
Het pinksterevangelie in Handelingen 2 richt zich in het bijzonder op de eindtijd. Petrus begon zijn toespraak met de woorden: ‘En het zal zijn in de laatste dagen’. Wij merken nu al de duisternis, die met deze dag van de Heer gepaard gaat en daarom is de vervulling van de Joëlsprofetie voor ons onontbeerlijk. Er zijn kerkmensen, die ons de gevaren en de verschrikkingen van de eindtijd in felle kleuren schilderen. Zij ontrollen een panorama van het naderende verderf, als oorlogen de steden verwoesten en ‘het gelaat van de aarde als dat van een melaatse’ geschonden wordt. Hun sensationele artikelen houden de angstige lezer uit de slaap, die genoeg fantasie heeft om zich het lijden van de miljoenen slachtoffers, die door bommen verminkt worden, voor te stellen. Onze Heer zei echter:
- ’Wees niet bang voor hen, die wél het lichaam kunnen doden, maar de ziel niet kunnen doden’ (Matth.10:28).
De beproevingen van de komende jaren liggen echter niet in de eerste plaats in de zichtbare dingen. Deze zijn slechts een gevolg van wat er in de hemelse gewesten gebeurd. Nu al scheidt satan de gelovigen als de tarwe en: ‘Als het oordeel bij het huis van God begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie van God?’ (1 Petr.4:17). Het vuur en de rookwalm, waarvan Joël profeteerde, wijzen op de verstikkende, ontbindende werking van de boze geesten, die zich met het bloed, dat is het natuurlijke leven van de mensen, zullen verenigen.

Wij vragen ons af of er een onheilsboodschap noodzakelijk is om de eindtijd in te kunnen gaan. Moeten wij in onze enerverende maatschappij de leden van onze gemeenten oproepen tot nachtbidstonden? Moeten we hen om vijf uur ’s morgens op laten staan om God om genade te smeken? Waarom deze ingreep en verstoring van het normale gezin- en maatschappelijke leven? Op die manier is men bezig het kerkvolk te verroomsen. Men wil heiligen kweken, die door boete en vasten redding moeten brengen aan de onbekeerde mensheid. Men verheerlijkt de monniksjurk en het nonnenhabijt van de protestantse orden en vol devotie keert men zich tot de plechtige vormen, uiterlijke ceremoniën en soepjurken. Men zeemt fanatiek de ramen, harkt het grindpad en maait het gras op zaterdag. Wat een armoede, wat een waardeloze werken!
Voor God mensen gekocht én betaald!

Zijn kerkmensen vergeten dat onze Heer door één offer de schuld van de hele wereld op zich genomen? De genade is door Hem geworden. Daarom mogen wij feestvieren, want de Geest van God is het onderpand van de rijkdom van de genade, die het kind van God ontvangt. Moeten wij terug naar de oudtestamentische gedachte, dat een mens bemiddelen kan, of wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen van God, die spreken en handelen zoals Jezus eenmaal deed?
Onze Heer zei in zijn toespraak over de laatste dingen, dat het evangelie van het Koninkrijk over de hele wereld gebracht zou worden en dan het einde zou komen. Petrus maakte hiermee een begin door op de Pinksterdag te zeggen:
- ‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden’.
Dit is het begin van de boodschap voor nu en voor het einde: je bekeren, je laten onderdompelen IN water en gedoopt worden met Gods Geest. Er is geen andere weg om gered te worden.
De afval van het geloof

Ook zegt Gods Geest dat in het laatste van de dagen sommigen zullen afvallen van het geloof, ‘doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen’. Veel kerkmensen willen hier niet van horen. Zij spreken over liefdeloosheid, wanneer men de misleidende geesten ontmaskert. De dwaling voert echter de christen van de hoge weg af en leidt hem nooit naar het doel, de volkomenheid.
Wanneer een zuigeling een geest heeft, moet deze zich in hem kunnen ontplooien zodat alle latente gaven tot ontwikkeling komen. Veel kerkmensen blijven geestelijk infantiel, omdat Gods Geest zich in hen niet kan ontwikkelen. Zij hebben bevrijding en herstel nodig om de gaven van Gods Geest te laten werken. Vanwege hun gebondenheid en geestelijke beschadiging is er weinig overwinning op de zonde en functioneren de gaven slechts sporadisch in de gemeenten. Men blijft zonder kennis van de onzienlijke wereld, zonder geestelijke wijsheid, zonder ware en krachtige profetie, zonder onderscheiding van geesten en de gaven van genezingen manifesteren hun heilzame werking niet.
Wij schrijven deze dingen vanuit de hunkering naar de volkomenheid en onberispelijkheid. Het kerkvolk komt vaak niet verder dan preken van oude dominees, maar zij spreken nergens over het Bijbels Fundament, laat staan over de doop met Gods Geest.
Juist de pinksterdag is specifiek een zendingsfeest, want zodra de leerlingen de kracht uit de hoogte ontvingen, konden zij het evangelie gaan verspreiden. Zij begonnen echter dichtbij, in Jeruzalem en voegden daar hun bekeerlingen samen in gemeenteverband, waar deze onderwezen, geleid en opgevoed werden. Vanuit de gemeente werd het evangelie verder verspreid.
Men zegt wel eens: ‘Men is zendeling of zelf zendingsveld’. Deze uitspraak houdt echter geen rekening met het feit dat tussen het aannemen van Jezus en het afgezonderd worden tot voorganger, evangelist of zendeling een periode van groei en ontwikkeling in het huisgezin van God ligt. Het gevaar dreigt dan, dat men zich tevreden stelt met alleen de bekeringsboodschap. Liefst op een al van tevoren door de synode samengesteld formulier. De gemeente van Jezus Christus heeft daarom ervaren oudsten nodig en geen geestelijke pubers, waarvan de Bijbel zegt:
‘En kinderen zal Ik hun tot koningen geven en willekeur zal regeren’.