
De profetie is, zoals de Bijbel deze beschrijft, het spreken van een mens die rechtstreeks geïnspireerd en aangedreven wordt door de Geest van God. Bij het profeteren trekt de wil van de mens zich terug, want de profetie wordt nooit voortgebracht uit de wil van een mens. De wil van de mens is die werking van het zielenleven, die zijn geest ergens op richt. De wil heeft de beschikking over de menselijke geest en heerst erover. De wil heeft geen beschikking over de goddelijke Geest en voert geen heerschappij over Hem.
Wanneer Gods Geest rechtstreeks door de mens spreken wil, moet zowel de menselijke wil als de menselijke geest zich terugtrekken. Daarvoor is van menselijke kant geloof en vertrouwen nodig om zich geheel over te geven aan de werking van Gods Geest (geen 1/3e deel van een verzonnen drie-eenheid). Hoe groter het geloof en hoe vollediger de overgave, hoe minder menselijke interrupties de ware profetie zullen doorkruisen. Zoals in het natuurlijke leven een vrouw in vertrouwen en geloof zich kan overgeven aan haar man (Efeze 5:32), zo stelt de mens zich bij de werking van de profetie geheel beschikbaar voor de Geest van God. De mond van de mens, zijn kennis, zijn woordenschat en zijn natuurlijk bestaan worden rechtstreeks door de Geest geleid.

In Richteren 6:34 wordt vermeld dat de Geest van God Gideon vervulde. De Statenvertaling schrijft: ‘Toen bekleedde de Geest van de Heer Gideon. Gods Geest bekleedde zich dus met Gideon. Gods Geest gebruikte hem om zich in de zienlijke wereld te manifesteren. Van Simson wordt gezegd dat de Geest van God hem begon aan te drijven of ‘voort te stoten’ (13:25). In onze tekst zegt Petrus dat bij het profeteren hetzelfde gebeurt. De mens profeteert door Gods Geest gedreven, of zoals andere vertalingen ook hebben, geïnspireerd.
Jeremia
Op verschillende plaatsen in de Bijbel lezen wij dat de Geest van God over iemand actueel werd. Hij werd dan klaargemaakt voor de reis in de onzienlijke of geestelijke wereld. Jeremia omschrijft deze ervaring met de woorden:
- ‘U was te sterk voor mij en hebt mij in Uw greep gekregen. Gebroken ben ik, heel mijn lichaam beeft, ik lijk wel dronken, beneveld door wijn. Is mijn woord niet als een vuur, als een hamer die een rots verbrijzelt? – spreekt de Heer’ (20:7, 23:9 en 29).
Bij andere profeten lezen wij dat de hand van God zwaar op hen drukte (Ez.3:14).
Wij kennen en profeteren nu nog ’ten dele’
Wanneer wij de profetie op de juiste manier willen ervaren, zullen wij dit model dat de Bijbel zelf geeft, niet mogen negeren. Ook mogen wij geen verschil maken tussen de manier waarop de profetie werkte in het oude en in het nieuwe verbond. De geest van de profetie valt niet onder het tijdperk van de schaduw. De profetie brengt de onzienlijke en eeuwige wereld in het tijdelijke, door het woord. Zij is echter niet in staat de geestelijke werkelijkheden volkomen in woorden, weer te geven en blijft daarom ten dele (1 Cor.13:9).
Beelden en gelijkenissen
Paulus zag iets van de onzienlijke, hemelse werkelijkheid, maar hij wist dat ieder woord tekort schoot om weer te geven wat hij in de geest zag. Het was hem niet geoorloofd deze zaken rechtstreeks in menselijke woorden weer te geven (2 Cor.12:4). Dikwijls kregen daarom de profeten visioenen om in beelden weer te geven wat onmogelijk was onder woorden te brengen. Denk bijvoorbeeld aan de bouw van de tabernakel en zijn symboliek en aan de gelijkenissen van Jezus, die uitgesproken werden zodat zij alleen verstaan zouden worden door hen wie het gegeven was de geheimen van het Koninkrijk van God te kennen. Als wij de strijd aanbinden tegen satans demonen in de hemelse gewesten, worden deze dikwijls in beelden gezien. Er worden bijvoorbeeld draken, slangen, kikvorsen of vleermuizen getoond, terwijl er touwen en kettingen verbroken worden. Soms ziet men een persoon in een grijze sluier gehuld of met een zwarte wolk boven het hoofd. Vaak maken gezichten geestelijke toestanden en omstandigheden openbaar.
