
Als iemand veel talen beheerst, is dat ontzettend mooi. Veel mensen studeren jarenlang en nemen dure lessen om een taal goed onder de knie te krijgen. Men gaat er zelfs voor naar het buitenland. Met het kennen van een taal gaat een nieuwe wereld open; de mens kan zijn visie verbreden en zich op de hoogte stellen van de cultuur en gewoontes in andere landen.
Giuseppe Mezzofanti en Anna Maria van Schuurman

Kardinaal Giuseppe Mezzofanti sprak 38 talen en Anna Maria van Schuurman, de ‘sektarische Labadiste’, was een talenfenomeen. We weten niet of de apostelen talenkenners waren; het brengen van het evangelie zou dan wel gemakkelijker zijn geweest. Vermoedelijk kenden ze, naast hun typisch Galilese tongval, alleen nog maar plat Grieks, dat in hun streek veel gesproken werd. Waarschijnlijk hebben deze medewerkers van Jezus Christus, hun Bijbelrollen niet in de oorspronkelijke taal kunnen lezen.
De apostel Paulus had wel gestudeerd, maar hij was daar niet trots op. Nergens wordt gezegd dat hij talenkenner was. Hij sprak zelf over een talenkennis, die hij op bovennatuurlijke manier ontvangen had en hij wekte de opnieuw geboren christen op om ook naar dit charisma te streven. Hij schreef in 1 Cor.14:18: ‘Ik dank God, dat ik in meer andere talen spreek dan u allen.’ In de kerken krijgt dit talent van Paulus nauwelijks aandacht. Het past immers niet in het kader van het theologisch denken. De ‘nuchtere’ gelovigen moeten immers gewaarschuwd worden tegen zulke opgewonden christenen. Daarom zwijgt men in hun geestelijke gevangenissen maar liever over dit ‘extremisme’ van Paulus.
Een verdeelde gemeente
In Corinthe was er een zeer zelfbewuste gemeente. In hun hoogmoedigheid voelden zij zich als koningen, zonder echter rekening te houden met Paulus, die toch de gemeente gegrondvest had. Paulus moest schrijven: ‘U bent blijkbaar al verzadigd, u bent al rijk, u regeert al zonder ons!’ (1 Cor.4:8). In deze gemeente, waar de Heer in het begin zo machtig door Zijn Geest gewerkt had, was al snel een verandering gekomen. Paulus kon danken om wat zij in het begin aan genadegaven hadden. Toen waren zij gered en met geestelijke gaven uitgerust door de boodschap van Paulus (1:21). Nu hadden zij echter een leer opgesteld, waarin de waarheden scherp geformuleerd waren. Zij werden zuiver in de leer.
Recht zoeken bij ongelovigen
Onder deze orthodoxe broers en zussen had al snel ieder zijn eigen sjibbolet. Men beriep zich op de grote voorgangers: ‘Ik ben van Paulus! En ik van Apollos! En ik van Céfas! En ik van Christus’. Het ontbrak hun aan betrouwbare oudsten of een voorganger en zij waren in handen gevallen van rondtrekkende judaïsten, die met hun wettische inslag alles wat Paulus opgebouwd had, afbraken. Aan deze Corinthiërs met hun dogma’s en ‘geloofsartikelen’ schreef de apostel:
- ‘Dan zal ik wel merken of de daden van deze arrogante mensen overeenkomen met hun woorden. Het koninkrijk van God bestaat nu eenmaal niet in woorden, maar in daden’ (1 Cor.4:19,20).
Het werd zelfs zo erg dat verdeelde partijen hun recht gingen zoeken bij goddelozen (6:1), net zoals vandaag op grote schaal gebeurt.
Weinig gaven
Meestal veronderstelt men dat de Corinthiërs zich overdreven bezig hielden met de geestelijke gaven, in het bijzonder met het spreken in talen. Paulus zou hen daarom moeten vermanen zich wat in te tomen. Dit is echter een onjuiste gedachtegang. Men kan moeilijk verwachten dat de apostel het talen spreken zou tegengaan, terwijl hij zelf zei meer dan alle anderen deze gave gebruikte. Waar ruzies en meningsverschillen zijn, verdwijnen de geestelijke gaven. Men kan er dan nog wel naar streven, maar verdeeldheid schept niet het klimaat waarin zij kunnen functioneren. Zij worden dan een onderwerp van discussie en het geloof in de kracht van Gods Geest wordt dorre theorie.
Het was ook niet omdat de Corinthiërs teveel avondmaal vierden, dat Paulus hen waarschuwde, maar hun onderlinge jaloezie, gemopper en liefdeloosheid namen de zegen weg. Paulus moest niet ingrijpen, omdat er een surplus aan charismatische gaven was, maar omdat men door onverdraagzaamheid tot allerlei verkeerde praktijken kwam. Daarom schreef Paulus:
- ‘Maak vooral werk van de liefde. Maar streef ook naar geestelijke gaven’ (1 Cor.14:1).
Geestelijke gaven bloeien in gemeenten waar onderlinge harmonie is. Als men de doop met Gods Geest minacht, wijkt de profetie. ‘De profetie is naar de mate van het geloof’, niet alleen van de profeet, maar van de hele gemeente. Een charismatische gave is geen zaak van de enkeling, maar zij is tot opbouw van de hele gemeente. Deze ontvangt dan ook de profetieën die zij waard is.

