Profetie en geloof

  • ‘Profetie, in overeenstemming met ons geloof’ (Romeinen 12:6).

De opnieuw geboren christen heeft het voorrecht dat twee geesten in hem wonen: zijn eigen menselijke geest en de Geest van God. Als de menselijke geest niet afgeremd is of onder druk staat, kan deze tot grote ontwikkeling komen. Hij is dan de bron van het scheppend verstand, dat het aardse leven mooi en aantrekkelijk maakt en ruimte geeft. Gods Geest sluit zich aan bij de menselijke geest, wordt er één mee en stimuleert en verrijkt de mens zo, dat deze in het Koninkrijk van de hemelen kan functioneren.

De menselijke geest uit zich voornamelijk via woorden. Met zijn geest ontwikkelt de mens gedachten. Deze worden in de onzienlijke wereld door zijn verstand, dat van de hersenen gebruik maakt, opgevangen en geordend. De hersenen veroorzaken de gedachten niet, net zoals het gehoor het geluid niet doet ontstaan. Zij zijn het orgaan dat nodig is om de gedachten te kunnen doorgeven. De woorden die daarna gesproken worden, bereiken door middel van het gehoororgaan het verstand van de luisteraar en zijn ziel en geest worden hierdoor beïnvloed. Zo is er een onderling contact van de menselijke geesten. Het verstand en de hersenen zijn zo kunstig geschapen dat zij zelfs in staat zijn gedachten van God over te nemen en door te geven. Op die manier leert de mens God kennen en ‘verstaan’ met zijn verlicht ‘verstand’.

Petrus zei over dit functioneren van Gods Geest in ons:

  • ‘Laat ieder de anderen dienen met de genadegave (charisma) zoals hij die ontvangen heeft, als goede beheerders van de veelsoortige genade van God. Als iemand spreekt, dan als iemand die de woorden van God spreekt; als iemand dient, dan als iemand die dient uit kracht die God geeft; zodat God in alles verheerlijkt wordt door Jezus Christus’ (1 Petr.4:10,11).

Dit uitspreken van de gedachten van God is de gave van profetie. Een profeet is een mens die duidelijk de gedachten van God doorgeeft. De rijkste en zuiverste profetie wordt geuit als het verlichte verstand en de profeet zo scherp geoefend is in het onderscheiden van goed en kwaad, dat het de eigen gedachten of de infiltraties van de duivel weet te selecteren van de inspiraties van Gods Geest.

Mozes

Mozes schreef de Pentateuch. Hij ontving hiervoor geen visioenen of dromen, maar zijn geest was op God gericht. God sprak tot hem zoals een mens spreekt tot zijn vriend. Daardoor werden voorstellingen en gedachten in Mozes opgeroepen en gebruik makend van zijn intellect kon hij Gods wegen en wetten openbaren en opschrijven. Omdat hij de inwoning van Gods Geest miste (Jezus was nog niet verheerlijkt) was hij echter afhankelijk van het spreken van God tot hem van buitenaf en was het hem niet mogelijk als geestelijk mens in het Koninkrijk van God te leven. Wat hij van de hemelse werkelijkheid van de dingen wist, ontving hij op de berg Sinaï door openbaring.

De Heer maakte gebruik van de geestelijke en organische capaciteiten van Mozes om zichzelf in deze wereld te openbaren. Voor het oude verbond was dit de hoogste vorm van profetie. Toen Aäron en Mirjam aan de superioriteit van de profetische gave van Mozes twijfelden, zei de Heer tot hen:

  • ‘Luister toch naar Mijn woorden! Als iemand onder u een profeet is, maak Ik, uw God, Mij door een visioen aan hem bekend, spreek Ik met hem door een droom. Maar zo doe Ik niet tegenover Mijn dienaar Mozes, die in Mijn hele huis trouw is, met hem spreek Ik van mond tot mond, ja, zichtbaar en niet in raadsels. Hij ziet de gestalte van de Heer. Waarom dan bent u niet bang geweest om over Mijn dienaar, over Mozes, te spreken?’ (Num.12:6-8).

Mozes had geen dromen nodig die uitgelegd moesten worden, hij kreeg geen gezichten waarvan de betekenis verklaard moest worden. God sprak ook niet tot hem in raadselachtige gelijkenissen. Hij kon God ontmoeten zonder enige bedekking van het gezicht (2 Cor.3:13). Daarom kon hij profeteren:

  • ‘Hij zal in uw midden een profeet (Jezus Christus) laten opstaan; een profeet zoals ik’ (Deut.18:15).

Ook Jezus ontving zijn kennis rechtstreeks van zijn Vader. Ook Hij zag de gestalte van de Heer of het wezen van God, want Hij zei:

  • ‘Ik spreek over wat ik gezien heb bij mijn Vader’ (Joh.8:38) en:
  • ‘De Zoon kan niets uit zichzelf doen, hij kan alleen doen wat hij de Vader ziet doen; en wat de Vader doet, dat doet de Zoon op dezelfde manier’ (Joh.5:19).

Het verschil in de bediening van Mozes en Jezus was, dat bij Mozes zijn menselijke geest zodanig verlicht werd, dat hij een huis op aarde kon bouwen, terwijl Jezus Gods Geest in zich had die kennis heeft van alle dingen, dus ook van de hemelse en die de kracht gaf om in deze geestelijke wereld te wandelen. Daarom kan onze Heer een tempel van God in de geestelijke wereld optrekken.

De apostel Paulus

Ook Paulus nam (geïnspireerd door de inwonende Geest van God) de gedachten van God over het Koninkrijk van de hemelen over, hoewel hij soms daarover ook openbaringen ontving, net zoals Mozes. Van de onzienlijke wereld schreef hij:

  • ‘Aan de hand daarvan kunt u zich, wanneer u dat leest, een beeld vormen van mijn inzicht in dit geheim van Christus. Het is onder vorige generaties niet aan de mensen onthuld, maar nu door Gods Geest geopenbaard aan zijn heilige apostelen en profeten’ (Efeze 3:4,5).

Door middel van de gemeente, bestaande uit Joden en heidenen, werd immers aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige rijkdom van God bekend gemaakt.

‘Ik zal hem tot een God zijn’

Voor de Nieuwtestamentische gelovige geldt: ‘Ik zal hem tot een God zijn’ (Hebr.8:10). Een God is een inspirator en voorwerp van verering (Ex.4:16). Voor de profetie is een hoge mate van geloof nodig, zoals in bovenstaande tekst staat: ‘Profetie, in overeenstemming met ons geloof’. Men moet immers zeker weten dat men de gedachten van God weergeeft.

Het geloof dat zonder enige bijbedoeling zich volkomen op God richt, geeft deze zekerheid. Naarmate het geloof groeit en standvastiger wordt, zullen de gedachten van God duidelijker worden en groeit de profetische gave. Streef daarom naar alle geestelijke gaven, maar allermeest dat je mag profeteren (1 Cor.14:1).

‘En zij zullen allen door God geleerd zijn’ (Joh.6:45).