
De torenbouwers van Babel
- ‘Kom, laten wij ons een stad bouwen met een toren, waarvan de top tot de hemel reikt en laten wij ons een naam maken, zodat wij niet over de hele aarde verstrooid worden’ (Genesis 11:4).
Er is een Bijbels verband tussen het mysterieuze verhaal uit Genesis 11 over de torenbouw te Babel en het Pinksterfeest uit Handelingen 2. Misschien denken sommigen bij deze toren ‘waarvan de top tot de hemel reikt’ aan een soort wolkenkrabber uit Dubai, maar de Bijbel spreekt niet van ‘tot de wolken’, maar ‘tot de hemel’. De Bijbel bedoelt hiermee de hemelse gewesten. Daar zijn lichtsferen waar de afstraling van Gods troon doordringt én daar zijn duistere sferen waar satan met zijn demonen werkt. Daarom schrijft de apostel over de strijd tegen de demonen in de hemelse gewesten (Ef.6:12).
Babel, de grote stad

Toen de dictators van Babel een toren bouwden, dachten zij niet aan een stad als Hong Kong, maar aan een geestelijke verbinding met het bovennatuurlijke en wel met dát deel van de hemelse gewesten waar de overste van deze wereld (de satan) de macht heeft. Deze toren van de stad zou een bolwerk worden van spiritisme, een leerstoel van occulte wetenschappen: men zou de magie beoefenen en het hiernamaals onderzoeken. Men zou heersen over de volken en hen uiteindelijk uitroeien om Gods plan met de mens te vernietigen: ‘En nu zal niets van wat zij van plan zijn, voor hen onmogelijk zijn’ (Gen.11:6b).
In het archeologische werk van André Parrot over de toren van Babel staat geschreven:
- ‘De Zikkurath (huis of tempel) was niet slechts een toren met een aantal verdiepingen; zij was het reusachtige voetstuk van een heiligdom (Hochtempel), de woning van een godheid. Deze kon overigens haar verblijfplaats verlaten en naar de stad, d.w.z. naar de mensen afdalen en ook kon zij zich langs de trappen van de toren bij tijden naar de tempel beneden (Tieftempel), aan de voet van de toren, begeven en zich daar openbaren. Zo mogen wij ook de Zikkurath als een schakel zien in het contact tussen hemel en aarde.’
Later liet de koning van Babel, Nebopolasser, de vader van Nebukadnezar, in spijkerschrift op een kleitablet onder meer over de door hem gebouwde ‘tempel van de zeven zones (verdiepingen van de Zikkurath)’ opschrijven:
- ‘Marduk, de heer, gaf mij ten aanzien van Etemenanki, de trappentoren van Babylon, die voor mijn tijd was vervallen en tot puinhopen was geworden, de opdracht zijn fundamenten in de schoot van de onderwereld te bevestigen en zijn top aan de hemel gelijk te maken. Alle volken van de talrijke natiën dwong ik tot werken aan het bouwwerk van Etemenanki. De verheven woning van Marduk, mijn heer, bracht ik aan zijn top…’
De naam Babel is een te directe en stellige nabootsing van de Akkadische verbinding bab-ilu (poort van God) dan dat er iets anders achter moet worden gezocht. Dit is de naam die de stichter Nimrod, de zoon van Cham, er aan gaf, maar Babel roept later in de geschiedenis de gedachte aan verwarring op. De bouwers van deze toren hadden echter nog een ander doel. Met hun magie wilden zij de wereld beheersen. De volken, die één waren van taal en spraak, moesten zich niet over de hele aarde verspreiden, niet hun eigen weg gaan, maar onderdaan blijven van de machthebbers die in deze toren resideerden. ‘Laten wij ons een naam maken’, zeiden zij. Wanneer mensen die naam zouden horen, zouden zij al sidderen. Als God niet had ingegrepen, dan zou gebeurd zijn wat Hij al aangaf: ‘Nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn’ (vers 6). God zag dat zij zich overgegeven aan de duistere demonen van de lucht:
- ‘Immers, hoewel zij God kenden hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of bedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen en het is duister geworden in hun onverstandig hart’ (Rom.1:21).