In een biddende gemeente wordt de profeet boven zichzelf uitgetild, ondersteund door het gebed en het geloof van zijn broers en zussen. In een verdeelde gemeente komen gebrekkige of helemaal geen profetieën voor. Ook de andere gaven verdwijnen. Zo waren in Corinthe ook de gaven van genezingen verdwenen omdat er verdeeldheid was. Er waren velen zwak, ziekelijk en men stierf voortijdig. In Corinthe had men Gods Geest bedroefd en uitgeblust, zoals zich dit later in de geschiedenis op veel manieren zou herhalen. Is het een wonder dat de satan ook in onze dagen het evangelie verdraait om zo de kracht van Gods Geest te doven?
In de gemeente te Corinthe werd weinig meer in talen gesproken. Paulus moest hen voorhouden, dat ‘het dwaze van God wijzer was dan de mensen’. Hij moest schrijven: ‘Ik wil wel, dat u allen in talen spreekt’ (14:5). Hij moest de gemeente opwekken te streven naar alle geestelijke gaven. Zij moesten bekend worden met de uitingen van Gods Geest. Te vaak wordt in gemeenten benadrukt dat het spreken in talen de belangrijkste gave van Gods Geest is en dat ieder dit moet kunnen, desnoods onder dwang (zie het kader: ‘spreek mij maar na’). Het spreken in talen moet niet verheven worden tot de belangrijkste (basis)gave. Het spreken in talen is een geloofsdaad, vooral als de mens alleen is. Men doet het, omdat de Woorden van God het voorschrijven en omdat Jezus zei: ‘De gelovigen zullen in talen spreken’ (Marc.16:17).
‘Spreek mij maar na..?’
Op het spreken in talen wordt in veel gemeenten een on-Bijbelse claim gelegd. Na de doop in water en met Gods Geest, wordt de dopeling door handoplegging bijna gedwongen om in talen te spreken. Als men niet meteen wat klanken uitstoot, krijgt men zelfs het verwijt dat men toch blijkbaar niet goed gelooft. Sommige evangelisten zeggen dan: ‘Spreek mij maar na!’ De bedoeling is natuurlijk duidelijk: men wil iemand over een drempel heen helpen. Maar het gevaar dat een persoon een oudste na spreekt, is altijd aanwezig. Men gebruikt dan woorden, die Gods Geest door een ander uitsprak. Er wordt zo geen onderscheid gemaakt tussen de gave van de talen en het teken bij de doop met Gods Geest. Het spreken in talen is geen teken voor gelovigen, maar voor de óngelovigen (1 Cor.14:22).
In Handelingen 2 lezen we hoe de leerlingen van Jezus Christus vervuld worden met Gods Geest:
- ‘En er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden en het zette zich op ieder van hen’.

Het meest opmerkelijke feit is dat, toen de leerlingen God begonnen te prijzen, zij dit in vele verschillende talen deden. Talen die zij niet kenden. De buitenstaanders die hier getuige van waren, verbaasden zich: ‘Zie, zijn niet al dezen die daar spreken Galileeërs? En hoe horen wij hen dan in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn?’ (vers 6-12). Vervolgens worden er wel een vijftiental talen in dit Bijbelgedeelte opgenoemd, waaronder Perzisch en Egyptisch. Hier spraken gelovigen onder de inspiratie van Gods Geest die zij net ontvangen hadden, andere talen die zij nooit eerder bestudeerd hadden. Ongelovigen worden hier bekend gemaakt met het evangelie.
God geeft nooit een nutteloze of overbodige gave. In de grote opdracht aan zijn volk zei Jezus: ‘Als tekens zullen deze dingen de gelovigen volgen, in talen zullen zij spreken.’ Paulus dankt de Heer voor deze nuttige hemelse gave. Maar hij benadrukt ook dat ieder zijn eigen gave heeft. Al die gaven worden besproken in 1 Corinthe 14, waarbij we moeten streven naar de hoogste gave.
De hemels talenten in de aarde begraven

Satan háát de geestelijke gaven. Al twintig eeuwen lang (Op.6:5,6) heeft hij kans gezien de woorden van de Bijbel te verdraaien en te verleugenen. De gevolgen zijn daarom ook niet uitgebleven. Kerkmensen kunnen nooit aan het beeld van de Zoon gelijkvormig worden, omdat zij de hemelse talenten in de aarde begraven hebben. Waar geen Bijbels Fundament is gelegd is dit ook onmogelijk. Van alle gaven heeft men het bovennatuurlijke ontnomen en op het aardse vlak gebracht. Gaven van genezingen functioneren alleen nog maar in de medische wetenschap en profeteren op de preekstoelen in de volkskerken is ook onmogelijk.
De put van de afgrond geopend