Verschil in het oude en nieuwe verbond
Zowel in het oude als in het nieuwe verbond spreekt de eeuwige Geest van God door profetie. In het Oude Testament wordt Hij genoemd: de Geest van de Heer of de Geest van God. In het Nieuwe Testament wordt Hij ook vaak aangeduid met de naam: ‘Geest van Christus’. In het nieuwe verbond is de geest van de profetie het getuigenis van Jezus (Openb.19:10). De Vader heeft de Zoon alle dingen overgegeven. Jezus is de Doper met Gods Geest. Door deze Geest getuigt Hij in deze wereld door profetieën (door woorden) en ook door kracht van tekens en wonderen. Ook deze laatste gebeuren door de naam van de heilige knecht Jezus (Hand.4:30). Dit ook in tegenstelling tot de wonderen in het oude verbond.
God spreekt door zijn Zoon

- ‘Πολυμερῶς καὶ πολυτρόπως πάλαι ὁ θεὸς λαλήσας τοῖς πατράσιν ἐν τοῖς προφήταις ἐπ’ ἐσχάτου τῶν ἡμερῶν τούτων ἐλάλησεν ἡμῖν ἐν υἱῷ, ὃν ἔθηκεν κληρονόμον πάντων, δι’ οὗ καὶ ἐποίησεν τοὺς αἰῶνας⸃ (Greek Interlinear):
- ‘In het verleden heeft God vaak en op veel manieren tot de vaders gesproken door profeten. Maar nu heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door een van karakter Zoon, Die Hij Erfgenaam gemaakt heeft van alles. Door Wie (Gods Logos en niet Jezus als mens, Joh.1:1), Hij ook de wereld gemaakt heeft’ (Hebr.1:1,2).
Door de geest van de profetie getuigt Jezus in zijn gemeente. Hij spreekt tot haar opbouwend, vermanend, vertroostend en openbaart de diepten (diepste gedachten) en verborgenheden van God. Het hele nieuwe tijdperk ligt in handen van Jezus Christus. God die geest is, heeft Jezus het recht gegeven Zijn Geest mee te delen aan allen die Hem aangenomen hebben. Daarom blijft het waar dat ook de Geest van de Vader in hen spreekt (Matth.10:20). Er staat dat God vroeger in de profeten sprak en in de laatste dagen in de Zoon (Hebr.1:1). Het laatste woord dat de Vader sprak was het vleesgeworden Woord (Gods Logos, Joh.1:1). Vanaf dat ogenblik spreekt de Zoon en wie Hem hoort, hoort de Vader.

Wanneer Gods Geest tot de gemeenten spreekt, is het de stem van Hem die tussen de gouden kandelaars wandelt. Degene die dan spreekt is Hij, die dood geweest is en levend is geworden. Het is daarom te begrijpen dat de geest van de ware profetie Jezus verheerlijkt. Zij gaat nooit buiten Hem om of negeert Hem aan wie alles door de Vader in handen is gegeven. Gebeurt dit toch, dan is de profetie niet uit God. De Geest verheerlijkt Jezus als Heer, ‘want niemand kan zeggen: Jezus is Heer (Kurios Jesous), dan door Gods Geest’ (1 Cor.12:3). Deze Geest bouwt de gemeente en put uit de verworvenheden van Jezus, zoals schuldvergeving, verlossing, genezing, groei naar de volwassenheid en het volkomen herstel van alle dingen: ‘Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het Mijne nemen en het u vertellen’ (Joh.16:14). In het Oude Testament wees Gods Geest vooruit op het werk van Jezus, dat Deze lijden moest, sterven en opstaan uit de doden (Lucas 24:45,46). In het Nieuwe Testament gaat de Geest uit van het volbrachte werk en bouwt dan verder. Hij zet voort wat Jezus ‘begonnen was te doen en te leren’ (Hand.1:1).
Inspiratie of valse profetie?

Bij de gave van de profetie komt het woord van God regelrecht uit de bron. De auteur is niet het verstand, het gevoel of de geest van mensen, maar de Geest van God. De ware profetie staat tegenover alles wat gelijkt en traditioneel is. Waar sleur en overlevering van de voorvaders maatgevend is, verdwijnt de profetie. In de straten van het Jeruzalem van de voorvaders worden de profeten gedood! Want de profeten brengen iedere keer wat nieuws. Wat leeft, groeit en fris is, past niet in een eng systeem. Toen de kinderen van Israël door de Rode Zee getrokken waren, zong Mozes met het volk het geïnspireerde lied en gaf Mirjam, de profetes, met de vrouwen het antwoord. De klaagliederen van Jeremia waren profetie, net als de lofzang van de Geestvervulde Zacharias bij de naamgeving van zijn zoon dit was. Het was alles fris en oorspronkelijk. Het waren zuivere gedachten van God die geopenbaard werden. Daarom is het geen profetie, als men een aantal Bijbelteksten aan elkaar plakt. Een herhaling van teksten valt niet onder de inspiratiegave. Zij is geen uiting van Gods Geest. Wie uit zijn geheugen een aantal teksten citeert, mag dit nooit voor profetie uitgeven. Wanneer men dit toch doet, kan dit tot valse profetie leiden.
