld zond’, toen zijn geestelijk werk begon, na de doop IN water. Jezus was als kind een natuurlijk mens, wiens geest zich nog ontwikkelen moest. ‘Hij nam toe (ontwikkelde zich) in wijsheid en grootte en genade bij God (in de onzienlijke wereld) en bij de mensen (in de zienlijke wereld)’. Ook was Hij zijn ouders gehoorzaam (Lucas 2:52). Toen Hij twaalf jaar oud was, verbaasden de leraren zich over zijn verstand en over zijn antwoorden (Lucas 2:47). Domheid is immers ook een gebondenheid waarvan de mens bevrijd kan worden. Het is een belemmering op de weg van het geluk.
Als iemand de aardse dingen niet begrijpt, die toch door God gebruikt worden als beelden om de hemelse dingen te leren kennen, hoe zal hij dan inzicht krijgen in de geestelijke wereld? Omdat Jezus door zijn Vader geheiligd werd, kon Hij zich vrij, niet geremd en zonder beschadigingen op te lopen, ontwikkelen. Voor ouders die zich ervan bewust zijn dat zij hun kinderen nog onvolkomen heiligen, is het een troost te weten dat, wanneer wijsheid ontbreekt, zij deze van God mogen verlangen én ontvangen. Dat de kracht van God die in hen woont, ook de beschadigingen in het kinderleven herstellen wil.
Handoplegging voor de doop met Gods Geest bij kinderen?
Toen Jezus dertig jaar oud was, ontving Hij Gods Geest. Veel kerkbewoners vinden dat de Vader daar veel te lang mee heeft gewacht, net als onze Heer zelf veel te laat was met zijn doop IN water. Maar Jezus was toen geestelijk zo volwassen en zijn menselijke geest was toen zo rijk, dat Hij met Gods Geest kon samengaan. Zijn geest werd toen immers één met Gods Geest. De Vader heeft dus gewacht totdat de innerlijke mens van zijn Zoon tot de volle volwassenheid gekomen was.
De vraag is nu of wij kleine kinderen van acht of vijftien jaar de handen mogen opleggen voor de doop met Gods Geest. In het hele Nieuwe Testament is hiervan geen enkel voorbeeld bekend. Het waren steeds ‘mannen en vrouwen’ (Hand.8:12-17):
- De Samaritanen waren volwassen,
- Cornelius was ‘een rechtvaardig man en vereerder van God’,
- de twaalf leerlingen uit Handelingen 19 te Efeze waren door Johannes de doper al onderwezen en deze was al lang gestorven.
Alleen voor de volwassen mens geldt het: ‘Het is niet goed, dat hij alleen is’. Deze uitspraak gaat niet alleen over het natuurlijke leven tussen man en vrouw, maar in de allereerste plaats over het geestelijke leven. De verhouding man en vrouw is slechts een beeld van de geestelijke verbinding tussen de menselijke geest en de Geest van God. Ook de geest van de mens moet tot een zekere rijpheid gekomen zijn om deze geestelijke verbinding aan te kunnen.
Kinderen dopen met vuur?

Regelmatig zijn er ouders die zeggen dat hun kind Gods Geest ontvangen heeft en nu in andere talen spreekt. Het opmerkelijke is dat in bijna alle gevallen zij niet zelf hun kind hiervoor de handen hebben opgelegd, maar dat dit buiten hen om gebeurd is. Door dit ‘kindhuwelijk’ maakt men, zoals bij ieder huwelijk het onontwikkelde kind tot een volwassene. Zeer gemakkelijk voor de ouders, die nu niet langer het kind hoeven te heiligen en ervoor op de bres hoeven te staan. Maar Paulus vermaant de kinderen:
- ‘Kinderen, wees uw ouders gehoorzaam in de Heer, want dat is recht’ (Ef.6:1).
De kinderen zijn dus Bijbels bezig als zij gelovige ouders (die in de Heer zijn) gehoorzamen. Laten ouders toch goed bedenken wat zij doen. Wie Gods Geest ontvangt, krijgt in zich een leider en raadgever, die groter en meerder is dan vader en moeder.
- Verwachten ouders dan ineens van het kleine kind dat het nu ook een geestelijk mens geworden is? Of is het natuurlijke eerst en daarna het geestelijke (1 Cor.15:46)?
- Moet het kind nu ook mee gaan meestrijden in het gezin, wanneer demonen uitgedreven moeten worden? Of zullen de ouders tegen het kind zeggen: ‘Ga maar even naar buiten om te spelen’?
- Moet men van de kinderen geestelijk een soort kleine miniatuuruitgaven van de ouderen maken?
Iedere oprecht gelovige ouder zal de belangrijkheid van deze vragen moeten erkennen. Blijven zij voor hun kinderen op de bres staan, of geven zij hen een zak geld mee en zeggen zij: ‘Huur nu maar een eigen kamer, want je bent nu een ‘kleine’ zelfstandige? Druist deze gedachtegang niet in tegen de genoemde scheppingsorde?
