Filippus getuigde van de Christus (Handelingen 6:4-25)
Mensen spreken graag heel dierbaar over ‘de handen van Jezus’. Ze bedoelen hiermee dat de handen van Jezus de naakten aankleedden en de hongerigen te eten gaven. Zijn handen verpleegden de zieken en onderhielden levenslang (als een barmhartige Samaritaan) de beroofde man langs de weg, incl. zijn hele familie en aanhang. Van de wieg tot het graf….
Wie echter het evangelie kent, weet dat de handen van Jezus gespecialiseerd zijn in een taak, die ver uitgaat boven de humaniteit van ‘weldoeners, deugers en moralisten’. Elke christen die de Heer volgen wil, moet daarom weten wat Jezus van hem vraagt: een terugkeer naar het eeuwig evangelie. Kerkmensen leven vaak in een schijnwereld. De kerk brengt namelijk dogma’s en leringen die niets meer te maken hebben met de persoon en de woorden van Jezus Christus. ‘Uit het christendom is heel sneaky de Christus weggenomen’ zei Isaäc da Costa.
Filippus
Filippus was een man van God. Van hem en Stefanus wordt gezegd dat zij vol van Gods Geest en wijsheid waren. Zijn gezin was een goed voorbeeld van een leven met God. Iedereen kon aan hen zien dat zij ’totaal anders’ waren doordat zij Jezus volgden. Toen Petrus op de Pinksterdag zei: ‘Uw zonen en uw dochters zullen profeteren’, accepteerde deze Griek de belofte niet voor het natuurlijke volk Israël ergens in het duizendjarige vrederijk, zoals Darby en Scofield beweren, maar voor ieder die gelóóft. Filippus was gedoopt met Gods Geest en had vier dochters, die profetessen waren (Hand.21:9). Wat staan kerkmensen met hun pastoors en dominees toch ver af van deze noodzakelijke toerusting voor de geestelijke strijd: ‘Maar u moet in de stad blijven, totdat u bekleed wordt met kracht uit de hoogte’ (Gods Geest, Lucas 24:49).
In Samaria getuigde Filippus van de Christus. De evangelist openbaarde Jezus zoals Deze was en is. Hij liet Jezus zien zoals Hij zichzelf had laten zien. Jezus identificeerde zichzelf met de woorden:
- ‘Blinden kunnen zien en verlamden wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie’ (Matth.11:5).
- ‘Op dat ogenblik genas Hij velen van ziekten en plagen en boze geesten en aan vele blinden gaf Hij het gezicht’ (Lucas 7:21).
Jezus wil niet dat men zijn beeld verminkt en aantast. Hij eist dat wij van Hem getuigen zoals Hij het bevolen heeft. Hij voegde eraan toe: ‘Gelukkig is wie aan Mij geen aanstoot neemt.’
Handen opleggen

In kerkelijk Nederland zegt men graag: ‘Zijn handen zijn wij!’ De evangeliën vertellen het volgende over deze handen:
- ‘Hij strekte Zijn hand uit en raakte de melaatse aan en zei: Ik wil het, wordt rein’.
- ‘Zulke krachten als door Zijn handen gebeurden.’
- ‘Hij legde de blinde Zijn handen op en vroeg: ziet u iets? Vervolgens legde Hij weer Zijn handen op zijn ogen.’
- ‘Toen de zon onderging, brachten allen die zieken hadden, lijdende aan allerlei kwalen, dezen tot Hem. Hij legde ieder van hen afzonderlijk de handen op en genas hen.’
- Op een vrouw die achttien jaar een geest van zwakheid had, legde de Heer de handen en ‘direct richtte zij zich op’.
- Tot zijn navolgers zei de Heer: ‘Op zieken zult u de handen leggen en zij zullen genezen worden’.
Opvallend dat vrijwel alle kerken deze opdrachten al eeuwenlang niet uitvoeren. Het naamchristendom heeft dit evangelie van Jezus Christus verduisterd én verdraaid door woorden en daden.
Filippus getuigde hoe Jezus rondgegaan was. Hij deed wat Jezus in zijn laatste en grote opdracht opgedragen had: ‘Bij velen, die onreine geesten hadden, gingen deze onder luid geroep uit en vele verlamden en kreupelen werden genezen en er kwam grote blijdschap in die stad’ (vers 7). Filippus bracht geen ‘ander’ evangelie dan Jezus en dezelfde tekens volgden hem. Hij bracht een zuivere boodschap met een zuiver bewijs. In Samaria bracht Filippus de ‘grote blijdschap’ die de engel in Lucas 2:10 aangekondigd had: ‘Jezus redt en geneest.’ Zijn evangelie brengt verlossing voor alle beschadigden naar lichaam, ziel of geest: Toen Filippus in Samaria was, volgden hem geluk en genade (Ps.23:6).
Occulte genezers

