
- ‘Wat nu de geestelijke gaven betreft, broers, wil ik niet dat u onwetend bent’ (1 Corinthe 12:1).
Dit Bijbelgedeelte geeft aan dat er in Paulus’ tijd gelovigen waren die geen zicht hadden op de geestelijke gaven. Paulus’ streven ten opzichte van de gemeente te Corinthe was dat zij daar juist alles van moesten weten. Tegenwoordig zien we ook diezelfde geestelijke armoede in de zich christelijk noemende kerken. O ja, sommigen houden zich zeker wel bezig met enkele geestelijke gaven. Daarvoor gebruikt men graag een gaven- en talententest voor gemeenteleden. Zo krijgt men inzicht hoe ieder lid zich nuttig kan maken in de gemeente. Maar dit blijft steken op het natuurlijke vlak. Opvallend is daarbij dat men niet spreekt over gaven als profeteren, het spreken in andere talen en de gave van genezing. Dan zegt men snel:
- ‘Ze hebben bestaan, maar het is nu niet meer nodig… Wij hebben vandaag onze Belijdenisgeschriften!’
Is dit Bijbels? Gemeenten die het enige Bijbelse Fundament hebben verworpen en vervangen door valse surrogaten?
Bovengenoemde tekst maakt duidelijk dat het Gods gedachte is dat men niet langer onwetend zal zijn of blijven m.b.t. de geestelijke gaven. Als men het juiste gebruik van deze gaven leert kennen, zal daardoor de gemeente opgebouwd worden. Is het niet treurig dat er zo weinig gesproken of gepreekt wordt over de geestelijke gaven? Wat is daar de oorzaak van? Als Paulus al voelt dat er behoefte aan is, waarom spreken mensen er dan niet over? Zijn de Woorden van God dan veranderd?
De mensen in Corinthe wisten wel dat er geestelijke gaven waren, want die hadden zij. Paulus kon schrijven: ‘zodat het u aan geen enkel gave ontbreekt’. Het was dus niet zo dat zij geen gaven bezaten of er niet in geloofden, maar zij moesten horen hoe ze de gaven op de juiste manier moesten gebruiken. Paulus spreekt hier over de gaven die aanwezig zijn, maar de geestelijke duisternis van de gemeente is blijkbaar erg groot: ze hadden de gaven wél, maar namen ze niet aan. Het doel van de apostel is dan ook dat deze gaven niet verborgen blijven, maar dat zij tevoorschijn komen, zodat de kinderen van God er op de juiste manier gebruik van maken. Dat moesten ze opnieuw leren vanuit de woorden van God. De gaven zijn verschillend, maar de Gever is dezelfde, of zoals de Bijbel zegt:
- ‘Er zijn verschillende gaven, maar er is één Geest;
- er zijn verschillende bedieningen, maar er is één Heer;
- er zijn verschillende uitingen van bijzondere kracht, maar het is één God die ze allemaal en bij iedereen teweeg brengt’ (1 Cor.12:4-6).
Het doel van de geestelijke gaven is dat de gemeente opgebouwd zal worden. Zolang de gaven van Gods Geest aanwezig zijn, wordt de gemeente van Jezus Christus opgebouwd en versterkt. Een gezonde, geestelijke openbaring en werken van deze gaven, zal een gemeente geestelijk doen groeien zoals Paulus dat verwoordt :
- ‘De eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus’ (Ef.4).
Juist waar de zuivere werking van de geestelijke gaven is, zal men het verschil zien tussen het werk van God en het werk van satan. Men zal dan werkelijk kunnen zeggen: ‘God is in haar midden.’ Als Paulus de hoop uitspreekt om de geliefden in Rome te mogen ontmoeten, drukt hij dit verlangen als volgt uit:
- ‘Want ik verlang ernaar u te ontmoeten en u te laten delen in een geestelijke gave, om u te versterken’ (Rom.1:11).
God wil Zijn gaven aan Zijn gemeente geven, zodat zij voorbereid zijn wanneer Jezus terugkomt. Hij zal de gemeente vinden, getooid met al de bruidssieraden, die de Vader haar gegeven heeft in en door de verlossing aan het kruis van Golgotha. Samen met het smetteloos en blinkend fijn linnen kleed, want dit zijn de goede daden van de kinderen van God.
Waar moet de gemeente dus voor gaan met betrekking tot de geestesgaven? Het beste kan men deze vraag beantwoorden met het woord uit 1 Corinthe 1:7:
‘Zodat het u aan geen gave ontbreekt, verwachtend de openbaring van onze Heer Jezus Christus’.