Misschien zegt iemand: ‘Een klein kind heeft toch geloof en de doop met de Geest ervaren wij op het geloof’. Het antwoord is dat een normaal kind wel geloof heeft, maar dat dit zich vasthecht aan wat zijn ouders hem vertellen en dat zijn geloof hem alleen verwachting geeft in de zienlijke wereld. Zo gebeurt het dat een kind gelooft in genezing en veel verwacht van het gelovig gebed dat over hem uitgesproken werd. Zijn geloof is bijvoorbeeld niet ingesteld op beproevingen, die toch een geestelijke vrucht voortbrengen. De doop met Gods Geest staat namelijk ook in verband met de doop met vuur, dat wil zeggen dat een mens ‘in de vuurgloed van de beproeving’ komt. Denk aan Jezus Zelf, die door de Geest in de woestijn gebracht werd om verzocht te worden door de duivel. De ‘vuurgloed van de beproeving moet de volwassene niet vreemd voorkomen’ (1 Petr.4:12), maar hoort niet bij een kind.
De tempel van het hemelse Jeruzalem en de toren van Babel

Wat doet een kind met zijn doop in Gods Geest? Even weinig als veel volwassenen die in de beginperiode van de pinksterbeweging met Gods Geest gedoopt werden en die tevreden waren, als zij eenmaal in hun leven in talen gesproken hadden, terwijl Gods Geest met zijn krachten en gaven verder in hun leven niet tot openbaring kwam. De doop met Gods Geest bracht dan verder in het menselijke leven geen grote veranderingen met zich mee. De mensen bleven zoals zij waren: geen geestelijke strijders en nog steeds ‘zondaars tot de dood.’
Wie legt de handen op?
- Moeten ouders hun kinderen zelf de handen opleggen of laten zij dit maar door anderen doen?
- Wachten zij tot het kind geestelijk rijp is voor de doop met Gods Geest of ‘rommelen zij maar een eind weg’?
- Denken ze: ‘Het goede zal toch niet schaden? of: ‘Baat het niet, het schaadt ook niet’?
- Als Paulus al van de wet zegt: ‘Is dan het goede mijn dood geworden?’ moet men zich afvragen: ‘Kan de doop met Gods Geest werken als men er niet zélf om gevraagd heeft?’
Pas als het kind volwassen genoeg is om zelf een keus te maken, kunnen de geestelijke gaven in hem ontwikkeld worden. Nogmaals:
- ‘Maar het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke en daarna het geestelijke’.
Wanneer een jongere van achttien of negentien jaar naar zijn ouders komt of naar de voorganger gaat om handoplegging voor de doop met Gods Geest, weet men dat dit een eigen keus is. Hij is op een leeftijd, waarin hij ook in het natuurlijke leven zich los gaat maken van de ouders en maar al te vaak ertegen in gaat. Hij aanvaardt de adviezen van vader en moeder niet meer klakkeloos. Hier is sprake van een bewuste daad, een verlangen om op eigen benen te staan met de noodzaak om ook zelf een geestelijke strijd te gaan strijden, waarvoor kracht nodig is, die hij zelf bezitten moet.
Soms vragen ouders (en niet het kind zelf) waarom hun kind niet in water gedoopt kan worden. Zij zeggen met Petrus: ‘Zou iemand het water kunnen weren om deze te dopen, die net als wij de Geest hebben ontvangen?’ (Hand.10:47). Kinderen moeten echter niet gedoopt worden zolang zij de Bijbelse betekenis van de doop nog niet begrijpen. Om die reden vieren ze ook nog niet het avondmaal.
Ouders moeten zich ervan bewust zijn dat zij de verantwoordelijkheid dragen voor hun kinderen. Wie de handen laat opleggen bij zijn kind voor de doop met Gods Geest, onttrekt zich aan deze verantwoordelijkheid. Dan gaan geestelijke wetten werken, waar kinderen nog niet aan toe zijn, net zomin als zij in het natuurlijke nog niet rijp zijn voor een huwelijk. De doop met Gods Geest maakt mensen geschikt voor de strijd in de hemelse gewesten, maar zelfs in de natuurlijke wereld werd lang geleden een (mannelijke) soldaat pas opgeroepen als hij de volwassen leeftijd had. Pas dan werd hem een wapen in handen gegeven. Zorg ervoor dat uw kinderen zich op de door God gewilde wijze ontwikkelen en ontplooien en forceer geen bovennatuurlijke experimenten. De normale gang van zaken moet ideaal blijven:
‘Bekeer u en laat ieder van u (volwassenen!) zich dopen … en u zal de gave van Gods Geest ontvangen’ (Hand.2:38).