- God verwarde de spraak. Voortaan werd ieder volk door zijn eigen geest geleid en blindelings naar de stomme afgoden heen gedreven (1 Cor.12:2).
- ‘Bewerende wijs te zijn, zijn ze dwaas geworden en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door wat lijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren’ (Rom.1:22,23).
Voortaan waren zij niet meer één volk, gericht naar en geleid door één geest, maar verdeeld in veel volken met veel talen. Zij lieten zich leiden talrijke demonen en gehoorzaamden veel afgoden. In Zijn genade heeft God ervoor gezorgd dat de hele mensheid als geheel werd overgeleverd aan het verwerpelijk denken van hen die onder leiding stonden van de overste van deze wereld. Hun eenheid, dus de macht, was gebroken tot aan Jezus Christus.
De betekenis van het volk Israël
Te midden van deze mengelmoes van volken heeft de Heer een plaats gemaakt voor zijn eigen volk: ‘Toen Hij de mensen van elkaar scheidde, heeft Hij de grenzen van de volken vastgesteld naar het aantal van de zonen van Israël’ (Deut.32:8). Al snel riep Hij Abraham om deze af te zonderen en hem tot een groot volk te maken om daarmee zijn eigen plan uit te voeren. Want het geluk is (oorspronkelijk) uit de Joden. God wilde zelf hun Leider zijn door zijn Woord en Geest. Jacob droomde, terwijl hij op de vlucht was, dat er een ladder op aarde was opgericht, waarvan de top tot aan de hemel reikte. Engelen klommen daarlangs op en daalden daarlangs neer: ‘En zie, God stond bovenaan en zei: Ik ben de God van uw vader Abraham en de God van Izaäk.’ Toen Jacob uit die droom vol zegeningen ontwaakte, zei hij: ‘Dit is niet anders dan een huis van God, die is de poort van de hemel’ (Genesis 28:10-22). Door deze poort was het volk van God met zijn hemelse Leider verbonden.
God heeft door geen enkel ander volk gesproken: alleen in het volk Israël uit het Oude Testament is de verbinding van de mens met de Schepper van hemel en aarde bewaard gebleven, totdat God de wereld met zichzelf had verzoend door Jezus Christus in de volheid van de tijd. Toen werd door Christus de muur van de afscheiding weer verbroken, want God zegt: ‘Dat Je mijn Dienaar bent om de (geestelijke) stammen van Jakob op te richten en de (geestelijk) overlevenden van Israël terug te brengen, dat is nog maar het begin. Ik zal Je maken tot een licht voor alle volken, zodat de redding die Ik brengen zal tot aan de einden van de aarde reikt’ (Jes.49:6).
De Pinksterdag
Dan komt de grote dag van het Pinksterfeest, als er een nieuwe verbinding komt tussen de hemel en de aarde, tussen God en Zijn Zoon Jezus, die naar de hemel was gegaan. Die nieuwe verbinding ontstond niet door middel van torens, tempels of kathedralen, ook niet door magische wetenschap en zelfs niet door schoolse kennis, maar door Gods Geest van de belofte voor allen die Hem er om bidden (Lucas 11:13). Wanneer het volk zich verwondert over het spreken in andere talen en zich afvraagt waar dit vandaan komt, antwoordt Petrus: ‘Dit is wat God beloofd heeft: Het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees (wat voor God leeft) en uw zonen en dochters zullen profeteren en uw jonge mannen zullen gezichten zien en uw ouden zullen inzicht krijgen: ja zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmeiden zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren.’
In Babel kreeg men verbinding met de geestenwereld en het einde was, dat talen en tongengeesten de spraak van allen verwarden. Hierdoor werden de groepen geïsoleerd en barricaden tussen de volken opgericht. In Babel sprak men in andere talen, zoals de wereldgeesten deze inspireerden. God gebruikte deze verdeeldheid om de doorwerking van de zondemacht te breken.