De Samaritanen geloofden in het evangelie van het Koninkrijk van God en in de naam van Jezus Christus. Zij aanvaardden dus dat de demonen van de duisternis in en bij hen zouden wijken voor de naam van Jezus en de kracht van Gods Geest. In deze stad kreeg het occultisme de genadeslag, toen Simon de tovenaar, erkennen moest dat de krachten van het Koninkrijk sterker waren dan die van het rijk van de duisternis. Het is diep treurig dat een ontrouw kerkvolk de boodschap van genezing door Jezus Christus verwerpt. Zij houden zich liever bezig met magnetiseurs en occulte geneeswijzen, die, net als Simon de magiër, zeggen dat ze deze gave van God hebben ontvangen en ‘de grote kracht van God’ zijn.
De doop IN water – Jezus Christus als ons voorbeeld

De Samaritanen lieten zich op hun geloof dopen. Er is geen andere doop. Mannen zowel als vrouwen lieten zich dopen. Merk op dat hier geen baby’tjes gedoopt worden! Hoe zou dit ook kunnen? De doop is immers een openlijke erkenning, dat men met het oude leven afgedaan heeft en in het nieuwe gelooft. Baby’s kunnen nog niet samen groeien met wat gelijk is aan de dood van Jezus Christus. Baby’s kunnen nog niet geloven dat ‘de oude mens mee gekruisigd is, zodat aan het lichaam van de zonde, zijn kracht zou worden ontnomen en men niet langer slaven van de zonde zou zijn’ (Rom.6:5,6).
Gods Geest kan geen contact hebben met de mens van de zonde. Door de doop in water ‘wordt alle gerechtigheid vervuld’ (Matth.3:15). Na de doop is aan de zonde haar kracht ontnomen en haar recht om de mens als knecht te gebruiken. De opnieuw geboren mens is tot een nieuw leven opgestaan en hoort nu bij Jezus. De kracht die de zonde levend maakt, de wet, werd aan het kruis genageld (1 Cor.15:57 en Col.2:14). De opnieuw geboren mens leeft niet meer onder de wet, die de zonde activeert, maar hoort bij Jezus Christus, die van de zonde verlost (Rom.7:2,3).
Wie is deze oude mens, wat is het kruisigen van deze oude mens, hoe gebeurt dit?
Paulus spreekt in Efeze 2:2 ‘van geesten die nu werken in ongehoorzame kinderen. De oude mens is het werkterrein van satans demonen. Wanneer zij in de mens werken, horen deze bij de kinderen van de toorn. Zij staan dan bloot aan zonde, ziekte, gebondenheid, onrust en de dood. Aan het kruis heeft Jezus deze demonen ontmaskerd. Toen zij Hem aanvielen, heeft Hij duidelijk laten zien wie de eigenlijke veroorzakers van zonde, ziekte en dood zijn. Hij heeft hen overwonnen bij Zijn opstanding. Satans demonen zijn immers gewend zich te verbergen en te maskeren. Mensen beschuldigen bijvoorbeeld iemand als leugenaar, terwijl zij geen rekening houden met de leugengeest die hem verleidt en zijn mond gebruikt. Het kruisigen van de oude mens bestaat hierin, dat deze demonen ontmaskerd worden om daarna verdreven te worden. Wie zijn zonde belijdt en laat, zal barmhartigheid ervaren. Immers het belijden is het tentoonstellen of het ontmaskeren van de zonde.
De Geest van God

De dopeling zal voortaan de satan weerstaan door de Geest van God. Hij aanvaardt de scheiding tussen hem en de onreine geest en verbreekt daar elk contact mee. Hij is als Jezus, die aan het kruishout bezet gebied werd, maar die innerlijk niét met deze demonen verbonden was. Bij de doop aanvaardt de mens het principe: ‘Ik doe geen kwaad, maar de zonde of de demonen die in mij wonen’ (Rom.7:20). Hiermee distantieert hij zich van het kwaad en begint de strijd aan te binden in de naam van Jezus door de kracht van Gods Geest. Zijn geest is met Jezus Christus en de Vader verbonden. De doop is het samengegroeid zijn met wat gelijk is aan de opstanding van Jezus. Dit opstaan nu is een gebed van een goed geweten (van de nieuwe schepping) tot God door de opstanding van Jezus Christus (1 Petr.3:21). Dit gebed is: verlos mij van het kwaad en doop mij met Gods Geest!
De doop met Gods Geest