In Jeremia 23:30 verwijt de Heer de valse profeten, dat zij Zijn woorden van elkaar stelen. Men kan citeren: ‘De Heer zal u niet begeven of verlaten’ of ‘vrede over Sion’, terwijl het goddelijk besluit al vast staat om het afvallig volk naar Babel te verbannen. Dit soort profetie staat op hetzelfde niveau als het gebruik van de ‘beloftendoosjes’, zoals wij die in Engeland tegenkwamen. In een doosje heeft men een aantal kaartjes met beloftevolle Bijbelteksten. Net als bij een automaat voor waarzeggerij op de kermis, of het leggen van kaarten, kan men er een Bijbelse belofte uithalen en zich zo ‘het woord van de Heer’ toe-eigenen. Deze devaluatie van de ware profetie brengt verwarring. In de samenkomsten van de charismatische bewegingen waar zij wordt getolereerd, mist men dan ook de werking en zalving van Gods Geest. Alles wordt vlak, eentonig, methodisch en zonder enige kracht.
Profetie is ook niet het thuis bestuderen van een Bijbelgedeelte, dat men zondags op de preekstoel meer of minder letterlijk van zijn papier weergeeft of zelfs voorleest om maar geen fouten te maken. De Bijbel zegt dat er in de gemeente evangelisten en leraars moeten zijn. Zij brengen het woord van God uit de Bijbel en door hun onderwijs redt God de wereld en bouwt Hij zijn gemeente. God roept allen tot bekering door de ‘dwaasheid’ van de boodschap van het evangelie en niet door de profetie.
Op de Pinksterdag hoorden allen de leerlingen in andere talen God grootmaken, maar pas na de toespraak van Petrus werden er drieduizend mensen gered. Tekens en wonderen kunnen het woord vergezellen, maar zij zijn niet bedoeld om de mens tot de beslissing te brengen. Wel kunnen zij, zoals bij de gevangenisbewaarder in Filippi, het hart toebereiden. De ongelovige kan zó door de profetie aangesproken worden, dat hij getuigt dat de Heer in het midden van de gemeente is (1 Cor.14:25). God geeft echter de mens de opdracht als medewerker van God door het onderwijs over het evangelie, de wereld tot bekering te brengen. Natuurlijk sluit dit niet uit dat herders, evangelisten en leraars, de gave van de profetie kunnen hebben en dat het mogelijk is dat tijdens hun toespraak de Geest van God op directe wijze begint te spreken.
Nooit uit de wil van een mens
Geen enkele ware profetie wordt voortgebracht uit de wil van een mens. Gods Geest moet iemand inspireren. Men kan niet zomaar een profetie weggeven. In 1 Corinthe 14:26 staat:
- ‘Wanneer u samenkomt draagt iedereen wel iets bij: een lied, een onderwijzing, een openbaring, een uiting in taal of de uitleg daarvan. Laat alles tot opbouw van de gemeente zijn.’
Let wel dat in deze opsomming de profetie ontbreekt. Ieder lid van de gemeente kan een psalm of een lied opgeven. Velen kunnen een getuigenis of een Schriftuitlegging geven tot lering. God kan de mens thuis iets geopenbaard hebben van zijn Woord of van de toekomende dingen. Wanneer hij zo’n openbaring heeft, kan hij deze navertellen tot opbouw van de gemeente van God. Men kan zo ook een droom of een visioen doorgeven, ja, men kan een profetie die men elders gehoord heeft of zelf gehad, doorgeven of oplezen, maar dit gebeurt alles uit de wil van de mens.
Profeteren betekent echter: opnieuw aan de bron zitten voor een directe aanraking van Gods Geest. Bij het spreken in talen sluit Gods Geest zich aan bij de mens. Bij profeteren wordt de menselijke geest aan de kant gezet. Daarom kan men nooit tegen een Geestvervulde mens zeggen: ‘Begin maar te profeteren…’
Wanneer iemand tijdens een samenkomst in talen spreekt, moet hij bidden dat hij het zelf mag uitleggen of vertalen (1 Cor.14:13). Hij zelf geeft dus de vertaling, geleid door Gods Geest. Zij zal dan inhouden: een lofprijzing, aanbidding, gebed of zegen. De vertaling vindt dus haar ontstaan in de menselijke geest. Het is niet een spreken van God, maar tót God.