De occulte demonen worden ontbonden uit de put van de afgrond (Op.9). Zij zullen met miljarden als een rook opstijgen om de aarde te teisteren. De demonen van satan gaan uit over de hele wereld om hen te verzamelen tot de oorlog op de grote dag van de almachtige God (Op.16:14). God stort zijn Geest uit op alles wat voor Hém leeft. Dáárom worden satans demonen actief. De ware aanbidders zullen daarom de Vader aanbidden in geest en in waarheid (Joh.4:24). Door dit charisma krijgen zij de overwinning op het leger van de vijand en zal deze zich terug trekken. Gods Geest is niet aan tijd, plaats en afstand gebonden. Daarom kunnen we rechtstreeks meestrijden waar de demonische machten de doorbraak van het evangelie belemmeren. Wij worstelen tegen die overheden en machten in de geest zoals Paulus schreef:
- ‘Laat u bij het bidden leiden door Gods Geest, iedere keer dat u bidt; blijf waakzaam en bid voortdurend voor alle heiligen. Bid ook voor mij, dat mij de juiste woorden gegeven worden wanneer ik getuig, zodat ik met vrijmoedigheid het mysterie mag openbaren van het evangelie’ (Ef.6:18,19).
Door de geestelijke gaven bouwt de mens zichzelf op in de geest en wordt hij ‘Heaven-minded’, d.w.z. hij weet hoe hij moet leven in de hemelse gewesten. Deze gaven voeren de mens omhoog. Daardoor kan men zich ontplooien. Verbonden met de liefde is het een weg, waarlangs niet alleen de individuele persoon, maar de hele gemeente omhoog wordt gevoerd (1 Cor.12:31). Door deze gaven opent de Heer het vergezicht naar de top van de berg Sion, waar de volmaaktheid bereikt is (Op.14:1-5).
Hoe ontvangen wij de gaven van Gods Geest?
Geloven doen we met onze geest op grond van wat we hebben gehoord of gelezen. Wij zijn rechtvaardigen geworden door het gelóóf:
- ‘Zo is de zegen van Abraham (de gerechtigheid) tot de heidenen gekomen in Jezus Christus, zodat wij de belofte van de Geest zouden ontvangen door het geloof’ (Gal.3:14).
Op grond van die rechtvaardigheid wordt Gods Geest in ons uitgestort. We ontvangen Gods Geest niet door allerlei inspanningen. Petrus zei: ‘Bekeer u en ieder van u laat zich dopen … en u zult de gave van Gods Geest ontvangen’ (Hand.2:38). Een belofte wordt alleen door gelóóf toegeëigend. Men wordt niet met Gods Geest gedoopt, als men zich in allerlei bochten wringt of geluiden uitstoot. Wie gelooft, is blij en ontspannen. Hij mist iedere kramp:
- ‘Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart’ (Rom.10:8).
- ‘Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken’ (2 Cor.4:13).
Verkeerde leringen

Er zijn veel kerkmensen die zich nooit bekeerd hebben vanwege de leugen:
- “Het moet mij gegeven worden en ik wacht erop, totdat het de Heer behaagt mij te bekeren…”
Er hangt een demonische duisternis van ongeloof en verzet tegen Gods Geest over de kerken. Satan alleen is gediend met zo’n uitverkiezingsleer. Zo wordt er in de kerk ook ten opzichte van de doop met Gods Geest op dezelfde manier geredeneerd. Men wacht tot:
- “Het de Heer mag behagen hen te dopen met Heilige Geest…”
Men wacht op een ervaring, die voor hen het teken zal zijn dat God met hen begint. Veel kerkmensen komen door deze leugens nooit tot de doop met Gods Geest. Het geloof is immers uit het horen van het gebrachte woord. Hoe zullen zij geloven, als het hun niet verteld wordt?
Kracht uit de hoogte

Geestelijke gaven zijn een grote kracht van God. In de nieuwe schepping wordt onze vernieuwde geest onafscheidelijk met Gods Geest verbonden, want:
- ‘Wie zich aan de Heer hecht, is één van geest met Hem’ (1 Cor.6:17).
- Die twee werken samen: ‘Gods Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn’ (Rom.8:16).
Gods Geest dwingt niet, maar voegt zich in ontfermende liefde naar de menselijke geest. Vandaar de mogelijkheid, dat ons kennen en profeteren (nog) onvolkomen zijn. Wij willen daarom blijven streven naar de geestelijke gaven. Daarom kunnen wij geen compromissen sluiten met kerken, groeperingen en hen die weigeren zich te bekeren en de gaven van Gods Geest minachten.
‘Maar, geliefden, bewaar uzelf in de liefde van God, door uzelf op te bouwen in uw allerheiligst geloof en door te bidden in Gods Geest (Judas: 20,21).’