Zou de Vader dit gebed van het goede geweten verhoren? In Lucas 11:13 lezen we:
- ‘Hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel Zijn Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden.’
- Petrus beloofde op de Pinksterdag: ‘Bekeer u en ieder van u laat zich dopen … en u zult de gave van Gods Geest ontvangen’ (Hand.2:38).
Na zijn doop in water zal iemand dan ook direct Gods Geest kunnen ontvangen, dat wil zeggen als hij door onderdompeling getuigenis gegeven heeft van zijn bekering en nieuwe geboorte door onderdompeling IN water. Door Gods Geest, die als plaatsvervanger van Jezus in hem woning maakt, wordt hij in staat gesteld het leger van de vijand uit te drijven, te weerstaan én te verslaan. Zonde, ziekte, gebondenheid en onrust moeten wijken voor deze kracht uit de hoogte. Zelfs de dood, de laatste vijand, zal teniet worden gedaan wanneer de kinderen van God tot volmaaktheid gekomen zijn en ‘stralend, zonder vlek of rimpel’ rechtstreeks opgenomen zullen worden, de Heer tegemoet in de lucht.
Uit de geschiedenis van de bekeerde Samaritanen blijkt overduidelijk dat tussen bekering, vergeving van zonden, nieuwe geboorte en de doop met Gods Geest, een tijdsverschil ligt. Iemand kan dus opnieuw geboren zijn zonder dat hij gedoopt is met Gods Geest. In vers 16 staat:
- ‘Want deze (Gods Geest) was nog over niemand van hen gekomen, maar zij waren alleen gedoopt in de naam van de Heer Jezus.’
De tekens die op de doop met Gods Geest zijn zo goed zichtbaar, dat de apostelen ogenblikkelijk zagen wat aan de Samaritanen ontbrak. Men kan hen vergelijken met miljoenen christenen, die nooit Gods Geest als gave ontvangen hebben of God hebben tegengewerkt door dwalingen.
Satans enorme verzet tegen de doop met Gods Geest

Veel kerkmensen ontkennen dat men moet streven naar de doop met Gods Geest. Volgens hen maakten Petrus en Johannes een verschrikkelijke vergissing! Volgens hen hadden zij tot de Samaritanen moeten zeggen:
- “Waar wachten jullie nog verder op? Ieder kerklid heeft Gods Geest. Wij houden er niet van om een groepje hoogmoedige, selecte christenen te vormen…!”
Petrus zei echter: ‘God, die de harten kent, heeft getuigd door aan hen Zijn Geest te geven, zoals Hij Zijn Geest ook aan ons gaf, zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen’ (Hand.15:8). De apostelen wisten dat de Samaritanen en het huisgezin van Cornelius Gods Geest hadden ontvangen, zoals zij dat van zichzelf wisten:
- ‘Want zij hoorden hen spreken in talen en God grootmaken’ (Hand.10:46).
- Dit had Jezus ook gezegd in Marcus 16: ‘In nieuwe talen zullen de gelovigen spreken!’
Gelooft u het evangelie van de apostelen? Ook voor u geldt de vraag: ‘Hebt u Gods Geest ontvangen, toen u tot geloof kwam?’ (Hand.19:2). Kunt u trouwens beamen dat u tot gelóóf gekomen bent? Of vindt u het iets vanzelfsprekends en zegt u: ‘ik geloof omdat ik als baby besprenkeld ben en omdat ik nog steeds bij een kerk hoor!’
Nog een vraag:
- ‘Heeft u zich ooit bekeerd en ook het enige Bijbels fundament in uw leven gelegd, of alleen maar simpel ‘Ja’ gezegd na het voorlezen van een standaardformulier?
Jezus beloofde de gave van Gods Geest. Hij heet: ‘de Doper met Gods Geest.’ De Samaritanen ontvingen Gods Geest. Paulus werd onder handoplegging van een eenvoudige gelovige genezen en vervuld met Gods Geest (Hand.9:18). Ook van hem kan men lezen dat hij veel in talen sprak (1 Cor.14:18). In Samaria hebben de apostelen het woord van de Heer gesproken, maar zij hebben er ook van getuigd (vers 25). Er waren zichtbare bewijzen dat het evangelie van Jezus Christus de waarheid is. De demonen van de duisternis moesten vluchten en er bleven velen achter, die Gods Geest ontvangen hadden om ook de satan verder te weerstaan.
Hecht u waarde aan wat de Bijbel, de Woorden van God, over al deze dingen vertelt? Luister dan niet naar de stem van de misleiders, die u hun eigen gedachten opdringen. Stap in het voetspoor van de apostelen en profeten. Het fundament dat zij legden, moet ook bij u aanwezig zijn. Anders staat uw huis niet op het ware fundament, Jezus Christus.
De Samaritanen hadden geluk dat zij in contact kwamen met medewerkers van Jezus Christus en niet met nog nooit bekeerde mensen, die de woorden van Jezus in Lucas 11:13 tot een zinloze vertoning maken. Petrus en Johannes deden iets, wat men maar al te vaak als dwaasheid en extreem aanmerkt. ‘Zij baden, dat zij (gelovigen én gedoopten) Gods Geest mochten ontvangen’ (vers 15). Zij baden na de Pinksterdag om Gods Geest, zoals Jezus hun het geleerd had! De apostelen brachten daarmee het eeuwig evangelie in Samaria. Zij namen geen genoegen met minder dan Jezus beloofd had:
- ‘Toen legden zij hun de handen op en zij ontvingen Gods Geest’ (vers 17).
Simon de tovenaar zag het.
De apostelen merkten het.
De Samaritanen ervoeren het!