Op de Pinksterdag komt er echter weer directe leiding, maar nu van God zelf. Dit was niet weggelegd voor de enkeling, maar voor het hele volk van het nieuwe verbond, want zij zullen Hem allen kennen, dat wil zeggen contact met Hem hebben, van de kleine tot de grote. De schapen horen de stem van de Meester. Hij roept ze bij naam en leidt ze uit en ze vinden groene weiden. Deze leerlingen spreken de taal van God en iedereen hoort het en verstaat het in zijn eigen taal, zoals wanneer God tot de mens spreekt deze het altijd hoort in zijn eigen taal. Zij vertellen van de grote werken van God, zoals Gods Geest het hun gaf uit te spreken.
Om zijn werk uit te voeren, lost God de taalproblemen op waardoor de weg open ligt om zich een volk te verzamelen uit alle talen en naties en ze alle tot een eenheid te maken. Dit spreken in andere talen heeft de eerste christengemeente begeleid. Soms in de binnenkamer waar het kind van God in talen, geïnspireerd door Gods Geest, contact heeft met zijn Heer, Hem eert en zichzelf opbouwt. Maar ook in het openbaar, wanneer het in talen spreken tot een teken is voor de ongelovigen, dat er een relatie is met een geestelijke Macht en tot opbouw van de gelovigen door de uitleg in verstaanbare taal. Zoals God het volk Israël door zijn profeten rechtstreeks leidde, zo wil Hij dit nu ook nog doen door het profeteren, gezichten zien en inzichten geven. Daarom zegt Paulus: ‘Ik wilde wel dat u allen in talen sprak, maar liever nog, dat u profeteert’ (1 Cor.14:5).
De afbraak in de laatste 18 eeuwen

- ‘En toen het Lam het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag en zie, een zwart paard en hij die erop zat, had een weegschaal in zijn hand. En ik hoorde te midden van de vier dieren een stem zeggen: Een maat tarwe voor een penning en drie maten gerst voor een penning’ (Op.6:5).
Helaas, deze rechtstreekse band van de eeuwig levende met zijn volk is bijna geheel verbroken. In plaats van de leiding van Gods Geest, de Geest van de Waarheid, Die de weg wijst tot de volle waarheid en Die het neemt uit wat de Vader aan de Zoon gegeven heeft en zelfs de toekomst bekend maakt, heeft men zich gewend tot overleveringen, leringen van mensen en organisatorische besluiten die de stem van God in het binnenste krachteloos maken. Een mens kan niet naar twee dingen tegelijk luisteren. Toen niet meer één Geest alles in allen kon werken, ging de eenheid verloren en zo is vandaag het kerkvolk verdeeld in veel groepen en groepjes, ieder luisterend naar eigen leidende geesten en demonen. Daardoor is de kracht van het volk van God gebroken. In wezen heeft de duivel gedaan, wat God in Babel deed om de doorwerking van de geestelijke kracht te blokkeren.
Het komende Pinksterfeest
Maar het einde van de tijd nadert. Weer zoekt God naar mensen die zich gehoorzaam willen voegen naar Gods Woord en luisteren naar Gods Geest. Hij zal ze verzamelen uit alle koninkrijken en geslachten en uiteinden van de aarde. Wanneer Gods Geest weer gaat leiden zoals in het begin, zal de gemeente haar kracht vernieuwen, haar taak en opdracht weer verstaan en één van hart en één van ziel de grote werken van God bekend maken en velen die nu nog in de duisternis wandelen, roepen tot het licht en hen tot gerechtigheid brengen. In hen zal de Heer overwinnen. Was het al zo, dat God overwoog dat één volk met één taal, geleid door één wereld geest ‘alles wat zij dachten te doen ook zouden kunnen uitvoeren’, hoeveel temeer zal van de kinderen van God in gehoorzaamheid van het geloof geleid door Gods Geest gezegd kunnen worden:
‘Dat niets hun onmogelijk zal zijn!’ (Matth.17:20).